In de Melkerij in Brasschaat staat een glas Discours-whisky voor Ben Weyts. De Vlaamse vice-minister-president neemt voorzichtig een slok en geeft eerlijk toe dat het zoete karakter hem niet meteen aanstaat. “Die is mij toch wel mieren zoet en geparfumeerd, ik ga nog wel, maar ik ben zo cognac, een heel pure drinker.“ Een opmerking die hij meteen relativeert: hoe meer je drinkt, hoe beter het wordt. Het is een kenmerkend Weyts-moment, een minister die niet bang is om iets te zeggen wat niet diplomatiek is, maar het meteen ook een zelfrelativerende draai geeft.

Weyts heeft als minister een ongebruikelijk brede portefeuille: Begroting en Financiën, Onroerend Erfgoed, Dierenwelzijn en de Vlaamse Rand. Daarbovenop is hij vice-minister-president van de Vlaamse regering Diependaele. Het is bij die laatste portefeuille, de Vlaamse Rand, dat het gesprek begint. Want de Vlaamse Rand is voor Weyts geen abstract dossier. Hij is daar geboren en getogen, en hij geeft toe dat de regio hem mee tot flamingant heeft gevormd.

31 gemeenten met de hoogste migratiedruk van Vlaanderen ▶ 0:47

De Vlaamse Rand bestaat uit 31 gemeenten rondom Brussel die volgens Weyts kampen met een specifieke combinatie van uitdagingen. “Nergens is de migratiedruk hoger dan in de Vlaamse Rand.“ Dat geldt zowel voor interne migratie als voor externe migratie.

“Heel veel mensen die bij ons komen wonen en heel veel mensen die ook vertrekken. Het is onze bedoeling om diegenen van vreemde afkomst, of gewoon Franstaligen, of anderstaligen, maximaal te integreren. Onder te dompelen in een warm integratiebad. Alleen is het probleem dat we niet genoeg water meer in dat bad hebben staan.“

Het beeld van een verdunde ontvangende autochtone gemeenschap is voor Weyts geen retoriek. Het is een vaststelling. De combinatie van vervreemdingsdruk en sociale verdringing zet het sociaal weefsel onder druk, en die druk wordt op straatniveau zichtbaar wanneer in een straat geen één gemeenschappelijke taal meer wordt gesproken.

Een grondperceel van 240.000 euro voor je twee stenen op elkaar legt ▶ 2:18

Het meest zichtbare effect van die druk is volgens Weyts de woonprijs. De afgelopen twintig jaar zijn de grond- en woonprijzen in de Vlaamse Rand sneller gestegen dan waar dan ook in Vlaanderen.

“Bij mij in de straat een stukje bouwgrond, vijf aren, 240.000 euro. En dan hebben we nog geen twee stenen op elkaar gelegd.“

Het cijfer is voor de Belgische woonmarkt geen uitzondering meer, maar voor wie er als jonge Vlaming opgroeit en daar wil blijven wonen, vormt het een effectieve barrière. Wie de Vlaamse Rand wil verlaten omdat hij die niet meer kan betalen, drijft de cultuurverschuiving die hij vreesde alleen nog maar verder.

Het migratie-effect is volgens Weyts dubbel. Naast de kapitaalkrachtigen die de woningmarkt opdrijven, ziet hij sinds tien jaar ook een tweede stroom: Belgische gezinnen die uit Brussel weglopen voor wat hij “het malgoverno“ noemt en die in de Vlaamse Rand een betere toekomst voor hun kinderen zoeken. Beter onderwijs, betere sociale dienstverlening, mooier wonen, betrekkelijk veel groen.

“Je kan het hen niet verwijten, maar dat brengt natuurlijk ook met zich mee dat die mensen ook moeten kiezen, niet alleen voor een toekomst voor hun kinderen, maar ook voor zichzelf en dus kiezen voor het Nederlands.“

Wat een schoolpoort om half vier afsluit ▶ 5:23

Het taal-element is voor Weyts geen ideologische strijdvraag, het is een praktische sociale boodschap. Wie in de Vlaamse Rand geen Nederlands leert, krijgt niet dezelfde kansen.

“De kern van onze boodschap is: je hebt maar kansen in onze Vlaamse samenleving als je Nederlands leert. En dus wanneer je geen Nederlands leert, dan ga je bij ons in de Vlaamse Rand nooit promotie maken. Dan zal je altijd blijven doen wat je momenteel aan het doen bent.“

Hij voegt eraan toe dat het hem ook stoort wanneer Vlaamse bedrijven onder de druk van Franstalige werknemers hun interne taal omzetten naar Frans of Engels. De korte-termijn-rationaliteit “we passen ons aan“ is een lange-termijn-zelfondergraving, want dezelfde werkgevers zullen vaststellen dat anderstalige werknemers niet doorgroeien.

Wat hem extra zorgen baart, is wat hij “de schoolpoort om half vier“ noemt. Kinderen die binnen de schooluren in het Nederlands worden onderwezen, maar daarbuiten in een andere taalwereld terechtkomen.

“Heel veel kinderen geraken gedeconnecteerd van de Vlaamse gemeenschap vanaf half vier. Dan leven die plots in een andere wereld. Andere media, andere BV's, andere groepen, andere gewoontes, andere verenigingen. Dan krijg je opnieuw die segregatie.“

De aanpak van die segregatie loopt voor Weyts niet via wetgeving alleen. Verenigingsleven, Nederlandstalige media, lokale infrastructuur, allemaal hefbomen om kinderen na de schoolpoort in Nederlandstalig sociaal leven te houden.

Wonen in eigen streek: lokale besturen die op de privé-markt mogen ingrijpen ▶ 10:01

Een specifiek instrument dat Weyts in Vlaanderen heeft helpen invoeren, is het decreet “Wonen in eigen streek“. Sinds vorig jaar kunnen lokale besturen op de privé-markt ingrijpen door een deel van een privé-kavelproject aan te kopen tegen schattingsverslag, en die woningen voorrangs­matig ter beschikking stellen aan mensen met een band met de gemeente.

“Een lokaal bestuur kan tegen schattingsverslag bepaalde private kavels, een deel daarvan, aankopen en ter beschikking stellen aan mensen die een band hebben met de streek. Je kan dan zeggen: ja maar, dat is ingrijpen op de private markt. Dat is juist. Maar er zijn weinig andere mogelijkheden.“

Een host duwt terug. Voor een minister die zich centrum-rechts profileert is dit toch het tegenovergestelde van wat een liberaal zou voorstellen, klinkt het. Weyts erkent het lachend en plaatst er meteen zelf een woord op. “Ik formuleer het net enigszins provocatief.“ Geen ideologische bekentenis, wel het besef dat in de Vlaamse Rand de praktijk afdwingt wat een marktdogma niet kan oplossen.

De inkomensgrenzen voor sociale huisvesting zijn in de Vlaamse Rand verhoogd, en samen met Vlabinvest wordt daar voorrang gegeven aan mensen met een gemeentebinding. Het is recht op wonen in eigen streek, niet als ideologisch standpunt maar als pragmatische correctie op een markt die anders alleen aan de hoogste bieder zou verdelen.

Van Volksunie-vormingsmedewerker tot vice-minister-president ▶ 13:53

Voor wie het carrièrepad van Weyts wil reconstrueren, telt het een rij ankerpunten. Hij rolde naar de universiteit quasi onmiddellijk de politiek in, destijds bij de Volksunie. Hij begon als vormingsmedewerker, in een tijd dat elke politieke partij nog een eigen vormingsdienst had die activiteiten organiseerde. Daarna werd hij directeur van die dienst, fractiemedewerker, hoofd van het politiek secretariaat van de Volksunie en woordvoerder.

Na het uiteenvallen van de Volksunie volgde hij Bart De Wever en zijn ploeg naar de N-VA. Hij werd er vanaf de start woordvoerder, daarna directeur, en uiteindelijk adjunct-kabinetschef. In 2009 werd hij parlementslid. In 2014 al stond hij voor het eerst aan tafel als Vlaams minister, met onder meer Mobiliteit en Openbare Werken in zijn portefeuille.

Wie dat parcours achteraf als “extreem logisch“ bestempelt, krijgt een nuance terug. Carrièreplanning leidt in de politiek volgens Weyts vooral tot frustratie.

“Je kan niet zomaar zeggen vanaf morgen ben ik dan plots minister, ongeacht wat ik ervoor gedaan heb, en het zal wel lukken. Ik betwijfel het of dat een succesverhaal zal worden.“

Het is een oordeel dat Weyts niet op zichzelf toepast maar op anderen die in de politiek volgens hem te snel ministerposten kregen. Wie als minister door het ijs zakt, wenst hij niemand toe. Een minister moet weten hoe besluitvorming verloopt, hoe een administratie werkt, hoe een kabinet op tegenwicht moet zijn ingericht en hoe je je mannetje staat in het parlement. Dat is niet uit een boek te leren.

Een halve miljard tegenvaller en de begrotingsminister als bad cop ▶ 20:04

In maart kreeg Weyts als begrotingsminister een berichtje van de federale overheid: de fiscale inkomsten voor 2026 vallen 350 miljoen lager uit dan begroot. Met enkele andere tegenvallers groeide het gat tot meer dan een half miljard. Op een Vlaamse begroting van iets meer dan 60 miljard euro is dat geen rampscenario, maar wel een serieuze uitdaging voor wie naar een nul-tekort wil tegen 2027.

“Ik heb wel onmiddellijk ingegrepen. We hebben voor een half miljard ongeveer uitgaven aangeduid die we niet gaan doen dit jaar. Dat heeft één doelstelling: ervoor zorgen dat we op het juiste pad blijven richting een begroting in evenwicht.“

De rol van een begrotingsminister beschrijft Weyts zelf als bad cop. Wie zelf vakminister is geweest, en hij is dat geweest in onderwijs en in dierenwelzijn, weet hoe het voelt om altijd naar middelen te zoeken. Wie nu vakministers nee moet zeggen, ook tegen partijgenoten, herkent de andere kant.

“Ik ben zelf een heel goede stroper geweest. Ik denk dat ik in de afgelopen beleidsperiodes erin geslaagd ben om voor onderwijs heel veel extra middelen binnen te halen, voor dierenwelzijn het budget acht of negen voudig op tien jaar tijd. Maar dat is allemaal slecht voorbeeld vanaf nu. Ik ben nu de boswachter.“

"Niet leven op de poef" als boodschap voor elk Vlaams gezin ▶ 22:22

De morele logica achter de begrotingsstrengheid van Weyts is bewust huishoudelijk geformuleerd. Wat een Vlaams gezin niet kan, kan een Vlaamse overheid ook niet.

“Net zoals geld voor elk Vlaams gezin: wat je uitgeeft, moet er ook eenzelfde mate van inkomsten tegenover staan. Je kan niet leven op de poef. Daar moeten we mee stoppen, leven op de poef.“

Voor wie het abstract vindt, vertaalt Weyts het naar concrete impact. Elk jaar tekort levert schulden op. Op die schulden moet rente worden betaald, en die rente verdwijnt naar bankiers terwijl er niets voor de burger tegenover staat. Geen welzijn, geen onderwijs, geen openbaar vervoer, geen openbare werken.

“Mensen denken: zo'n begroting, dat is iets abstracts, ik heb er niks mee te maken. Nee, je hebt er wel mee te maken. Elk jaar van begrotingstekort zal je betalen. Gij betalen, en uw kinderen zullen dat betalen.“

Dat de Vlaamse begroting een eigen 0-procent-doel hanteert in plaats van het Europese 3-procent-plafond, is voor Weyts een principekeuze. Hij verwijst naar landen die met overschotten werken en plaatst die meteen in perspectief. Het zijn er wereldwijd zeldzame, en het gaat doorgaans om Scandinavische landen waar Noorwegen met zijn gasinkomsten als illustratie dient. Niet als ambitiebenchmark, wel als bewijs dat een nuldoel überhaupt mogelijk is. Iedereen moet vegen voor eigen deur, klinkt het. In een coalitie van N-VA, Vooruit en CD&V wordt die ambitie niet automatisch gedeeld, maar Weyts blijft ze als bad cop verdedigen.

Hoe Oosterweel werd gereanimeerd door empathie te tonen aan actiegroepen ▶ 26:13

Weyts vertelt een persoonlijk hoofdstuk uit zijn vorige ministerschap, toen hij in 2014 mobiliteit en openbare werken erfde en het Oosterweel-dossier op zijn bord kreeg. Op dat moment was de Vlaamse regering in de communicatie vastgelopen tegen verschillende actiegroepen, een vernietiging door de Raad van State, en een algemene patstelling.

“Ik heb geprobeerd om die actiegroepen aan tafel te krijgen. Aanvankelijk heel veel argwaan en wantrouwen van: wat vraag je nu, ons uit te nodigen? Ik vroeg: ja, we weten wat je niet wil, maar wat wil je wel? Misschien kunnen we daar tot een optelsom komen.“

De omkering van het gesprek was psychologisch en strategisch. In plaats van de regering laten verdedigen, vroeg Weyts de tegenstanders om zelf te ontwerpen. Het bleek een kantelpunt. Door empathie te tonen voor wat actiegroepen wel wilden, meer groen, meer fiets, meer openbaar vervoer, kon hij het gesprek terugbrengen naar wat realistisch is in een grote infrastructuurkeuze.

“Toon empathie voor uw zaak. Ik snap dat je zegt: meer groen, meer fiets, meer openbaar vervoer. Oké. Maar laat ons wel wezen, daar alleen mee ga je die problematiek niet oplossen. De auto is wel een realistisch vervoermiddel voor heel veel mensen dagelijks.“

Dat het uiteindelijke vergelijk tussen actiegroepen en Vlaamse regering tot een werkbaar Oosterweel-plan leidde, ervaart Weyts als een leermoment dat zich niet beperkt tot een infrastructuurdossier. Het toont volgens hem dat polariserende patstellingen kunnen worden doorbroken door bij de tegenpartij te beginnen, niet bij de eigen positie.

Investeringen buiten de begroting: een PPS-formule die zichzelf terugbetaalt ▶ 29:20

Een specifiek financieringsmechanisme waar Weyts onder vuur lag, is de keuze om de Oosterweel-werken buiten de Vlaamse begroting te houden. Een journalist of oppositielid zou dat kunnen aanvallen als boekhoud­truc.

“Alle investeringen in zake Oosterweel die over de werken zelf gaan, hebben wij buiten onze begrotingsdoelstellingen gelaten. Waarom? Omdat dat een project is dat zichzelf terugverdient door tolheffing in de toekomst.“

De redenering is voor Weyts coherent met een vermogensbenadering. Een grote investering die over decennia opbrengt via tolheffing of andere inkomsten, hoort niet in de jaarlijkse uitgaven-input maar in de balanstaal. Een pure cash-in-cash-out begroting kan dat onderscheid niet maken zonder de hele investering in een keer als kost te boeken.

“Als wij die investering gewoon in onze begroting pakken, dan kantelt onze begroting. Je spreekt over zulke grote bedragen.“

Hij voegt er meteen een waarschuwing aan toe. Het is een uitzondering, geen regel. Wie elk jaar grote investeringen via PPS-constructies aan de begroting onttrekt, creëert een schaduw-begroting die alleen op latere generaties valt. Vlaanderen heeft volgens hem regels rond welke investeringen op die manier mogen worden behandeld, en die discipline moet streng blijven.

Zaventem als strategische investering van 2,7 miljard ▶ 30:53

In de week voor de podcast had de Vlaamse regering een volgende investering goedgekeurd: 2,7 miljard euro in een operationeel plan voor de luchthaven van Zaventem, waarvan een half miljard voor de aankomstzone. Weyts geeft toe dat hij als Vlaams Brabander en kind van de Vlaamse Rand de luchthaven persoonlijk genegen is.

“Voor ons is dat een ongelooflijke bron van voorspoed, van welvaart en van welzijn. 64.000 mensen hebben op een of andere manier direct of indirect hun job te danken aan de luchthaven.“

De financiële rationale die hij erbij geeft, is intrigerend. Volgens het businessplan van de luchthaven zal vanaf 2028 het rentebedrag op de aangegane leningen lager liggen dan het dividend dat Vlaanderen als aandeelhouder ontvangt. Met andere woorden, de investering financiert zichzelf vanaf het derde jaar.

“Dat is een investering met maatschappelijk én financieel rendement.“

Een host plaatst er meteen een cynische opmerking bij. Ja, als er geen nieuwe coronacrisis uitbreekt, want luchtvaart is fragiele business. Weyts beaamt dat. “Investeren is altijd met risico, het is geen exacte wetenschap.“ Maar de keuze om wel te investeren is voor hem strategisch. Als je natuurlijk een beleggingsfonds laat instappen waarvan het oogpunt snelle cash en snelle winst is, dan zou zo'n fonds een investering van een half miljard met een opbrengst pas binnen twintig jaar nooit toestaan. Net daarom moet de Vlaamse overheid in beeld blijven, voor duurzame groei en verankering van de luchthaven.

Waarom de PMV advies geeft voordat een minister beslist ▶ 34:42

Een opvallend institutioneel detail dat Weyts uitlegt, is hoe een Vlaamse regering een beslissing van 2,7 miljard technisch onderbouwt. Niet de minister beslist solo, en ook niet de Vlaamse regering integraal: de Participatiemaatschappij Vlaanderen, de PMV, levert het inhoudelijke advies. Weyts beschrijft de PMV als een investeringsmaatschappij die niet zomaar in om het even wat investeert, en die altijd komt met een gedegen analyse waarbij ze de marktvoordelen en de nadelen inschat alvorens een advies te formuleren. Dat is een parafrase van zijn uitleg, niet één literaal citaat.

Bij Zaventem heeft de PMV positief geadviseerd. Het advies wordt vervolgens in het Vlaams Parlement publiek verdedigd, zodat het niet aan een ministerieel oordeel hangt maar aan een onderbouwde investerings­case. Wie de keuze inhoudelijk wil aanvechten, kan dat via parlementaire weg doen, en dat is volgens Weyts precies de bedoeling.

“Ik heb aan liberalen in het parlement moeten uitleggen dat aan investeren risico's verbonden zijn. Mijn bakker weet niet hoeveel broden hij over vijf jaar zal verkopen, maar die heeft wel een businessplan.“

Voor Weyts is het overheidsapparaat niet een rondom-zekere planning­machine. Het is een actor die als ondernemer mag denken, met advies, met risicoanalyse, met expliciete rendements­afwegingen. De Vlaamse overheid is volgens hem in dat opzicht volwassener dan de federale, ook al erkent hij dat er fouten zijn gemaakt. Een host noemt Telenet als voorbeeld: ooit een product van de Vlaamse overheid, vandaag in handen van een Britse groep. Weyts erkent dat het een uitverkoop was, maar plaatst het in een tijdsframe. Op een bepaald moment was Vlaanderen volledig voorzien van telecommunicatie en netwerken, en kon de overheid loslaten. De rol was uitgespeeld, er was concurrentie. Voor Zaventem is dat moment volgens hem nog niet aangebroken.

Van onverdoofd slachten tot puppyhandel: wetgeving die Europa volgt ▶ 42:22

Dierenwelzijn is voor Weyts geen sluitstuk maar een dossier waar hij na meer dan tien jaar resultaten van kan opnoemen. Het beleidsdomein werd pas in 2014 een Vlaamse bevoegdheid, na overheveling vanaf het federale niveau. Weyts kreeg amper budget en amper ambtenaren mee. Vandaag presenteert hij Vlaanderen als voorloper in Europa.

Een concreet voorbeeld is het Vlaamse verbod op onverdoofd slachten. Toen Weyts dat voorstel voor het eerst opperde, klonk het als waanzin in zijn eigen regering en bij sommige coalitiepartners.

“Toen ik voor het eerst die idee opperde, verklaarde men mij voor een steken zot, no way. Ook binnen de Vlaamse regering destijds waren er ook partijen absoluut tegen. Wel, dat is heel fijn. Heel fijn.“

Door diplomatisch onder de waterlijn bondgenoten te zoeken, kon hij het uiteindelijk in het Vlaams Parlement laten stemmen zonder een tegenstem. Dat is het soort moment, zegt hij, waarvoor hij aan politiek doet.

Een tweede luik is de aanpak van de Europese puppyhandel. Tijdens het Belgische voorzitterschap van de Europese Unie zette Weyts dierenwelzijn op de agenda. Het Europees Parlement heeft die week een regelgeving goedgekeurd die volgens hem grotendeels copy-paste is van de Vlaamse regelgeving rond kweek en handel van puppy's en kittens. Hij wijst op de fundamentele logica.

“Wij hebben in Vlaanderen een heel strenge regelgeving voor kweek en handel. Maar je kan heel eenvoudig uit Oost-Europa puppies gaan halen. In een Europa van vrij verkeer kunnen wij daar amper iets aan doen. Terwijl die daar worden opgebracht met nul respect voor dierenwelzijn.“

Om dat aan te pakken vormde Weyts een club, de Vughtgroep, genoemd naar het plaatsje in het zuiden van Nederland waar de eerste samenkomst plaatsvond in 2014. Het begon als een WhatsAppgroep en werd uitgebouwd met Nederland, Duitsland, Denemarken en Oostenrijk. Vlaanderen vertegenwoordigde België, maar Weyts trok ook de andere Belgische gewesten mee. Een ambitie die hij benoemt: stoppen met het transporteren van levende dieren voor hun vlees binnen en vooral buiten Europa. Slachten dichter bij huis en karkassen vervoeren in plaats van levende dieren naar Marokko of elders te verschepen.

Dierenproeven als noodzakelijk kwaad en 186 erkende asielen ▶ 47:49

In de Vlaamse Rand horen verkiezingsbordjes. In het dierenbeleid horen cijfers. Weyts noemt er één.

“Hoeveel asielen denk je dat wij in Vlaanderen hebben? 186 erkende dierenasielen in Vlaanderen.“

Hij heeft elk lokaal bestuur verplicht een contract te hebben met een asiel. De Vlaamse overheid ondersteunt die asielen. Vroeger ging daar nul euro naartoe, vandaag is dat een budget van een miljoen euro. Hij erkent dat dat te weinig is, maar wijst op de discipline die je behoudt door asielen op vrijwilligers te laten teren in plaats van ze volledig op te slokken in subsidies.

Op het thema dierproeven brengt Weyts een nuance die in een dierenwelzijnsministerie niet vanzelfsprekend klinkt.

“Ik ben als dierenliefhebber ook niet te beroerd om moeilijke boodschappen te brengen en te zeggen: dierproeven zijn een noodzakelijk kwaad. Maar we proberen dat wel maximaal te beperken.“

Hij investeerde in een wetenschappelijke databank zodat onderzoekers proeven die elders al gedaan zijn niet hoeven te herhalen. Dat klinkt als een no-brainer, maar de databank moest nog gebouwd worden. Daarnaast worden alternatieven uitgebreid: methodes om bepaalde proeven te doen zonder gebruik te maken van dieren in laboratoriumomstandigheden, met dezelfde resultaten. Voor Weyts is de regelgeving rond dierenwelzijn geen rem op de Belgische biotech- en farmasector gebleken. Hij ziet net dat strenger worden de innovatie heeft aangezet zonder R&D te verdrijven naar minder gereguleerde landen.

Kern, ministerraad en wie eerst spreekt: het mechaniek van het vice-minister-presidentschap ▶ 1:00:53

Weyts doet aan het einde van het gesprek wat hij in het begin uit beleefdheid had nagelaten. Hij legt uit wat het vice-minister-presidentschap technisch betekent. De Vlaamse regering staat onder leiding van minister-president Matthias Diependaele, maar elke regeringspartij heeft één vice-minister-president. Dat zijn er dus drie, want de Vlaamse regering bestaat uit drie partijen: N-VA, CD&V en Vooruit. Samen vormen die drie wat in de Wetstraatjargon “de kern“ heet.

“Als er belangrijke disputen zijn, zaken die niet opgelost geraken, wordt er regelmatig vergaderd in de schoot van de kern om proberen toch eruit te geraken. Een beetje doorpraten in plaats van in de voltallige groep een beslissing voor te bereiden.“

Het tweede element zit in de structuur van de wekelijkse ministerraad. Die start elke vrijdagochtend om tien uur, doorgaans op het Martelarenplein bij de minister-president. Negen ministers en een secretaris zitten aan tafel. Wanneer een voorstel op tafel ligt van een andere partij dan N-VA, is Weyts het lid dat als eerste reageert namens zijn partij. Daarna doet de vertegenwoordiger van CD&V hetzelfde voor zijn eigen formatie. Op die manier wordt een dynamiek opgebouwd waarin de drie partijen elk hun positie inbrengen voor er over compromissen wordt gesproken.

Hoe vaak de kern bijeenkomt, hangt af van de minister-president. Weyts heeft regeringen meegemaakt waarin het kern-overleg zelden voorkwam, zoals onder Bourgeois, en regeringen waarin het frequenter werd ingeschakeld, zoals nu onder Diependaele. Gemiddeld komt het neer op één à twee keer per maand. De ministerraad zelf kan tot 's avonds doorlopen, in uitzonderlijke gevallen tot de ochtend daarna, maar normaal is hij rond een uur 's middags ten einde.

Onroerend erfgoed: minder beschermen om meer te beschermen ▶ 1:07:01

In de afronding van het gesprek raakt Weyts aan zijn vierde portefeuille, onroerend erfgoed. Dat is het dossier waar hij vier wil mogen leggen voor wat Vlamingen erfden van hun voorgangers. Vlaanderen heeft volgens hem ongelooflijk veel erfgoed, maar de overheid kan niet alleen instaan voor de instandhouding ervan. Privé-investeerders moeten worden meegenomen.

“Ik denk eenvoudig gezegd dat we soms een beetje minder moeten beschermen om meer te kunnen beschermen.“

De redenering is contra-intuïtief maar concreet. Een erfgoedlabel schrikt af, vooral bij eigenaars die hun gevel willen renoveren maar dan via gespecialiseerde firma's moeten werken. Het gevolg is leegstand, omdat niemand in zo'n pand wil investeren. