De Melkerij in Peersbos, Brasschaat. Het is een namiddag waarop Karine Van Doorsselaer met een klein keelpijntje binnenkomt en het kleine glaasje rum dankbaar accepteert. “Goed voor de keel te smeren“, lacht ze. Ze is hoofddocent productontwikkeling aan de Universiteit Antwerpen, met focus op materialenleer en ecodesign. Twintig jaar geleden was circulaire economie aan haar instituut al een hot topic, “het was de richting waarin de wereld ging gaan“. Vandaag, op de zelfde plek waar de boys haar interviewen, vraagt ze zich af waarom de gewone burger op straat dat nog niet voelt. Het antwoord op die vraag vormt de rode draad van een uur waarin ze meer hardop denkt dan dat ze conclusies oplegt.

Ze is geen econoom, herhaalt ze graag, en daar moeten de hosts haar af en toe in beschermen tegen zichzelf. Maar ze is wel iemand die weet hoe een polyethyleenmolecule erin slaagt om in zes maanden tijd vanuit een Saudische pijpleiding tot bij u thuis op een drankkarton te eindigen. En vooral: hoe diezelfde molecule, na één keer recycleren, niet meer is wat ze beweert te zijn.

“Wij vliegen allemaal met de snelheid van 1000 km/u tegen de catastrofe. We zitten in hetzelfde ruimteschip.“

Recycleren is pas de laatste stap, niet de eerste ▶ 1:59

Het grootste misverstand in de publieke discussie over circulaire economie, zegt Van Doorsselaer, is dat mensen denken dat het synoniem is met recycleren. Het is dat juist niet. Producten zo lang mogelijk gebruiken is stap één: ontwerpen om te herstellen, te onderhouden, te hergebruiken. Pas wanneer dat is uitgeput komt refurbishing en remanufacturing, het tweedehands recyclen van componenten, denk aan smartphones waar het scherm en de batterij in plaats van het volledige toestel een tweede leven krijgen.

“Recycleren is pas de laatste stap in het sluiten van de kringloop. Het is een groot misverstand dat dat dé manier zou zijn.“

Ze illustreert het met de waardeketen van staal. Een klomp ijzererts heeft weinig of geen waarde. Wie het ontgint, voegt waarde toe. Wie er staal van smelt, voegt nog meer toe. Wie het tot platen rolt en daar producten van maakt, drijft de waarde verder op. Onmiddellijk de afgedankte producten omsmelten naar grondstoffen vernietigt het meeste van die waarde. Wat circulaire economie wil, is die waardeopbouw zo ver mogelijk in stand houden. De producten zelf herstellen, ze hergebruiken, hun componenten oogsten. Pas wanneer alles op is, het materiaal terug naar grondstof omzetten.

Waarom Europa de kar trekt en wij geen ijzererts hebben ▶ 4:36

In 2019 kondigde de Europese Commissie de Green Deal aan met een budget van een 1 met 12 nullen erachter. Frans Timmermans was de man die het trok. Het doel was niet alleen klimaatneutraliteit, maar ook circulariteit, omdat de twee onlosmakelijk samenhangen. Een jaar later kwam corona, en niet veel later kwam ook een andere politieke wind die de Green Deal afzwakte. Maar het strategisch motief blijft staan, los van wie er in Brussel zit.

“Als je naar de wereldkaart kijkt waar grondstoffen aanwezig zijn: wij hebben er geen of weinig. Dus als Europa grondstoffen wil, moeten bedrijven die aankopen op andere continenten. Daardoor maak je jezelf economisch afhankelijk van die andere landen.“

Dat is geen academisch argument. Het is geopolitiek. Wie ijzererts wil voor staalproductie kan in 2026 niet meer ervan uitgaan dat de prijs vrij blijft van politieke conflicten en ja-of-nee-momenten. Wie zelf een gesloten kringloop kan organiseren, ontkoppelt zich van die afhankelijkheid. Voor een continent zonder eigen grondstoffen, zoals Europa, is circulariteit dus niet alleen een milieubeleid. Het is industriebeleid.

Waarom een gerecycleerde fles plastic duurder en slechter is ▶ 8:28

In een eerdere Discours-aflevering vertelde Mik van Gaever van Fost Plus al dat recyclaat duurder is dan virgin materiaal. Het is een paradox die de hosts wilden uitvragen. Van Doorsselaer doet het nuancering door nuancering. Eerst de PMD-zak: P staat voor plastic verpakkingen, M voor metaal, D voor drankkartons. Niet alle plastic. Geen speelgoed, geen emmers, alleen verpakkingen.

Metaal recyclen, zegt ze, is geen probleem. Onze grootouders deden het al. De moleculen blijven dezelfde, de kwaliteit blijft hoogwaardig. Plastic is een ander verhaal.

“Bij het smeltproces gaan die lange reuzenmoleculen degraderen. We hebben een mix van kunststoffen, we krijgen degradatie van de moleculen, en we hebben tal van verontreinigingen. Inkten, lijmen, allerhande chemicaliën die in dat recyclaat zitten.“

Het inzamelen kost geld, het sorteren kost geld, het smelten kost energie. En het eindproduct is een minder zuivere kunststof. Wie de afzetmarkt ervoor moet vinden, ziet zijn klanten weglopen naar de virgin variant, omdat die om compleet andere redenen spotgoedkoop is.

De olie-destillatiekolom en het bijproduct dat de wereld vulde ▶ 11:32

Hier wordt het scenario zichtbaar dat de petrochemische sector de afgelopen tachtig jaar heeft gevormd. Aardolie wordt opgepompt en in een destillatiekolom opgesplitst in fracties: kerosine, benzine, dieselolie, huisbrandolie. Bovenaan, bij de kleinste moleculen, krijgt de raffinaderij een fractie die voor de aandrijving van voertuigen niet bruikbaar is. Dat zijn de bouwstenen voor synthetische kunststoffen.

“Tachtig jaar geleden is de ontwikkeling gekomen van die synthetische kunststoffen uit afvalstromen. Afvalstromen van de aardolie-industrie. Het was een bijproduct.“

De winst van een raffinaderij zit in de andere fracties. Polyethyleen is, in 2026, ongeveer 1,20 euro per kilo. Voor een grondstof die honderdduizend producten op de markt heeft gezet, is dat niets. Een gerecycleerde polyethyleen, met de bijbehorende inzamel- en zuiveringskosten, kan nooit op die prijsbasis concurreren. Tot virgin materiaal duurder wordt door schaarste of door regelgeving, draait de markt economisch tegen circulariteit in.

Het Paard van Troje van het verplichte recyclaat ▶ 9:55

De Europese Packaging Waste Regulation verplicht tegen 2030 dat dertig procent van de kunststoffen in verpakkingen recyclaat moet zijn. Voor Van Doorsselaer is dat een dubbel beladen voorstel. Aan de ene kant zal het de markt voor recyclaat eindelijk kunstmatig opdrijven, en daarmee misschien de prijs verhogen tot het rendabel wordt. Aan de andere kant zit er een addertje onder het gras dat haar 's nachts wakker houdt.

“Ik hoop uit de grond van mijn hart dat we geen Paard van Troje gaan creëren en dat we binnen 20 jaar moeten vaststellen dat we door die regelgeving schadelijke stoffen hebben geïmplementeerd in onze materiaalstroom, in onze verpakking.“

Het probleem zit precies in die “cocktail van additieven“ die ze in de gerecycleerde plastics ziet. Brandvertragers in de oude laptopbehuizing. Weekmakers in oude PVC-buizen. Inkten en lijmen van labels en folies. Wanneer al die stromen samengevoegd worden tot één granulaat, weet niemand exact wat erin zit. En dat granulaat eindigt straks, verplicht, voor dertig procent in nieuwe verpakkingen, ook in voedselverpakkingen.

Babybijtringen, weekmakers en de huid als spons ▶ 16:19

Om de schaal van wat ze bedoelt te onderstrepen, gaat ze 25 jaar terug in haar eigen praktijk. PVC, het kunststofmateriaal van zwembandjes, bijtringen, en sommige speelgoed, wordt soepel gemaakt met weekmakers. Tweeëntwintig jaar geleden waren die weekmakers grotendeels ftalaten, intussen erkend als kankerverwekkend en hormoonverstorend.

