In de Melkerij in Brasschaat staat een glas Hoegaardse witbier voor Jo Brouns. De Vlaamse minister van Landbouw en Omgeving heeft de Discours-whisky voor één keer afgeslagen. “Het staat niet koud helaas,“ excuseert een host zich. “Sorry. Als ik hem zou drinken, zou hij iets frisser zijn.“ Brouns neemt de Hoegaarde aan, hijst zijn glas, en herinnert er eerst aan dat hij niet hyperkinetisch is, hij is gewoon graag wakker.

Brouns is een minister die rondreist. Parochie­zalen, sportverenigingen, demodagen rond suikerbieten en innovatie, hij doet die graag in plaats van te delegeren. Het Vlaanderen waarover hij in Brussel mee beslist, is voor hem het Vlaanderen dat hij elke avond bezoekt. De combinatie van Landbouw en Omgeving in één bevoegdheid is in de Vlaamse politiek een vaak verguisd huwelijk: twee belangenstromen die elkaar veel makkelijker dwarszitten dan complementeren. Brouns probeert het tegendeel te bewijzen, en hij heeft een diagnose op zak die hij niet onder stoelen of banken steekt.

De meeste mensen deugen ▶ 2:18

Brouns formuleert in de eerste minuten van het gesprek een uitgangspunt dat zijn hele beleid onderschrijft. De samenleving is risicoavers, regels worden geschreven naar aanleiding van het gedrag van enkele uitzonderingen, en het effect is dat de gemiddelde burger gestraft wordt voor wat een handvol andere burgers misdoen.

“De meeste mensen deugen. De meeste mensen hebben geen regels nodig of geen overregulering nodig. De realiteit is dat heel wat regels zijn ontstaan op basis van het gedrag van enkele.“

Hij illustreert het met een burgemeestersanekdote. Een woonstraat met overdreven snelheid, vaak veroorzaakt door enkele mensen die er zelf wonen, krijgt een bloembak en een snelheidsremmende infrastructuur, terwijl 95 tot 98 procent van de passanten zich gedragen. De belangrijkste effectiviteitsmaat verloopt op de meerderheid die zich al netjes gedraagt, niet op de uitzondering die de regel had uitgelokt.

“Organiseer je samenleving op de meeste mensen die deugen, en niet op degenen die zich misdragen.“

In dezelfde lijn keert hij zich tegen wat hij commercialisering van handhaving noemt. Vroeger werden contracten met privé-firma's voor flitspalen gesloten waarin de firma er belang bij had dat de gemeente de snelheidsremmende infrastructuur weghaalde, om de bonusboete-omzet te maximaliseren. Brouns ziet dat als een keiharde grens.

Een rechtszekere vergunning is de duurzame economische ondergrens ▶ 6:09

Wanneer een host vraagt wat voor de Vlaamse minister van Omgeving het belangrijkste dossier is van de huidige legislatuur, hoeft Brouns niet lang na te denken.

“Wat is de belangrijkste voorwaarde voor de duurzame economische toekomst in Vlaanderen? Een rechtszekere vergunning. Zonder meer. Dat is het beste instrument om ecologie en economie met elkaar te verbinden.“

Het is een uitspraak die in een politiek klimaat waarin “vergunning“ vaak als schamper wordt uitgesproken, een radicaler wending heeft dan ze klinkt. Brouns plaatst de vergunning niet als bureaucratische horde maar als verzoeningsinstrument: het document waarop ecologie haar voorwaarden stelt en economie haar speelveld krijgt. Wat misloopt, is niet het instrument zelf, maar de manier waarop het wordt verleend, betwist en onderbenut.

“We gaan geen ecologisch paradijs bouwen op een economisch kerkhof. We gaan onze economie nodig hebben om te verduurzamen.“

Wat een beroepscarrousel zeven jaar lang doet ▶ 6:56

De huidige procedure laat toe dat een tegenstander van een vergund project tien middelen kan gebruiken om dat project aan te vechten, en die middelen één voor één kan inzetten. Het effect is een carrousel waarin een vergunning na zeven jaar nog steeds niet definitief is.

“Vandaag is het perfect mogelijk dat een vergunning wordt verleend. Iemand gaat naar de raad voor vergunningsbetwisting met tien middelen, gebruikt er één, houdt negen tegen de borst, en zo zit je zeven jaar verder.“

Brouns wil daar een einde aan maken. Het voorstel is om partijen te dwingen alle middelen tegelijk op tafel te leggen, zodat de Raad zich in één uitspraak over het volledige dossier kan buigen. Niet omdat een buurtbeweging geen tijd verdient om bezwaren te formuleren, wel omdat een procedure die verhoudingsgewijs vier of vijf jaar in beslag neemt, de ondernemingsfundamenten van Vlaanderen ondermijnt.

