In de Melkerij in Brasschaat schenkt Antoon Vandevelde water in zijn glas, een korte glimlach naar de hosts terwijl ze hun whisky inschenken. “U zal het met het water doen dan.“ De filosoof en econoom van de KU Leuven heeft de chinkje genegeerd, maar niet de uitnodiging om over moraal en welvaart te praten. Op de stoel waar tot voor kort een minister of een CEO zat, neemt vandaag een man plaats die al meer dan vijftig jaar de twee uitersten van het Vlaamse intellectuele leven probeert te verzoenen: de economische wetenschap en de wijsbegeerte.

Vandevelde corrigeert meteen wie hem als emeritus aanduidt. “Dat woord mag niemand nog gebruiken.“ Hij is geboren in een tijd waarin een achttienjarige nog uit te leggen had dat hij filosofie wou studeren zonder priester te willen worden. Hij koos voor economie aan de universiteit, en deed er stilletjes een aantal filosofie-vakken bij, eerst in tweede zit. Het werd een dubbele lijn: doctoraat in de filosofie over de filosofie van de economie, een carrière van vijfendertig à veertigduizend studenten, en een levenslange poging om de twee disciplines wederzijds te bemensen.

Wat een 18-jarige in 1970 over de maatschappij wou begrijpen ▶ 1:31

Het was de nadagen van mei '68. “Alles werd in vraag gesteld. Hoe functioneert de maatschappij?“ Vandevelde vermoedde dat de meest grondige toegang tot dat raadsel niet via de sociale wetenschappen liep, maar via de economie.

“Toen ik 18 jaar was, kon ik moeilijk aan mijn vader zeggen dat ik filosofie wou studeren maar geen priester worden. Dus ik dacht: ik kan de maatschappij misschien het meest grondig bestuderen vanuit economische wetenschap.“

De keuze pakte goed uit, ook al gaf hij later toe dat hij de sociale wetenschappen onderschatte. Het was zijn doctoraat, over filosofie van de economie, dat de twee dolfijnen leerde zwemmen in dezelfde zee. Aan economen gaf hij filosofie, aan filosofen economie. Beide groepen waren a priori sceptisch.

“De economen denken: filosofie, dat is alleen maar gezwets in het ledige, dat is vaag. De filosofen denken: economie, dat is alleen maar over eigenbelang.“

Vandevelde reageerde op beide met dezelfde wending. Aan economen legde hij uit dat mensen niet zo geïnteresseerd zijn in eigenbelang als de homo economicus zou willen, want anders zouden ze veel minder oorlog voeren. Aan filosofen legde hij uit dat economie wel degelijk over menselijke waarden gaat, niet alleen over efficiëntie.

Waarom handel meer is dan eigenbelang ▶ 3:51

Het neoklassieke model schrijft dat ruilhandel uit eigenbelang voortkomt. Vandevelde keert dat om. Wie als handelaar potentiële klanten probeert te overtuigen, vertrekt vanuit een wederzijds belang.

“Het is niet zozeer het eigenbelang dat de ruil drijft, maar wel het wederzijdse belang. Niemand is daar helemaal dupe van. Je weet wel dat de persoon die zich aanklopt bij jou en zegt 'ik wil iets voor je doen', daar zelf belang bij heeft. Maar het is het wederzijdse belang.“

Achter deze formulering schuilt een mentaliteit. Wie verkoopt, probeert iets goeds voor de ander te doen. Dat dwingt tot een minimum aan respect voor wat de ander wil, voor de prijs die hij kan betalen, voor de kwaliteit die hij verwacht. Vandevelde noemt dat de “beschavende werking“ van economische transacties.

“Als mensen echt in hun eigenbelang geïnteresseerd zouden zijn, dan zouden ze gewoon heel wat minder oorlog voeren. Want oorlog is een situatie waarbij beide partijen verliezen.“

Maar dat geldt niet altijd. Wie zich onrechtvaardig behandeld voelt, komt verschrikkelijk hard uit de hoek. “Mensen kunnen zichzelf pijn doen om de ander pijn te doen.“ De economische rationaliteit is een laagje boven een diepere emotionele structuur, en het laagje barst onder druk.

Montesquieu en de tweede wereldoorlog die handelsorde werd ▶ 7:41

Vandevelde verwijst naar Montesquieu, die in de achttiende eeuw schreef dat handel zeden verzacht. “Le doux commerce.“ Het idee is dat economische verstrengeling tussen volkeren oorlog onaantrekkelijk maakt, omdat handelsschade de partij zelf treft. De negentiende eeuw weerlegde die theorie ruw: het was de eeuw van het kolonialisme, en rond 1915 schreef Lenin dat het imperialisme het hoogste stadium van het kapitalisme was.

“En hij had gelijk. Dat was in die tijd zeker zo. Maar na de Tweede Wereldoorlog is de opbouw van Europa geweest van: we hebben nu duizend jaar oorlog gevoerd. Nu gaan we, in plaats van oorlog te voeren, handel drijven.“

Binnen Europa is dat behoorlijk goed gelukt. Op het continent waar in een millennium meer veldslagen werden uitgevochten dan op enig ander stuk aarde, ontstond een economische ruimte waarin openlijk geweld is verdwenen. Maar Vandevelde voegt er meteen een nuance aan toe die in geen enkel feestrede over zeventig jaar Europese vrede past.

“Europa is nog altijd gebaseerd op geweld, maar het is niet meer dat brutale geweld. Het is naar de marges verdreven. Het zijn de mensen die verdrinken op de Middellandse Zee.“

Wat als ethische vooruitgang oogt, is voor een filosoof ook een verfijning van methodes: economische sancties, handelsbarrières, distributiekosten die alleen voor sommigen onbetaalbaar worden. Het lijkt hoogstaander dan een geweer, maar de gevolgen kunnen vergelijkbaar zijn.

De terugkeer van brutaliteit en het einde van de stijl-als-exportproduct ▶ 10:47

Voor Vandevelde markeert de oorlog in Oekraïne een kantelpunt. Wat Poetin in gang heeft gezet, voelt voor hem aan als een remake van de Eerste Wereldoorlog: loopgraven, verschrikkelijke aantallen doden, een vorm van conflict die we naar de geschiedenisboeken hadden verwezen.

“Je krijgt de triomf van de brutaliteit. En waar ik daarvoor beschreven heb hoe economie de zeden kan verzachten, hoe we oorlog kunnen vervangen door handel, met Rusland hebben we dat ook geprobeerd. Het is mislukt.“

Een host plaatst er een redenering naast: Europa heeft te lang aangenomen dat haar stijl, haar manier van besturen via dialoog en compromis, vanzelf een exportproduct zou worden. Dat blijkt nu niet te kloppen. Wie de wereld bekijkt, ziet dat brutaliteit terug rendabel is geworden, en dat een continent dat alleen op overtuiging vertrouwt, kwetsbaar wordt.

Vandevelde nuanceert. “Wij kunnen niet in Europa zeggen dat we onze hele buitenlandse veiligheid gaan uitbesteden aan de Verenigde Staten. Bovendien moeten die er ook voor betalen. Dus dat is op termijn niet houdbaar.“ Maar hij waarschuwt ook tegen overcorrectie. Hij zat enkele maanden geleden in een internetpanel met asset managers die zich afvroegen of investeringen in defensie ook onder duurzame investeringen mogen worden gerangschikt.

“Er kunnen goede redenen zijn om meer te investeren in defensie, maar we gaan dat nu toch niet sustainable noemen, niet duurzaam noemen, vernietigingswapens. Je ziet wat het doet in Gaza. Je ziet wat het doet in Oekraïne.“

Voor de econoom is het multiplicator-effect van defensie-uitgaven bovendien gering vergeleken met investeringen in duurzame energie. Wapens worden voor een groot deel ingevoerd, ofwel uit de Verenigde Staten ofwel uit Israël. Het geld vloeit weg, het effect blijft gemarginaliseerd.

Een welvaartstaat die volgens de profs van 1970 niet kon bestaan ▶ 34:34

Een persoonlijk geheugen van Vandevelde gaat over zijn eigen studiejaren. Toen hij in 1970 economie begon te studeren, legden zijn professoren in de economische faculteit uit dat de welvaartstaat zoals die in Europa en in België bestond, niet duurzaam was. De internationale concurrentie zou hem afslijten.

