In de Melkerij in Brasschaat heft Bart Deconinck zijn glas Discours-whisky. Hij neemt een slok, knikt goedkeurend, en plaatst meteen de toon van het gesprek. Hij was eerder al voorzitter van Beaulieu en oprichter van Vistra, een bedrijf dat hij verkocht toen het tienduizend mensen groot was geworden. Vandaag is hij executive chairman van ZEDRA, dat in zeven jaar tijd is gegroeid van 200 naar 1500 medewerkers, met klanten als de pensioenfondsen van Marks & Spencer en Vodafone, en met een omzet van 250 miljoen euro per jaar. Het bedrijf werkt in de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Zwitserland, Luxemburg en in een handvol exotische jurisdicties. Niet één enkele werknemer zit in België.

Het gesprek dat volgt, is geen frustratie-monoloog van een afhakende ondernemer. Het is een gestructureerde diagnose van iemand die het Belgische bestel jaren van binnenuit heeft proberen te beïnvloeden, en die nu vooral van buitenaf moet vaststellen wat er gebeurt. “Ja, voilà,“ zegt hij meermaals tussen twee zinnen door, alsof zijn onbehagen telkens een korte adempauze nodig heeft.

ZEDRA als spiegel: 1500 mensen administratie, geen enkele in België ▶ 1:31

ZEDRA is een international corporate services-bedrijf, een woord dat geen banden heeft met particulieren in de hoek van Limburg. Het bedrijf doet de boekhouding, de fiscale aangiftes, de vergunningen en het cross-border bookkeeping voor drie types klanten: vermogende families, corporates die in een nieuwe markt willen landen, en pensioenfondsen die hun administratie elders hebben uitbesteed.

“Wij zorgen in feite voor de rommel. De administratie, de papiertjes, dat alles in orde is.“

Vraagt een host of dergelijke dienstverlening niet bij uitstek vanuit een land als België georganiseerd zou kunnen worden, dan stelt Deconinck het anders. Vistra had wel kantoren in België in zijn tijd, en de blik was gericht op het aantrekken van buitenlandse business naar Vlaanderen. Vandaag wordt diezelfde blik elders gericht. Niet uit afkeer, maar uit nuchtere bedrijfslogica. De fiscaliteit, de regeldrift en de loonkost wegen niet meer op tegen wat omringende landen aanbieden.

De jaren waarin België een Singapore aan de Noordzee had kunnen zijn ▶ 9:13

Tussen 2000 en 2007 was er volgens Deconinck wel een momentum. Didier Reynders was minister van Financiën, en hij had een werkbare obsessie: hoe maken we België aantrekkelijker? Het Hong Kong-België belastingverdrag was een product van die periode, en Deconinck werkte op operationeel niveau mee aan de implementatie. De ondernemingen die toen de keuze maakten om in België te investeren, deden dat omdat een aantal technische verdragspunten klopten.

“België had hét prachtige Singapore aan de Noordzee kunnen zijn. Maar heeft er eigenlijk niks mee gedaan.“

De internationale financiële crisis van 2008 sloeg dat momentum stuk. Daarna kwamen jaren van fiscale aanpassingen die niet samenvielen met een coherente visie. De vennootschapsbelasting heen en weer, de definities van deelnemingsvrijstelling die niet effectief vergelijkbaar waren met buurlanden, het optellen van uitzonderingen waardoor het effectief netto-tarief volledig anders werkt dan het brutotarief. Wat Deconinck “fiscale leakages“ noemt, zijn op papier kleine technische puntjes, maar in de praktijk de redenen waarom een investeringscomité in Londen of New York “België“ doorhaalt op een shortlist.

“Italië, Spanje en Portugal trekken vermogende mensen aan met positieve fiscaliteit. De vastgoedprijzen in Milaan zijn de laatste vijf jaar verdubbeld. Bij ons blijven we steken in afgunst.“

De vergelijking met Milaan is voor Deconinck illustratief. Het is niet Cyprus of Malta, het is een west-Europese hoofdstad waar een politieke meerderheid bewust ondernemers en families heeft uitgenodigd, en die nu een tweedeordeneffect ervaart in vastgoed, in werkgelegenheid, in stedelijk dynamisme. In België ervaart men de tegenovergestelde beweging: een geleidelijke uitstroom van succesvolle ondernemers die zonder veel ophef het land verlaten.

“We hebben plus minus de duivel uitgenodigd. Iemand die graag onderneemt en vermogend is, een beetje. En heel wat succesvolle Belgische ondernemers zijn sluipend aan het vertrekken zonder grote tron.“

Crowding out en het 54-procent overheidsbeslag ▶ 14:34

Het uitgangspunt van Deconincks economische diagnose is een macro-economisch begrip dat zelden in primetime media verschijnt. Crowding out: een overheid die zoveel ruimte in een economie inneemt dat de privésector zijn ademruimte verliest.

“Het overheidsbeslag in België is 54 procent. In Wallonië boven de 65 procent. Dus alles wat in dit land gemaakt of geproduceerd wordt, voor 54 procent komt het van de overheid.“

De interventie die de overheid kiest om de gevolgen van crowding out te dempen, versterkt het probleem juist. Subsidies. Geld dat van de privésector wordt afgenomen, opnieuw via een omleiding aan een deel van de privésector wordt toegekend, en zo afhankelijkheidsrelaties bouwt. Wie subsidies ontvangt, gedraagt zich op middellange termijn anders tegenover de subsidiërende overheid.

Het probleem is volgens Deconinck niet de overheid op zich. Hij verklaart zich uitdrukkelijk voorstander van een overheid die fatsoenlijk onderwijs organiseert, straten proper houdt, veiligheid garandeert en markten reguleert tegen excessen. De diagnose is dat de overheid zich vandaag op de verkeerde dingen richt, en de juiste taken laat liggen.

Hoe Vlaamse autonomie een Vlaams waterhoofd voortbracht ▶ 15:21

Deconinck noemt zichzelf in zijn jongere jaren een Vlaams nationalist. Hij heeft mee gestreden voor Vlaamse autonomie, niet als doel op zich, maar als middel om de vrijheid van mensen te vergroten. De vaststelling vandaag is voor hem ontnuchterend.

“Ik was vroeger nogal Vlaams nationalistisch, maar om de vrijheid voor de mensen, niet om weer een waterhoofd van een overheid te creëren.“

Wat de Vlaamse regering doet met haar autonomie, valt voor hem niet uit te leggen. Hij citeert het kookrecept-debat en de eiwitshift als concrete voorbeelden. Een overheid die zich met het bord van de burger bemoeit, opereert ver buiten haar kerntaken.

“Eiwitshift, kookrecepten, laat iedereen toch in godsnaam zelf beslissen of hij een stuk vlees eet of een champignon.“

Hij plaatst de Vlaamse beweging tegen het licht van de Schotse en Catalaanse nationale bewegingen, die in Schotland en Catalonië nadrukkelijk progressief zijn. De N-VA heeft volgens hem met een rechts discours macht gegrepen, en is daarna in essentie een bestuurspartij geworden die ondernemingsvrijheid beperkt en interventie omarmt.

“Wat de N-VA heeft gedaan, is met het rechtse discours de macht grijpen om eigenlijk een overheid te implementeren die in essentie etatistisch en collectivistisch te werk gaat.“

Acht jaar voor een arbeidsgeschil in Brussel ▶ 19:12

Het concrete tegenvoorbeeld van waar de overheid wel zou moeten zitten en daarop faalt, is volgens Deconinck het justitie-apparaat. De rechtbank in Brussel kent achterstanden die in een ander land ondenkbaar zouden zijn.

“Ik ken zaken van een arbeidsgeschil dat acht jaar duurt in Brussel. Acht jaar voor het beroep behandeld kan worden. Dat is geen rechtsbedeling meer, dat is een travesty.“

Het schemaverband is voor hem helder. Hoe meer een overheid zich met dingen bezighoudt waarin ze niet thuishoort, hoe minder middelen en aandacht ze overhoudt voor de domeinen waar ze wel onmisbaar is. De inrichting van een betrouwbare rechtsstaat is voor een ondernemer geen luxe, het is een randvoorwaarde voor lange termijn investering. Wie acht jaar moet wachten op een arbeidsgeschil, draait niet meer aan de Belgische tafel.

Napoleon en de waarschuwing van een vacuüm ▶ 20:45

Deconinck is een liefhebber van geschiedenis, en hij grijpt voor een metafoor terug naar de Franse Revolutie. Hij vertelt hoe de revolutie niet uit het niets opbloeide, maar uit een politiek vacuüm dat door extremisme werd opgevuld. Wat eerder extreem was, werd snel als gematigd beschouwd, en de volgende lichting extremisten nam de plaats over. Tot een gematigde dictator in de gedaante van Napoleon orde kwam herstellen op een continent dat van zichzelf niet meer wist hoe het samenleeft.

“De reden waarom Napoleon plots aan de macht kon komen, is omdat het wel heel erg was geworden. Daar moest het eerst voor heel slecht gaan. En dat is een beetje mijn angst.“

De parallel is niet honderd procent, en hij zegt dat ook expliciet. Maar de mechanica is voor hem herkenbaar. Een politiek systeem dat structureel ontevreden burgers produceert, opent de deur voor antwoorden die het democratisch kader aantasten. De urgentie van dialoog en degelijke probleemerkenning komt voort uit de wil om dat scenario te vermijden, niet uit een naïef geloof in onze tijdsgeest.

Het Franse medialandschap dat Vlaanderen niet heeft ▶ 23:04

Deconinck heeft de afgelopen jaren veel tijd in Frankrijk doorgebracht, en hij gebruikt het Franse medialandschap als referentie. CNews aan de conservatieve kant, met een katholiek programma op zondagochtend. LCI en RMC in een centrum-pro-business positie. Een hele waaier aan linkse outlets. Iedereen heeft een eigen plek, en de echte gesprekken vinden plaats waar tegenpolen aan dezelfde tafel komen voor twee uur fatsoenlijk debat.

“Iedereen heeft zijn outlet. En zelfs op de extreem linkse zenders is het niet ongebruikelijk dat je daar een debat van twee uur hebt waar de twee polen tegenover elkaar zitten en daar fatsoenlijk over kunnen spreken.“

In Vlaanderen ziet Deconinck dat polariserend debat-formaat niet, behalve in podcastvorm. Discours zelf wordt door hem in dat kader geplaatst. De beweging waarin podcasts de rol van traditionele media gedeeltelijk overnemen, heeft Amerika al achter zich. Megyn Kelly, Joe Rogan, de All-In podcast hebben meer kijkers dan de avondnieuwsuitzendingen op het traditionele netwerk.

“Wij zijn nog een klein beetje aan het achterlopen, vooral wat oudere mensen die nog kranten lezen. Die komen toch met een bepaald beeld te zitten dat niet meer genuanceerd is over hoe de wereld in elkaar zit.“

West-Europa als cradle of new civilization ▶ 51:34

Een tweede toon die in het gesprek terugkomt, is wat hij westerse zelfhaat noemt. Het idee dat de westerse beschaving zich moet schamen voor haar verleden, en dat het collectief schuldgevoel een richtinggevend principe in maatschappelijke debatten is geworden. Deconinck is daar onomwonden tegen.

“De West-Europese cultuur heeft de grootste welvaart en vrijheid voortgebracht in de geschiedenis van de mensheid. Laten we dat dan niet kapot gaan maken.“

Hij citeert de schilders, dichters en architecten van de contrareformatie, de erfenis van Michelangelo, en de Verlichting die in Europa is geboren als markeerpunten van een culturele rijkdom waarvan we het belang vandaag onderschatten. Hij pakt vervolgens een voorbeeld dat in het publieke debat niet onaangeroerd blijft.

“De eerste die ervoor gezorgd hebben dat de slavernij is afgeschaft, zijn de Engelsen. Die hebben daardoor een zware economische crisis doorlopen. Slavernij bestond duizenden jaren. Het is Europa die heeft ingezien dat het niet goed was.“

Niet als triomfalisme, maar als nuance. De Europese rol in de mensenrechtengeschiedenis is dubbel: een van uitvinder van een onmenselijke praktijk in zijn moderne industriële vorm, en een van eerste afschaffer ervan. De ene mag de andere niet uitwissen. En een morele zelfkastijding die de eigen culturele krachtbron leegplundert, opent een vacuüm dat door iets anders, en zelden iets beters, wordt opgevuld.

Klimaatadaptatie, niet -fanatisme ▶ 56:12

Op klimaat is hij nuchter en omstreden. Hij is voorstander van het inrekenen van externe kosten in de economie, een fundament dat hij niet wil terugdraaien. Maar hij verzet zich tegen wat hij klimaatfanatisme noemt: een set beleidsmaatregelen die op vijf of tien jaar tijd Europese industrieën om zeep helpt zonder een wereldwijd evenredig effect.

“We hebben in tussentijd onze Europese auto-industrie die toch van de beste was om zeep geholpen. Vorige week was de CEO van Polestar op de podcast.“

Zijn eigen aanpak is wat hij een “verzekeringsaanpak“ noemt. Adaptatie boven mitigatie. Dijken hoger, airco's voorzien, infrastructuur klaarmaken voor weersextremen, niet de illusie wekken dat een knop bestaat waaraan we de planeet zelf kunnen draaien.

“Laten we ons niet wijsmaken dat er ergens een knop is die we kunnen omdraaien om de temperatuur van de planeet te regelen. Maar laten we ons wapenen tegen de risico's. Dat lijkt me de gezonde aanpak: adaptatie in plaats van fanatisme.“

Een host duwt terug en wijst op het voorzichtigheidsprincipe. Als de causaliteit niet helemaal helder is, kan er toch reden zijn om symptoombestrijding én oorzaakbestrijding tegelijk te doen. Deconinck aanvaardt dat principe in algemene zin, maar herinnert eraan dat de keuzes die nu zijn gemaakt, een prijs kennen die niet voldoende erkend wordt.

Politici, hypocrisie en de wetboekstest ▶ 1:00:02

Een van de paradoxen die Deconinck oprispt, is hoe politici de wet die zij zelf geschreven hebben, presenteren als iets waarvan ondernemers zich moeten verontschuldigen wanneer ze die gebruiken. Hij vertelt over een debat in Nederland uit de tijd dat hij Vistra leidde.

“Politici gingen op de bühne staan en dan moest ik gewoon mijn wetboekje opendoen en zeggen: kijk, dat is de wet waarop ik me baseer. Als die wet u niet aanstaat, verandert de wet dan.“

De achterliggende kritiek is dat een ondernemingsklimaat dwingt tot juridische voorspelbaarheid, en dat een politiek bestel waarin ministers regels hekelen die ze zelf goedgekeurd hebben, het vertrouwen ondergraaft. Het illustreert volgens Deconinck het bredere probleem van politici die activistisch tegen het systeem ageren waarvan ze zelf de bestuurders zijn.

Hij koppelt het aan het kernuitstap-dossier in België, dat in zijn ogen een schoolvoorbeeld is van besluiten waarvoor in een bedrijf iemand ontslagen zou worden. Beslissingen genomen, teruggedraaid, opnieuw genomen, opnieuw teruggedraaid, terwijl de gewone burger via zijn elektriciteitsfactuur de jojo van die beslissingen mee betaalt.

“Het was de tijdsgeest. Het was mijn partij. Maar geen enkele consequentie voor niemand. Het zijn de gewone mensen die het gelach betalen van de politieke ideologische profilering.“

Get out of the way: één boodschap aan de overheid ▶ 1:06:57

Naar het einde van het gesprek vraagt een host wat dan concreet stap één is om uit deze impasse te raken. Deconincks antwoord is kort en geconcentreerd.

“Stap één is leiderschap. Mensen die opstaan, in burgerschap, in ondernemingen, in middenveldorganisaties, in de politiek. Mensen die bereid zijn van zichzelf te verbranden voor het juiste.“

Hij ziet weinig kandidaten in de huidige Vlaamse politiek. Bart De Wever vermeldt hij als iemand die in theorie de capaciteit heeft, maar die wordt afgeremd door een coalitiestructuur en door een eigen partij die in groei ideologisch is verwaterd. Het patroon dat in vorige decennia ook met de CVP en de VLD is gebeurd, herhaalt zich.

De boodschap die hij aan de overheid wil meegeven, vat hij in een Engelse zin samen.

“Get out of the way. Laat mensen hun ding doen.“

Het komt niet uit een libertaire ideologie, het komt uit een zakelijke vaststelling. Een land dat 54 procent overheidsbeslag heeft, kan niet meer mensen activeren door nog meer regels en programma's. De mate waarin de privésector ademt, bepaalt de mate waarin de welvaart zich vermenigvuldigt en de fiscale basis breed genoeg blijft om sociale zekerheid en publieke dienstverlening te dragen.

Wat een mini-burgeroorlog van dichtbij begint ▶ 1:10:46

Het einde van het gesprek raakt aan een onderwerp waar Deconinck pas in de laatste tien minuten over begint. Het idee dat de westerse samenleving in de komende tien tot twintig jaar in een vorm van laag-intensieve burgeroorlog kan belanden, niet uit ideologische armoede, maar uit normbreuk in publieke ruimtes en in dagelijks samenleven.

“We hebben gepiekt. We zijn niet meer aan het pieken. En dat leidt niet per se tot beter en ordentelijker dialoog en verhouden tot elkaar.“

Hij wijst op de toestand van Europese hoofdsteden, en op Brussel in het bijzonder, dat hij in vergelijking met twintig jaar geleden achteruit ziet gaan. Bordeaux noemt hij in dezelfde adem. De drugscriminaliteit in Vlaanderen, het toenemen van mensen die in delen van Brussel hun woning niet meer durven verlaten na zonsondergang, het programma “Niveau 4“ op GoPlay als illustratie. Er is een directe correlatie, betoogt hij, tussen de properheid van een straat en de criminaliteit. De openbare ruimte is niet meer een gedragen norm, en als de norm wegvalt, ontwortelt het samenleven.

“Iedere grote stad in Europa is erop achteruitgegaan. Brussel is eigenlijk een drama.“

Wanneer een host de redenering in de toekomstige tijd zet, en spreekt over het scenario waarin fysieke afdwinging weer een rol kan beginnen spelen, antwoordt Deconinck zonder eufemismen. Hij hoopt dat het niet zo ver komt, maar hij wil het ook niet relativeren. De mogelijkheid bestaat, en wie er niet over wil spreken, hoeft de geschiedenisboeken niet open te slaan.

In de afronding nodigt Discours hem uit om in de tijdsgeest een paar woorden te lezen die door anderen liever niet gezegd worden. Deconinck reageert relatief licht op de eindafspraak, maar de toon van zijn betoog is duidelijk. Wat hij wil overbrengen, is dat de combinatie van hoge belastingen, regelzucht, een log apparaat en een verzwakte civil society sneller dan we denken naar een toestand kan leiden waarin een Singapore aan de Noordzee niet meer een gemiste kans is, maar een verre herinnering.