De Groene Jager in Brasschaat. Gert Truyens komt binnen, knikt naar het glaasje rum, en gaat zitten met die rust van iemand die al 25 jaar aan onderhandelingstafels heeft gezeten. Sinds twee jaar is hij nationaal voorzitter van de ACLVB, de Algemene Centrale der Liberale Vakbonden van België. Daarvoor was hij vijftien jaar lang vakbondssecretaris en onderhandelaar in de provincie Antwerpen. Een man die met twee voeten in de klei staat, zoals hij het zelf graag formuleert. Wat al meteen duidelijk wordt: ACLVB is geen vakbond zoals het beeld dat de gemiddelde Belg heeft.

“Wij zijn politiek onafhankelijk. Ik wil geen verlengstuk zijn van geen enkele politieke partij. Ik zit niet in het partijbureau bij MR of bij Open VLD. Wij hebben daar ook niets te zoeken.“

Het is een uitgangspunt dat de hele aflevering door blijft hangen. Wie ACLVB hoort, denkt liberaal, denkt VLD, denkt patroons. En precies dat beeld wil Truyens kapot. Op 30 mei 2026 organiseert ACLVB een congres waar niet alleen de naam, maar ook de filosofie van de organisatie verandert. Een primeur die hij hier alvast aankondigt. “Vakbonden 2.0“, in zijn eigen woorden, want de wereld verandert en de vakbonden moeten mee.

De drie vakbonden van België en het Nederlandse contrast ▶ 1:05

België kent drie vakbonden: ABVV (socialistisch, de luidste), ACV (christelijk, de grootste), en ACLVB (sociaal-liberaal). Samen vertegenwoordigen ze 60 tot 65 procent van de werknemers. Een uitzonderlijk hoge syndicalisatiegraad in Europese context.

“In Nederland is er één vakbond, het FNV, en de syndicalisatiegraad gaat elk jaar naar beneden. In België is dat 60 tot 65 procent. De diversiteit bij ons werkt wel.“

De drie verzuiling die Truyens uiteindelijk wel een beetje achter zich wil laten, blijkt dus paradoxaal genoeg de motor van een sterk middenveld. Concurrentie op het moment van sociale verkiezingen, om de vier jaar in bedrijven met meer dan vijftig werknemers, dwingt de drie organisaties scherp te blijven. Tegelijkertijd is volgens Truyens de tijd voorbij dat het volstaat om elke maatregel met automatische tegenstand te beantwoorden. “Het ABVV is de luidste roeper. Het ACV is wat wel groter en wat gelieerd, ze komen toch nog op regelmatige tijdstippen samen met CD&V en Vooruit. Wij zijn de sociaal-liberale, vrijdenkend, voor een vrije markteconomie waarin correcties moeten gebeuren waar ongelijkheden ontstaan.“

Werkzekerheid komt voor loon ▶ 8:23

Een enquête bij ACLVB-leden, vijftien jaar geleden uitgevoerd en recent geüpdatet, leverde een resultaat op dat Truyens nog steeds als peilster gebruikt voor wat hij als de echte prioriteit van werknemers ziet.

“Wat is het allerbelangrijkste voor een werknemer? Werkzekerheid, met verre voorsprong. Verloning komt daarna, ehm en arbeidsomstandigheden. Mensen willen het natuurlijk goed hebben, maar de trouw aan hun werkgever is nog veel belangrijker dan het loon eigenlijk.“

Het sluit aan bij wat hij in zijn dagelijkse onderhandelingen ziet. De mythe van vakbonden als instellingen die alleen om hogere lonen willen, klopt niet. Wat werkgevers en werknemers samen meer en meer aan tafel onderhandelen, zegt Truyens, gaat over werkzekerheid, over opleiding, over flexibiliteit binnen veilige kaders. Niet over loonsverhoging als doel in zichzelf. “Wij-zij is een verhaal dat de politiek en de media graag opvoeren, maar die tegenstellingen zijn in de dagelijkse praktijk veel kleiner dan men denkt. Elke dag worden er in ondernemingen zoveel akkoorden gesloten. Maar die komen niet in het nieuws.“

Het mythische sociaal overleg en de Wet van '96 ▶ 10:34

Eén van de meest zichtbare functies van de vakbonden is hun rol in het sociaal overleg. Cao's, sectorakkoorden, indexering. Voor Truyens is dat het terrein waar de Belgische structuur tegelijk haar grootste kracht en haar grootste rigiditeit toont. Wat hem het meest stoort, is de Wet van '96. Die bepaalt dat Belgische lonen niet meer mogen stijgen dan in Frankrijk, Nederland en Duitsland.