“Mij is opgevallen, jonge baby's knabbelen op die bijtringen van weekgemaakte PVC, dan worden die stoffen opgenomen door de baby's. Onze huid is een spons.“

Ze gebruikt het voorbeeld niet om angst te zaaien, maar om iets ongemakkelijks duidelijk te maken. Wat we in onze gerecycleerde stroom toevoegen, komt straks in producten waarmee mensen dagelijks contact hebben. Niet alleen via voedselverpakking, maar via huidcontact, ademhaling, opeenstapeling. Het kan twintig jaar duren voor we de gevolgen zien. “Ik krijg soms het antwoord: maar waar maak je je zorgen over? Het zal zo'n vaart niet lopen. Het zal wél zo'n vaart lopen.“

Chemisch recycleren als ontsnappingsroute ▶ 10:37

De redding ligt mogelijk in een nieuwe technologie waar Antwerpen volop in investeert. In Indaver staat al een pilotplant voor chemisch recycleren. Niet meer smelten en hopen op het beste, maar de lange reuzenmoleculen gecontroleerd in stukjes hakken, terug tot de bouwstenen waaruit ze ooit gemaakt zijn. Vervolgens kunnen ze opnieuw gepolymeriseerd worden tot verse, schone kunststof.

“Eigenlijk willen we de moleculen kraken in plaats van dat de aardolie gekraakt wordt. Dan hebben we een gesloten cirkel.“

Het is geen toekomstmuziek meer. De pilotplant draait, de technologie werkt op laboratoriumschaal. Wat het tegenhoudt is energie. Chemisch recycleren vraagt veel energie. En precies daar zit de andere transitie waarvan deze afhangt: hernieuwbare, betaalbare elektriciteit. “Ik spreek al sinds de jaren '90 over chemisch recycleren. Toen was de struikelblok dat het te veel energie vraagde. Nu, zoveel jaar later, gaat men wel investeren. Bedrijven investeren niet als ze er niet in geloven.“ Total, Basell, Lyondell: het zijn precies de oude petrochemische reuzen die nu de chemische recyclage-installaties bouwen.

Het Marshall Plan en de uitvinding van de wegwerpeconomie ▶ 25:54

Hoe zijn we hier eigenlijk terechtgekomen? Van Doorsselaer schetst een geschiedenis die in haar lessen wel eens een verbazingseffect heeft. “Onze grootouders gingen een huwelijk aan, kochten producten, en op hun jubileum vijftig jaar later hadden ze nog dezelfde producten.“ Dat was de gangbare definitie van duurzaamheid: lang meegaan. Wat dat brak, was de Tweede Wereldoorlog en het Marshallplan dat erop volgde.

“Toen werd in eigenlijk de kim geplant van de wegwerpeconomie. Laat ons producten ontwerpen die snel kapot gaan, zodanig dat de consument snel weer nieuwe producten aankoopt.“

Het was een industrieel businessmodel dat samenviel met een nieuwe technologische voorwaarde: de opkomst van goedkope kunststoffen in de naoorlogse decennia. Twee evoluties die elkaar versterkten. De producent verlegde zijn winst van duurzaam product naar repetitieve aankoop. De consument leerde dat een wasmachine van tien jaar oud beter vervangen wordt dan hersteld. En de afvalberg die we vandaag proberen op te ruimen is, in essentie, de erfenis van die zeven decennia model.

ETAP en de armatuur die nooit wordt verkocht ▶ 27:46

De omkering van dat model heet “product-as-a-service“. Van Doorsselaer geeft graag een Belgisch voorbeeld. ETAP, een Antwerpse producent van lichtarmaturen, verkoopt zijn lampen niet meer. Het verkoopt licht. Wie de armaturen wil gebruiken, betaalt een abonnement. Het bedrijf blijft eigenaar van het materiaal. Wat de consument koopt is de service, niet het object.