“So far so right, dat was wat ze zegden. Maar uiteindelijk, tientallen jaren later, zie je dat die Europese welvaartstaat nog altijd bestaat.“

Het Scandinavische model heeft volgens Vandevelde bewezen dat hoge competitiviteit en sterke herverdeling samen kunnen gaan. Een host plaatst er een opmerking bij: Scandinavische analisten zelf zeggen dat hun succes niet aan een specifiek model ligt maar aan een culturele werkdiscipline. “Pas elk model toe op Zweden en wij zullen er wel een goed model van maken.“ Vandevelde glimlacht. Het verandert niet wat hij wil zeggen.

“Wat is het percentage van het bruto nationaal product dat wij spenderen aan vormen van solidariteit? Dat is niet verminderd. Dat is integendeel vermeerderd.“

Wie zegt dat de welvaartstaat afkalft, miskent de cijfers. Wat wel veranderd is, zijn de ratio's en het tempo waarin we keuzes maken. Een host vergelijkt: in de Verenigde Staten betaalde een correspondent van De Standaard 300 dollar voor een huisartsenbezoek. Vandevelde betaalt in België ongeveer 4 euro.

“Ik denk dat de meeste mensen ons maatschappijmodel prefereren boven het Amerikaanse. Dat is puur kapitalisme.“

Karl Popper en de piecemeal social engineering ▶ 21:27

Een tweede ankerpunt in Vandevelde's denken is Karl Popper. In zijn jonge jaren waren al zijn medestudenten “bekoord door extreem links“ en het idee van de grote revolutie die alles zou veranderen. Vandevelde zelf ook. Maar al na enkele jaren herzag hij die overtuiging. Popper had volgens hem gelijk dat sociale verandering veel beter werkt via piecemeal social engineering, het stuk-voor-stuk-aanpassen van de maatschappij.

“Piecemeal social engineering geeft veel meer respect voor mensen en voor opinies van mensen. Je gaat vooruit door het elimineren van het slechtste, niet door het realiseren van het beste.“

Hij geeft ook de positieve formulering. “Een zeker utopisme mag er zijn, in de zin van een niet tevreden zijn met wat bestaat en altijd toch die idee hebben dat we wat bestaat kunnen verbeteren.“ De rechtvaardigheidstheorie waaraan hij heeft meegewerkt, vat hij praktisch samen. Onrechtvaardigheid hoeft niet ingewikkeld te worden gedefinieerd. Wie ziet dat huizen van Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever worden geplet door bulldozers van kolonisten, hoeft geen grote theorie om te zien dat het onrechtvaardig is.

“Voor sommige onrechtvaardigheden heb je geen grote theorie nodig. Voor andere, zoals het verdelen van schaarse middelen voor gezondheidszorg, heb je wel meer theorie nodig.“

Selectieve verontwaardiging tussen Oekraïne en Gaza ▶ 25:19

Wanneer een host wijst op het probleem van selectieve verontwaardiging, antwoordt Vandevelde voorzichtig. Hongersnoden in Afrika krijgen veel minder media-aandacht dan een geconcentreerd conflict, ook al zijn de slachtofferaantallen vaak hoger.

“Onze verontwaardiging is voor een deel selectief. Het meest selectieve op het ogenblik is de verontwaardiging over Oekraïne in vergelijking met de verontwaardiging over het lot van de Palestijnen.“

De vergelijking met Afrika gaat over een andere as. Daar gaat het niet meer in de eerste plaats over kolonialisme, maar over een nieuwe vorm van extractie door Chinese, Canadese en Australische bedrijven. Trump wil daar Amerikaanse bedrijven bij. De Europese houding van de afgelopen twintig à dertig jaar, “we willen handel drijven, maar dan moet je je instituties op orde zetten en mensenrechten respecteren“, verschilde fundamenteel van de Chinese, die zegt: “Ja, maar we houden ons daar niet mee bezig. Wij komen handel drijven. Of je je eigen mensen vermoordt of niet, daar trekken we ons niets van aan.“

Vandevelde plaatst de Europese houding daar nadrukkelijk boven, niet als zelfverheerlijking maar als vergelijkende vaststelling. Maar de hele kwestie van wie wel of niet wordt opgevangen, leidt tot wat hij existentieel filosofisch noemt.