In dezelfde paragraaf wijst hij erop dat de Vlaamse procedure op papier al goed werkt. Een vergunning wordt in 120 tot 180 dagen verleend, een termijn die in vergelijking met andere Europese landen ruim binnen de norm valt. De vertraging zit niet in de regelgeving, ze zit in de juridische naturlijke procedures die erop volgen. Vijf procent van de vergunningen wordt aangevochten, een cijfer dat oploopt tot 30 à 35 procent zodra het over projecten van twintig wooneenheden of meer gaat.

Een VZW die met belastinggeld procedeert tegen het Vlaams beleid ▶ 9:12

Een paradox die Brouns niet verteert, is dat verenigingen die door de Vlaamse overheid worden gesubsidieerd, datzelfde geld inzetten om Vlaamse projecten in beroep aan te vechten. Hij heeft als minister een besluit genomen om dat te beperken: subsidies aan natuurverenigingen kunnen niet worden gebruikt om procedures aan te spannen tegen welvaartsprojecten van de Vlaamse overheid. De rechtbank floot Vlaanderen op dat punt terug.

“Wij zijn op dit ogenblik in ons ongelijk gesteld door de rechtbank. Maar het sentiment dat dit niet kan, is breed gedragen.“

De argumentatie waarmee de natuurverenigingen hun procedurerecht verdedigen, vat Brouns samen in één droge zin van een advocaat.

“De boom heeft geen stem, en wij zijn de stem van de boom.“

Concreet wordt Brouns als minister vandaag gedagvaard door een vzw omdat Vlaanderen volgens die vzw onvoldoende inspanningen doet voor de bescherming van de wolf. Het besluit blijft staan in afwachting van een hoger beroep, en Brouns is daar niet van plan in zijn schoenen te leggen.

Stikstof, een natuurgebied dat later kwam, en een computermodel met 70 procent foutmarge ▶ 13:50

Het stikstofdossier zit in het hart van de Vlaamse vergunningsproblematiek, en Brouns ontleedt het als een minister die het wel rechtstreeks moet uitleggen.

Het bedrijf, neem een willekeurig landbouwbedrijf, lag historisch op zijn plaats veel langer dan het moment waarop Vlaanderen die natuur extra beschermd heeft. En we worden vandaag gevraagd om op basis van een computermodel met een foutmarge van 70 procent tot 20 kilometer ver verantwoordelijk gesteld te worden voor depositie op natuur.“

Wat hem stoort is niet de bescherming op zich, het is de causale stretch. Een landbouwer die een mestkar leegt, kan binnen zijn eigen bedrijfsmuren controleerbaar maatregelen nemen. Een computermodel dat zijn impact tot twintig kilometer verderop modelleert met een foutmarge van zeventig procent, en op basis daarvan zijn vergunning weigert, snijdt voor Brouns naar de wetenschappelijke geloofwaardigheid van de hele oefening.

Hij plaatst het tegen het bredere INEOS-dossier in de Antwerpse haven. Het Project One had een uitstoot van 150 gram extra dan wat het Nederlandse natuurgebied volgens het model kon dragen, en ecologen en biologen hebben aangetoond dat dat geen achteruitgang veroorzaakt. De finale uitspraak ligt nu bij het Grondwettelijk Hof.

“Het is onze collectieve verantwoordelijkheid om die natuur te herstellen. Maar dat een individueel bedrijf op basis van een onzekere model zijn vergunning verliest voor een depositie op twintig kilometer afstand, gaat te ver.“

De blauwe reiger en de positieve cijfers die in het debat geen plaats krijgen ▶ 16:53

Brouns wijst op een tegen­geluid dat in het Vlaamse milieudebat moeilijk doordringt. Niet alle natuurindicatoren staan in het rood, en sommige verbeteren significant. De blauwe reiger, ooit zo zeldzaam dat hij in elke museumkast als opgezet exemplaar verscheen, vinden we vandaag in elke Vlaamse waterloop terug. Dat is geen toeval.

“Toen ik klein was, stond de blauwe reiger op de zolder van mijn grootvader, opgezet. Vandaag staan ze massaal in de waterlopen. Dat wil zeggen dat er vis zit, en dat is het teken dat het ecosysteem hersteld is.“

In het gesprek refereert hij aan een ecoloog die in een vorige Discours-aflevering te gast was, die met een vergelijkbaar perspectief wees op de tendens dat we onze natuurvooruitgang systematisch onderwaarderen. Brouns is niet wegkijkend van de uitdagingen, want de waterkwaliteit is op veel plaatsen een probleem en een aantal habitatrichtlijn-soorten doen het slecht. Maar hij vraagt expliciet om in het politiek debat ook ruimte te maken voor positieve evolutie.