“Het bedrijf zal armaturen ontwerpen die perfect voldoen aan de spelregels van Ecodesign: demonteerbaar, herbruikbare componenten, geen flutmaterialen. De lampen zijn ook heel sterk, want het is een service. Als de lamp niet werkt, draait het bedrijf op voor de kosten.“

De prikkel verschuift. Wie het object verkoopt, heeft economisch voordeel bij snelle slijtage. Wie de service verkoopt, heeft alle reden om de armatuur jaren mee te laten gaan, bekrachtigt te repareren, en eindelijk de componenten te recupereren. Philips deed het voor de verlichting van Schiphol. BMA Ergonomics deed het al dertig jaar geleden met bureaustoelen: bij retournering kreeg de klant nog vijftig euro toe, het bedrijf rebuildde ze. Toen de hosts haar uitdagen of het ook voor consumenten werkt, geeft ze de eerlijke nuance. “Floring as a service, light as a service. Het werkt vooral B2B. Voor consumenten zijn er Velo-fietsjes, deelsteps. Het is een illusie dat alle producten geleased zullen worden. Maar we zitten in een transitie.“

Het Papillen-project: circulariteit voor wie het minst geld heeft ▶ 32:35

Een van de meest verrassende voorbeelden komt uit Kortrijk. Het Papillen-project verhuurt hoogkwalitatieve huishoudtoestellen aan gezinnen met een klein budget. De redenering is contra-intuïtief maar overtuigend.

“Mensen met een klein budget gaan in de winkel de goedkoopste wasmachine kopen. Die machines verbruiken tijdens hun leven veel energie, water en zeep. Ze gaan tijdens de gebruiksfase veel meer betalen dan wanneer een energie-efficiënt toestel was gekocht.“

Het probleem is dat dat efficiëntere toestel duurder is in aankoop. Voor wie een budget heeft van vijfhonderd euro is een wasmachine van twaalfhonderd onmogelijk. Het Papillen-project lost het op door de wasmachine te leveren als dienst, in te bouwen waar nodig, en de klant te laten betalen per gebruik. Het bedrijf blijft eigenaar, dus het bedrijf zorgt voor onderhoud, voor degelijkheid, voor lange levensduur. De gezinnen krijgen toegang tot een hogere kwaliteit zonder het kapitaal te moeten neertellen.

Voor Van Doorsselaer is het bewijs dat circulariteit géén luxegoed is voor de rijken. “Ik wil de perceptie doorbreken dat de circulaire economie enkel voor de rijken is en dat de armen armer worden. Dat is echt geen waar.“

Right to Repair: een Bosch-vaatwasser met een 8.9 op het label ▶ 34:21

Eén van de hosts heeft net een vaatwasser gekocht. “Er stond een reparatie-label bij, eentje van Bosch. Daar stond 8,9 op.“ Het is iets wat in 2026 nog vrij nieuw is, en Van Doorsselaer ziet het als de eerste tastbare uitwerking van de Europese Right to Repair-regelgeving. Bedrijven moeten kunnen bewijzen dat hun producten herstelbaar zijn. Een score van 8,9 betekent dat een vakman of bekwame consument de machine kan repareren in plaats van vervangen.

Hoe is het er gekomen? Niet vanuit de industrie. Test-Aankoop startte in de jaren tien een website “rapkapot.be“, waar consumenten meldingen achterlieten over toestellen die net na de garantieperiode begaven. De klachten stapelden zich op, het patroon werd onmiskenbaar, en uiteindelijk pakte Brussel het op. “Het is dus door de community, door de consumenten, dat dit op Europees niveau is geregeld. Bedrijven moeten nu kunnen bewijzen dat producten herstelbaar zijn.“

Niet elk merk speelt eerlijk. Sommige kledingmerken hangen een extra knop in het hemdje en noemen het herstelbaar. “Dat is greenwashing, daar zijn altijd cowboys.“ Maar voor de eerste keer sinds de naoorlogse wegwerpcultuur is er een instrument dat de verantwoordelijkheid bij de producent legt in plaats van bij de consument.

De Nesquik-doos die plots van karton is ▶ 37:33

Wat haar al maanden voor problemen plaatst, is greenwashing. Het meest sprekende voorbeeld is recent. De ronde gele Nesquik-doos die je al jaren in de winkelrekken kent, was decennialang van plastic. Sinds vorig jaar is hij van karton.