“Het feit dat ik hier ben, betekent dat er hier niemand anders op deze stoel zit. Het feit dat wij met zeven, acht miljard mensen op de wereld zijn, betekent dat dieren uitsterven. Dat is een existentieel filosofisch probleem.“

Een host duwt door op een concreet voorbeeld: een Belgische gemeente die overwoog 250 Palestijnen op te vangen, terwijl er ook 250 daklozen op haar grondgebied wonen. Vandevelde geeft het kader.

“Het zal altijd een druppel zijn op die hete plaat. Maar dat wil niet zeggen dat je die druppel niet moet doen.“

Het geweld van geld en de speculatieve economie ▶ 39:57

Vandevelde heeft een boek geschreven met de titel “Het geweld van geld“. Daarin stelt hij dat de wereldeconomie is opgebouwd op massale schuldcumulatie. Regeringen kunnen alleen worden gevormd als ze geld mogen uitgeven. Het Brusselse vacuüm is daarvan een actueel voorbeeld: er kan geen regering worden gevormd “omdat ze geen geld mogen uitgeven, omdat ze moeten besparen.“

Een gerelateerd probleem is wat hij speculatieve economie noemt. De prijs van landbouwgrond heeft niets meer te maken met wat een boer kan winnen door er gewassen op te telen.

“Dat heeft te maken met mensen die zeggen: we gaan ons geld niet alleen op de beurs investeren, we gaan het ook investeren in vastgoed, in grond. Een groot deel van de economie is speculatief geworden. En als de economie speculatief wordt, krijg je ups en downs. Je riskeert een breakdown.“

De referentie naar Allende, de in Chili omvergeworpen president, is voor Vandevelde geen relativering van het socialistische ideaal maar een herinnering aan wat economische realiteit doet. Hyperinflatie van honderden procent, een handelsbalans uit het lood, een begroting in vrijval. Daar moet elke maatschappij, links of rechts, rekening mee houden.

“Voor mij heeft dat tot effect gehad dat ik vond: er is een soort economische beperking aan het moraliseren van de wereld. Elke maatschappij moet ergens de rekeningen kloppend krijgen.“

Kortzichtige moraliteit kan ten koste gaan van duurzame moraliteit ▶ 38:25

In een passage waar zowel host als gast even zoeken naar de juiste woorden, formuleert Vandevelde een gedachte die in zijn werk vaak terugkeert. Bedrijven kijken tot de volgende kwartaalpublicatie. Politici tot de volgende opiniepeiling. Ethische doelstellingen daarentegen werken op lange termijn.

“Ethische objectieven zijn lange termijn. De ethiek komt in de verdrukking precies door die korte termijn-horizon.“

Een host vat het samen in een formulering die hij zelf testend brengt: kortzichtige moraliteit kan leiden tot een gebrek aan duurzame moraliteit. Wij willen morgen al alles redden, maar zo zorgen we niet dat we over twintig jaar nog iets te redden hebben. Vandevelde beaamt dat. Het probleem is concreet. Wie energie duurder maakt om duurzaamheid te bevorderen, treft de armsten. De politieke reflex is dan om de armsten te compenseren. Maar daarmee verdwijnt de prijssignaal die het hele duurzaamheidsproject moest dragen.

“Je moet doorpakken. Mensen moeten zich aanpassen. Je moet een sociaal beleid voeren, maar je kan niet zeggen: we gaan het duurzaamheidsprobleem pas aanpakken als we een perfect rechtvaardige maatschappij hebben.“

Stefan Goethaert, Colruyt en de schaal die alles verandert ▶ 40:44

Om de discussie over markt en moraal te concretiseren, verwijst een host naar een eerdere Discours-aflevering, drie weken geleden, met Stefan Goethaert, CEO van Colruyt. “Duurzaamheid zat er echt wel zwaarder op de voorgrond dan je misschien zelf zou denken.“

Vandevelde reageert niet aanvallend. Colruyt is volgens hem onder de grote warenhuizen “één van de beste“. Maar hij plaatst de schaal als kernparameter.

“Een bedrijf van elf miljard, dan ga je natuurlijk wel een klein beetje marktverstorend zijn ten aanzien van een individu. Maar één van de problemen met de markteconomie is: een zuivere markteconomie, hoe zuiverder die markt is, hoe meer hij voor de consument zorgt, voor de laagste prijs.“

Lage prijzen voor consumenten betekenen druk op producenten. Globalisering heeft die druk in extreme vormen gegoten: sweatshops in Vietnam, China, Indonesië. De technische oplossing die Vandevelde naar voor schuift, is dat transportkosten de werkelijke ecologische kost moeten weerspiegelen. Dat zou de prijs van import-uit-veraf verhogen en lokale circuits ademruimte geven. Het probleem is dat dergelijke regulering een wereldlijke autoriteit veronderstelt die niet bestaat.

Stemmen met je euro versus regulering ▶ 46:07

Een host introduceert een idee dat hij in eerdere podcasts ook al verdedigde. Consumenten kunnen stemmen met hun euro's. Wie een product weigert te kopen, oefent macht uit. Het Shell-boorplatform-verhaal, waar Shell een platform in de oceaan wou laten zinken en consumenten boycotten dat afdwongen, illustreert het.

“Consumentenactie is heel efficiënt. Maar er is een probleem: die consumenten moeten allemaal dezelfde richting uitgaan. En aangezien je die moeilijk allemaal op dezelfde lijn krijgt, is dit een argument voor regulering.“

Vandevelde voegt er een filosofische laag aan toe. Mensen hebben niet één enkele preferentieordening.

“We hebben een preferentieordening die we in de supermarkt tonen door onze aankopen. Maar daarnaast hebben we ook een preferentieordening waarbij we zeggen: ik koop hier allerlei dingen die ik eigenlijk niet wil dat ze worden aangeboden.“

Onze preferentie met betrekking tot beleid is dus dikwijls een andere dan die we in onze feitelijke aankopen demonstreren. Voor Vandevelde is dat een argument voor regulering. We kunnen onszelf niet altijd vertrouwen op het moment van aankoop, omdat de korte-termijn-impuls het wint van de lange-termijn-overtuiging. Een regulering kan de tweede preferentieordening in beleid vertalen. Een host plaatst er een correctie bij: als mensen extreem incoherent zijn tussen wat ze claimen en wat ze doen, moeten we hen dan wel volgen? Vandevelde laat het hangen.

“We zijn allemaal incoherent in zekere mate.“

Wat een filosoof aan een econoom toevoegt, en omgekeerd ▶ 30:45

Halverwege het gesprek formuleert Vandevelde een methodologische vergelijking die op het eerste gezicht klein lijkt maar veel verklaart. Filosofen hebben de neiging om alle problemen op één hoop te gooien. Het resultaat is verlamming. Economen daarentegen pakken één probleem aan, dan een ander, met een apart budget per probleem.

“Die analytische aanpak in plaats van die holistische aanpak, dat onderscheidt ook wat filosofen onderscheidt van economen. Om een probleem werkbaar te maken, moet je het wel durven slicen in werkbare stukken.“

Een host vat het samen als de vraag waar je de lijn trekt. Welke problemen pak je aan, ten koste van welke andere? En wanneer komt de duurzaamheid van Europa zelf in het gedrang door te veel problemen op één keer aan te pakken?

“Dat is een beetje wat ik nu bedoel met duurzaamheid. Niet zozeer het klimaat. Wel: kan Europa blijven bestaan om de problemen van de toekomst aan te pakken?“

Het is een Europese versie van het Sun Tzu-citaat dat eerder in het gesprek viel: better to be a warrior in a garden than a gardener in a war. Een Europa dat al zijn moraliteit nu al investeert in zaken waarop het zelf niet langer kan wegen, riskeert daarmee zijn vermogen om in een toekomstige crisis nog moreel relevant te zijn.

In de afronding zegt Vandevelde iets simpels. “Het is goed om te weten dat we niet alle problemen kunnen oplossen. Maar dat we toch niet niets moeten doen.“ De zin klinkt ouder dan zijn 75 jaar. Hij hoort bij de generatie die in 1970 vertrok met de overtuiging dat de welvaartstaat zou verdwijnen, en die vijftig jaar later moet vaststellen dat hij niet alleen overleefde maar zelfs verbreedde. Niet omdat de pessimisten ongelijk hadden, wel omdat de incrementele aanpassingen, de piecemeal aanpassingen, hun werk doen.

Zoals Karl Popper het zei en Vandevelde het herhaalt: we gaan vooruit door het slechtste te elimineren, niet door het beste te realiseren. Dat is een filosofie die in een tijd van triomfalistische brutaliteit niet glamoureus oogt, maar wel duurzaam blijkt.