“Die wet is te rigide. Hij maakt dat één norm geldt voor alle sectoren, ongeacht hun activiteit. Wij zijn vragende partij om die Wet van '96 niet te doen. Laat ons de vrijheid van onderhandelen terug op tafel leggen.“

Het is een verrassende positie voor een vakbond. Want vrijheid van onderhandelen werkt twee kanten op. Truyens erkent dat. In de textielsector, die onder druk staat, of de auto-industrie, die uit het land verdwijnt, “moet je daar het onderste uit de kan halen? Absoluut niet“. Onderhandelen na gelang de mogelijkheden van het bedrijf of de sector. Maar tijdens de coronacrisis bleken de voedings- en handelsbedrijven plots tot ongekend hoge winsten in staat. “Op dat moment hebben werknemers zich dubbel geplooid om dat succes mee te realiseren. Dan moet je ook de mogelijkheid hebben om buiten die Wet van '96 te springen en zeggen: hier mogen wij als vakbond een graantje meepikken.“

Voor Truyens is het symptomatisch voor wat hij als ideologische verstarring ziet. De wet behandelt een chemiebedrijf in Antwerpen als een textielbedrijf in West-Vlaanderen, terwijl hun economische realiteit volledig verschilt. Vrijheid om te onderhandelen, zegt hij, is niet alleen een werkgeversargument. Het is ook een werknemersargument, mits er voldoende verantwoordelijkheid bij staat.

Centenindex als koopkrachtverlies ▶ 14:46

Eén dossier waar hij wel actief tegen is, is wat de regering nu op tafel legt: een centenindex. Een aanpassing van de automatische loonindexering naar een vlak bedrag in plaats van een procent.

“Niet vergeten: de looncomponent bestaat uit twee zaken. We hebben de index, maar de index is geen loonsverhoging. De index is een compensatie voor het koopkrachtverlies. Als men nu een centenindex invoert, dan is dat objectief koopkrachtverlies. Je kan met je loon vandaag minder kopen dan een jaar geleden.“

Het verschil is technisch, maar voor wie het percentueel doortrekt, weegt het zwaar. Een index op procentbasis stijgt mee met je loon. Een centenindex geeft iedereen evenveel cent extra, ongeacht wat je verdient. Lage lonen winnen relatief, hoge lonen verliezen relatief, maar in absolute koopkracht verliezen alle werknemers in vergelijking met de procentuele index. Voor Truyens is dat exact het probleem dat de regering aanvalt zonder dat het officieel als loonsbevriezing wordt gepresenteerd. “We krijgen het verkocht als rechtvaardig, maar de objectieve cijfers liggen er. Het is koopkrachtverlies.“

Het beeld dat met staken wordt geconnoteerd ▶ 7:58

Een hardnekkig misverstand dat Truyens overal probeert recht te zetten, gaat over het publieke beeld van vakbonden.

“Het wordt alleen maar geconnoteerd met staken. Terwijl er elke dag in ondernemingen zoveel akkoorden gesloten worden. Dat is een fout beeld.“

Hij verwijst naar Daens, de priester-vakbondsstrijder uit het einde van de negentiende eeuw, als symbool van wat de vakbeweging ooit was. Maar de tijden zijn fundamenteel veranderd. De arbeidsverhoudingen van een mijnwerker in 1900 zijn niet die van een werknemer in een softwarebedrijf in 2026. En toch hangt de beeldvorming van staking, vuist en strijd nog vast aan de vakbeweging als geheel, mede omdat de meest mediagenieke leden van de vakbond elke nieuwe maatregel met onmiddellijke afwijzing beantwoorden. Voor Truyens is dat strategische zelfdestructie. Een vakbond die elk akkoord categorisch afwijst maakt zichzelf irrelevant in de oog van werknemers die helemaal geen behoefte hebben aan dagelijks gevecht maar wel aan iemand die hun belangen in één concrete situatie kan verdedigen.