“Dat is alvast aan de consument om als men dat ziet, te denken: papier, denk eens verder na. Waar komt het papier vandaan? Oké, het komt van bomen.“

Een boom heeft 40 jaar nodig om volgroeid te zijn. Papier is geen bijproduct, het is het hoofdproduct van de papierindustrie, en die industrie verbruikt geweldig veel water, energie en chemicaliën. Bovenop dat alles krijgen die papieren verpakkingen vaak een laagje plastic om water tegen te houden, want anders worden ze direct hard. Resultaat: een verpakking die voor de consument als “groener“ oogt, maar in werkelijkheid een grotere voetafdruk heeft.

Wat een echte circulaire verpakking zou zijn, vraagt een hosts. Volgens haar is het een hiërarchie. Eerst: minder verpakking. Een blok zeep in plaats van een fles vloeibare shampoo. Dan: herbruikbare verpakking. Dan pas: recycleerbare verpakking. Karton in plaats van plastic is geen van die drie als de keuze ingegeven is door perceptie.

Het bagasse-theezakje dat eigenlijk niets oplost ▶ 42:51

Ter illustratie van waarom regelgeving alleen niet volstaat, vertelt ze het verhaal van het theezakje. Begin: een herbruikbaar metalen theezakje, je vult het zelf, geen probleem. Dan: een papieren theezakje van Lipton, ook geen probleem, in de GFT. Dan: een verpakkingsontwerper bedenkt het “theemoment“ met een driehoekig piramidezakje. Maar in papier is een piramidevorm te moeilijk, dus stappen ze over op PLA, een bioplastic.

“Probleem natuurlijk. Mag dat in de PMD? Nee. Mag dat bij de compost? Nee. Dus het wordt verbrand. En nu heel recent gaat een bedrijf het op de markt brengen met composteerbare bagasse.“

Bagasse zijn de geperste suikerrietstengels uit Brazilië en India. Een reststroom, dus volgens het verhaal duurzaam. Maar Van Doorsselaer was rechtstreeks naar het bedrijf gestapt met de vraag waarmee de vezels samengehouden worden, en kreeg geen antwoord. De reststroom wordt ginder al gebruikt, transport vanuit Latijns-Amerika weegt enorm op de footprint, en intussen is er gewoon een herbruikbaar metalen eitje dat alle problemen elimineert.

“Je geeft de perceptie aan de consument: oh, kijk, dit is een composteerbaar materiaal. Maar het antwoord op de vraag waarom dit op de markt komt is: voor de convenience van de consument. Er zijn grenzen aan gebruiksgemak.“

Wat een ontwerper anno 2026 moet doen ▶ 52:12

Van Doorsselaer geeft het vak Ecodesign binnen productontwikkeling aan de UA. Ze legt het terug naar de basis. Een goede ontwerper denkt aan de volledige levenscyclus, niet aan een single-use moment. Grondstoffen, materiaalkeuze, assemblage, gebruik, en pas op het einde afdanking. En binnen dat geheel is er één regel die ze haar studenten erin probeert te krijgen: gebruik universele materialen.

“Dat is een wildgroei aan kunststoffen. Probeer gebruik te maken van veel voorkomende kunststoffen. Veel meer polyethyleen in plaats van een diversiteit. Universele materialen, dat is ook economisch belangrijk.“

Wie honderd verschillende kunststoffen in één product stopt, eindigt met een afvalberg die je moet uit elkaar sorteren voor je het kunt recycleren. Wie twee soorten gebruikt, krijgt een grote stroom van één materiaal terug. Wie het ontwerpt om gedemonteerd te worden, met schroeven in plaats van lijm, met onderdelen die genummerd zijn, geeft het tweede leven van een product een eerlijke kans. ABS, het materiaal van Lego-blokjes, is een lijst met 60 jaar dienst en een wereldwijde herkenbaarheid; bio-polyethyleen is een nieuwere telg uit dezelfde familie.

Apple, Android en de zachte lijm die smelt bij 50 graden ▶ 57:18

De industrie verandert, zegt ze, en de hosts duwen haar daarop door. Apple van tien jaar geleden tegenover Apple van vandaag: schermen lieten zich niet vervangen, batterijen waren één geheel, alles vastgelijmd in een onmogelijke formule. Vandaag is de lijm zachter, smelt het bij vijftig graden los, kun je een batterij vervangen zonder dat je de behuizing breekt. Android-fabrikanten geven nu zeven jaar updates, terwijl het tien jaar geleden vaak twee waren.

“Ik wil maar zeggen, je voelt het toch ook. De industrie is aan het komen. En dat komt ook omdat we in democratische landen leven en mensen stemmen.“

Politieke druk werkt, mits er gestemd wordt voor partijen die het serieus nemen. En de Vlaamse minister-president Diependaele liet in een interview na zijn aantreden optekenen: “Klimaat gaan we niet echt focussen, want daar maak je je niet populair mee bij de kiezer.“ Voor Van Doorsselaer was het de zin die de vinger op de wonde legt. Politici nemen hun verantwoordelijkheid niet, omdat sympathiek zijn voor de kiezer voor hen weegt. “De verantwoordelijkheid van een politicus is zorgen voor de veiligheid en de gezondheid van de burger. Als wij niet de kaart trekken van circulariteit en klimaatneutraliteit, krijgen we klimaatvluchtelingen en dragen we mee aan de gezondheidsverontreiniging die op alle vlakken op ons afkomt.“

Het corsetbedrijf in Schellebelle dat lingerie werd ▶ 59:12

Tot slot een Belgisch verhaal dat ze graag vertelt. Honderd jaar geleden waren er in Schellebelle, Oost-Vlaanderen, talloze kleine corsetfabriekjes. Toen vrouwen geen corsets meer droegen, gingen ze één voor één failliet. Op één na. Eén fabriek las de tekenen aan de muur en stelde zich de vraag: wat is onze niche als de wereld geen corsets meer wil?

“En dat is Lingerie van de Velden geworden. Dat is het voorbeeld van sterke bedrijven die anticiperen op wat komen gaat. Al die andere bedrijven bleven maar corsets maken.“

Voor Van Doorsselaer is het de kern van de boodschap. We zitten in een transitie naar circulariteit, naar hernieuwbare energie, naar biobased economie. Bedrijven die wachten met aanpassen, repeteren het lot van de Schellebellese corsetfabrikanten. Bedrijven die nu al investeren, ook als de winst er nog niet uit komt, zijn de Linge ries van de Velden van 2046. “Bedrijven die nu al investeren, dat zijn de winnaars.“

Slot: één ruimteschip op weg naar de catastrofe ▶ 1:08:43

Tegen het einde komt ze terug op de catastrofe-metafoor waarmee ze begon. Maar het slot is, op haar eigen aandringen, positief.

“We zitten op de koers richting circulariteit. We moeten nadenken over beperking van klimaatopwarming. We moeten biodiversiteit koesteren. En we zijn goed bezig. Eerlijk.“

Het is een uitspraak waar ze later in het gesprek nog op terugkomt om te onderstrepen dat ze geen schoon-tijdsfilosoof is. Ze ziet de cijfers, ze ziet hoe de pensioendiscussies meer aandacht krijgen dan de biodiversiteitscijfers, ze ziet hoe Donald Trump het beeld van China als klimaatzondaar projecteert terwijl daar inmiddels vijftig procent van de wereldwijde windmolenproductie staat. Maar ze ziet ook de bedrijven die haar mailen, het toenemende belang van right-to-repair, het Papillen-project in Kortrijk, ETAP en BMA, de pilot van chemisch recycleren in Antwerpen.

Aan tafel rond zes uur 's avonds, met haar glaasje rum nog half vol, vat ze het samen in een uitspraak die ze vaker gebruikt: there is no business on a dead planet. Het is geen ecologische slogan. Het is een economisch axioma. Bedrijven die het niet erkennen, repeteren het lot van de corsetmakers. Bedrijven die het wel erkennen, ontwerpen al voor 2046. En een planeet die intussen, met zeven miljard medepassagiers, gewoon doordendert op duizend kilometer per uur, biedt nog precies één keer plek aan om de koers iets te veranderen. Waarvoor we alle stakeholders nodig hebben: de consument, de bedrijven, de overheid, en wat haar betreft ook hier en daar een politicus die zijn populariteit eens niet zwaarder weegt dan zijn taakomschrijving.