“Geen enkel werelddeel doet meer inspanningen voor klimaat en natuur dan Europa. By far het beste in heel de wereld.“

Vrijgesteld van vergunning: dakwerk, draagmuren en zelfs snoeien ▶ 20:39

De concrete vereenvoudigingen die Brouns op zijn beleidstafel heeft gerealiseerd, zijn het soort hervormingen die in een persbericht zelden de eerste paragraaf halen, maar die op niveau van de individuele burger het verschil maken tussen wel of niet beginnen.

“Een raam vervangen in uw dak: niet meer vergunningsplichtig. Uw dak vervangen: niet meer vergunningsplichtig. Zelfs draagmuren uithalen: niet meer vergunningsplichtig. Wel verplicht met architecten werken. Doet je dat niet, op eigen risico.“

De redenering is dat de overheid vertrouwen geeft aan haar burgers en hen verantwoordelijk maakt voor hun eigen risico. Wie zonder architect een draagmuur uithaalt en eronder doorzakt, kan dat zichzelf aanrekenen. Wie wel met architect werkt, mag zonder vergunning bouwen.

In dezelfde geest werd de vergunning­plicht voor het snoeien van bedrijfsbomen opgeheven. Iets wat in een normaal bestuur niet eens hoeft besproken te worden, maar wat in de Vlaamse vergunningenstaat een symbolische versimpeling betekende.

“Een wet om eigen haag te snoeien. Bij deze: vereenvoudigd, niet meer nodig.“

Open water zwemmen en het Vlaamse koudwatervrees ▶ 22:10

Een dossier waar Brouns persoonlijk warm voor loopt is het open water zwemmen. Vlaanderen heeft een uitgebreid vijver-, kanaal- en rivierenstelsel, en zwemmen daarin is om historische redenen vrijwel volledig gereguleerd. Een host plaatst de vergelijking met IJsland, waar zelfs op gevaarlijke locaties simpel een touwtje hangt met “op eigen risico“ en het overige aan de zwemmer wordt overgelaten.

Brouns wil het principe omdraaien. In plaats van een verbod tenzij toegestaan, een toelating tenzij verboden, naar Nederlands model.

“We willen vrije zwemzones afbakenen voor het seizoen van begin april tot eind september, waar je zonder toezicht dag en nacht kan zwemmen. Wij als overheid controleren de waterkwaliteit, en je moet een risicoanalyse maken naar de in- en uitgang.“

Het Vlaamse koudwatervrees is volgens hem het structurele obstakel. Lokaal bestuur heeft schrik dat een ongeval, hoe atypisch ook, de bestuurder of de gemeente in een procedure kan brengen. Eén ongeval per zoveel jaren, hoe tragisch ook, leidt tot een collectief signaal dat de hele praktijk onveilig maakt en dus afgeschaft moet worden.

“Ieder jaar zijn er kinderen die helaas sterven in een zwembad. Maar dat is geen reden om zwembaden te verbieden.“

Vlaanderen, het land met dertig procent ruimtebeslag ▶ 37:31

Een cijfer dat in het Vlaamse omgevingsbeleid centraal staat, maar in het publieke debat zelden wordt geciteerd, brengt Brouns met droge nadruk op tafel. Vlaanderen heeft een ruimtebeslag van ongeveer 30 procent, een percentage dat voor een Europees gebied uitzonderlijk hoog is.

“Eén op drie van de ruimte hier is ingenomen. Geen enkel land in Europa heeft een zo groot ruimtebeslag als Vlaanderen. Andere landen zitten op tien procent, soms vijf.“

De combinatie van een hoog ruimtebeslag, een hoge bevolkingsdichtheid en een historisch gegroeid lintbebouwingspatroon, maakt dat het Vlaamse landschap voor de minister van Omgeving een ruimtelijke gedrocht is. Een van de praktische gevolgen is dat 200.000 woningen vandaag nog niet zijn aangesloten op de riolering, vaak omdat ze in afgelegen uithoeken liggen.

Het cijfer is voor Brouns het rode licht. Niet meer versnipperen, niet meer verharden, en kritisch beslissen waar nog gebouwd mag worden.

Wat we moeten doen om 450.000 nieuwe woningen tegen 2050 te bouwen ▶ 38:17

De woningvraag voor de komende decennia is niet de Vlaamse uitvinding, het is een rekenmodel: tegen 2050 moeten er 450.000 nieuwe woningen worden vergund en gebouwd. De vraag is alleen hoe je dat doet zonder de open ruimte verder te eroderen.

“We hebben tot nu toe gewerkt met 15 woningen per hectare, het klassieke Vlaamse beeld van huisje, tuintje, open ruimte. Die tijd komt achter ons te liggen.“

Brouns rekent voor wat dichter bouwen oplevert. Met 30 woningen per hectare, een verdubbeling van de bestaande dichtheid, is er binnen het al verharde gedeelte ruimte voor 600.000 woningen, ruim meer dan de noodzakelijke 450.000. Dichtheid wordt zo niet langer een ideologische voorkeur, het wordt een geometrische noodzaak.

Dat het zo'n verschuiving voedt voor culturele weerstand, ontgaat hem niet. De Vlaamse hechting aan eigendom, aan een eigen tuin, aan ruimte rondom de woning, is volgens hem een waarde die hij koestert.

“Ik vind het een goede waarde dat we eigendom hebben, zolang we een democratie blijven.“

Tegelijk wijst hij op het Nederlandse alternatief, waar woon­coöperaties een veel groter aandeel van de huurmarkt vormen, en waar mensen met inkomens die in Vlaanderen al ver boven de sociale-woninggrens uitkomen, gewoon huren. De Vlaamse cultuur van eigendom is in die zin ook een cultuur van financiële last, met een woning die generaties bijdraagt aan kadastraal inkomen.

Het verschil tussen wantrouwen en de overheid die zich indekt ▶ 58:15

Aan de meta-laag van het hele gesprek raakt Brouns op het einde. De Vlaamse samenleving zit in wat hij een vicieuze cirkel van wantrouwen noemt. Burgers wantrouwen elkaar, en spreken via tussenkomst van de overheid. De overheid moet daarom alles indekken, en bouwt een ambtenarij op die niets meer mag dan regels naar de letter toepassen, omdat ze anders zelf aansprakelijk wordt.

“We zijn in een vicieuze cirkel waarin meer regels de norm zijn. Ik hoop dat we daar nu tegen vechten.“

De parallel met de overgejuridiseerde samenleving die andere Discours-gasten ook al hadden geschetst, neemt hij over. Voor Brouns is de oplossing niet juridisch, ze is sociologisch. Wat hij elke avond probeert in parochiezalen, op kinderverenigingen en op bedrijfsbezoeken, is mensen weer in echt contact brengen, en zijn eigen kwetsbaarheid als politicus tonen. Hij refereert in dezelfde adem aan psychiater Dirk De Wachter, met wiens diagnose van vereenzaming en betekenisverlies hij volkomen kan instemmen.

“Met een klik ben je geconnecteerd met heel de wereld, maar dat is geen echt contact. Een politicus van vlees en bloed, je kwetsbaar durven opstellen, ja, daar geloof ik wel in.“

De drempel die de buurt zelf vraagt ▶ 1:00:33

In de afronding plaatst een host Brouns voor een filosofische omkering van het hele bevoegdheids­vraagstuk. Kunnen ruimtelijke ingrepen vandaag eigenlijk nog van bovenaf worden ontworpen, of moet de bewoner zelf het ontwerp leveren?

Brouns kiest het tweede.

“Als wij hier iets uittekenen voor in een wijk, in een straat, geen kans. Als de buurt zelf bij ons aanklopt en zegt: we willen het zo of zo, dan nemen ze ook de borstel om de volgende keer dat plintje te keren.“

Het verschil tussen ingrepen die werken en ingrepen die alleen op papier staan, zit volgens hem in dat fundamentele aspect: betrokkenheid. Een drempel die door de buurt zelf is aangevraagd, wordt onderhouden. Een drempel die door een ambtenaar is uitgetekend, wordt vandalisme. Het is een redenering die hij zelf als anti-particratisch beschrijft, en die de hosts met enig commentaar trachten te ondervragen.

“Welkom in het anti-particratisch geloof.“

Brouns lacht en preciseert zijn positie. Hij is geen voorstander van referenda, niet omdat hij een te slecht beeld heeft van zijn medemens, wel omdat hij gelooft dat beleid niet via meerderheidsstemming over alle dossiers tot een coherent geheel komt. Wat hij wel verdedigt, is de verschuiving van besluitvormingsmacht naar de gemeenschappen die er rechtstreeks door geraakt worden, met de politiek als knopendoorhakker. Ultiem moet er een keuze gemaakt worden, ook tegen lokale weerstand in, maar de richting moet niet vanuit Brussel naar de buurt komen, ze moet vanuit de buurt naar Brussel gaan.

Het is in deze sluitschets dat Brouns zijn diepste overtuiging plaatst, kort en zonder omhaal.

“Beleid voer je samen, of je voert het niet.“