Sociale verkiezingen en de praktische vraag wie er aan tafel zit ▶ 4:38

Hoe werkt het systeem? Om de vier jaar zijn er sociale verkiezingen in elk bedrijf met meer dan vijftig werknemers. Daar verkiezen werknemers vertegenwoordigers van de drie vakbonden, die plaatsnemen in de overlegorganen van het bedrijf. ACLVB komt op voor alle werknemers, ongeacht statuut, sector of categorie. Arbeiders, bedienden, kaderleden. “Wij zijn een beetje uniek in dat opzicht. Andere centrales hebben aparte structuren voor de chemie of voor de voeding. Wij doen alle bedrijven.“

In de praktijk betekent het dat een ACLVB-onderhandelaar op één dag kan praten over een chemiebedrijf in Antwerpen, een groothandel in Hasselt, en een softwarefirma in Gent. Voor Truyens is dat geen zwakte maar een kracht. “Het maakt onze visie noodzakelijk holistischer. We kunnen niet één sectorbril hebben. We zien dwarsverbanden die anderen niet zien.“

De werkloosheidsuitkering en het politieke vizier ▶ 5:49

Eén van de specificiteiten van Belgische vakbonden is dat ze ook werkloosheidsuitkeringen uitkeren. Dat is uniek in Europa. Het verklaart mee waarom de Belgische syndicalisatiegraad zo hoog is. Wie zonder werk valt, is niet alleen administratief afhankelijk van zijn vakbond.

“Men probeert dat een stukje te kraken door het feit dat wij ook de werkloosheidsuitkeringen nog uitkeren.“

Het is een politiek discussiepunt waar Truyens aandacht voor blijft vragen. Wie het uit handen van de vakbonden haalt, breekt een institutionele basis die in 130 jaar is opgebouwd. Maar het percentage werknemers dat enkel om die reden bij ACLVB blijft, is volgens hem klein. Wie zich wil verzekeren via een vakbond, doet dat in eerste instantie voor de bredere dienstverlening, niet voor de uitbetalingsfunctie alleen.

Vakbonden 2.0: dienstverlening voorop ▶ 9:16

Wat staat er op 30 mei 2026 op stapel? Truyens noemt het zijn primeur. Een nieuwe naam, een verbrede filosofie, een dienstverleningsprofiel dat verder gaat dan de klassieke vakbondstaken.

“Wij willen ons absoluut diversifiëren van de andere organisaties. Ik ben niet tegen de andere organisaties. Maar wij staan met twee voeten in die klei.“

De agenda die hij hint, is breder. Vakbond als loopbaan-coach. Vakbond als mediator in conflicten op individueel niveau, niet alleen sectoraal. Vakbond als gids in een arbeidsmarkt waar werknemers vaker van baan veranderen, vaker als zelfstandige actief worden, vaker hybride statuten innemen. Voor Truyens is het noodzakelijk om relevant te blijven. Niet door tegen alle veranderingen in te gaan, maar door werknemers te helpen navigeren door diezelfde veranderingen.

De textielsector, de auto-industrie en het herallocatie-vraagstuk ▶ 12:02

Wat hij in zijn dagelijkse praktijk ziet, is hoe sectoren in een hoog tempo aan transformatie onderworpen worden. De textielindustrie staat onder druk. De auto-industrie verlaat het land. De staalsector worstelt met decarbonisatie. Voor de vakbond is de uitdaging niet alleen om te onderhandelen over wat er nog is, maar over wat er moet komen voor de werknemers die nu verdwijnen.

“Daar waar het minder goed gaat, oké, laten we daar gaan zoeken naar andere mogelijkheden om de omstandigheden van de mensen te verbeteren. Maar dat moet niet altijd in centen zijn. Dat kan ook bijvoorbeeld in de textielsector: laten we investeren in bijkomende opleiding.“

Het is een visie die voorbij de loonsverhoging-onderhandeling gaat. Een werknemer in textiel die in 2026 zonder competenties achterblijft voor 2030, is volgens Truyens veel slechter af dan iemand wiens vakbond een opleidingstraject heeft afgedwongen. “Als die mensen niet opgeleid worden naar bepaalde competenties om te werken in andere sectoren, dreigen ze uit de markt te vallen.“ Voor de vakbond betekent het dat de onderhandelingsruimte verbreedt. Niet alleen wat krijg ik vandaag, maar wat krijg ik morgen om relevant te blijven.

Politieke onafhankelijkheid in de praktijk ▶ 1:22

Het thema waarmee de aflevering opent, blijft als rode draad terugkomen. ACLVB heet “liberaal“ in de naam, maar Truyens herhaalt door het hele uur dat hij geen affiniteit heeft met de liberale partijen op politiek niveau.

“Het woord liberaal is daar een stukje raar in, want daar categoriseren ze ons in een hoek waar we eigenlijk niet thuis willen zijn: bij Open VLD en MR. Wij zijn een vakorganisatie die totaal politiek onafhankelijk is.“

Voor de andere twee vakbonden is dat lastiger. ACV onderhoudt nog regelmatig overleg met CD&V, Groen en Vooruit. ABVV ligt structureel in lijn met de socialistische families. ACLVB is volgens Truyens de enige vakbond zonder permanent partijdig aanspreekpunt. Voor sommige leden is dat een teleurstelling, want ze missen een politieke vertaalslag van hun belangen. Voor Truyens is het een principe waar hij niet aan gaat tornen. “Dat is sinds 1894 zo. Eind 18e eeuw mochten we niet anders. Maar we zijn er bewust altijd bij gebleven. Want het is juist als die mix tussen sociale partners en politiek niet goed afgebakend is, dat je problemen krijgt.“

Het verschil tussen polariseren en onderhandelen ▶ 8:55

Eén van de scherpere observaties die Truyens maakt over de huidige tijd, gaat over hoe het sociaal overleg in toenemende mate gespeeld wordt zoals een politiek debat.

“We zitten vandaag in een maatschappij met contradicties, of waar er altijd gepolariseerd wordt. Zowel de politiek als de media maken er altijd een wij-zij-verhaal van. En dat is het ook niet.“

Voor hem is het een diepe schade aan het overlegmodel. Wie aan tafel komt om te onderhandelen, moet bereid zijn om te luisteren, om compromissen te zoeken, om gezamenlijk verantwoordelijkheid te dragen. Wie aan tafel komt om de andere partij in een nederlaag te dwingen, breekt het systeem zelf. Hij wijst niet alleen naar zijn collega's bij ABVV. Hij wijst evenzeer naar werkgeversorganisaties die het sociaal overleg gebruiken als publieke arena om de regering tot regelgeving te dwingen. “Dat is niet alleen vakbond-fout. Dat is regering-fout, werkgever-fout, en ja, soms ook vakbond-fout.“

Slot: de vraag of een vakbond nog relevant is ▶ 8:58

Een directe vraag van de hosts: is een vakbond nog relevant in een land waar werknemersbescherming op zo veel niveaus al verankerd is in regelgeving?

“Absoluut. Voor een aantal wantoestanden die er nog zijn, absoluut. Maar anderzijds: we moeten onszelf opnieuw uitvinden, en dat doen we op 30 mei.“

Voor Truyens is de vakbeweging niet de strijdorganisatie die ze in 1894 was, en hoeft dat ook niet meer te zijn. Maar ze is ook niet weg. In een arbeidsmarkt die snel verandert, met digitalisering, automatisering, gig-economy, hybride werk, blijft een organisatie noodzakelijk die werknemers helpt navigeren. Het verschil is dat die organisatie in 2026 een andere vorm aanneemt dan in 1900. Loopbaan-coaching, juridisch advies bij ontslag, opleidingstrajecten, mediator-rol bij arbeidsconflicten, aanwezigheid in de pensioendiscussie. Vakbond 2.0 is geen marketingslogan. Het is, zegt Truyens, het enige toekomstmodel dat overleeft.

Aan tafel rond zes uur, met het glaasje rum nu helemaal gedronken, kijkt hij even buiten. De Groene Jager loopt vol voor het avondlijke event. Buiten zit een land in volle staking-debat over de pensioenhervorming, het sociaal overleg, de centenindex. Voor Truyens is het niet de eerste keer dat hij zo'n storm meebeleeft, en het zal niet de laatste zijn. Wat hij hoopt, met die voeten in de klei, is dat de vakbeweging ondanks alle polarisatie nog steeds gezien wordt als wat ze in haar essentie is. Geen luidsprekers, geen stakingsmachines, geen verlengstukken van politieke partijen. Maar mensen die elke dag onderhandelen, soms in tien bedrijven tegelijk, om voor honderdduizenden werknemers afspraken te maken die hun werkdag, hun loopbaan, en hun toekomst beter maken. Niet sexy. Wel onmisbaar.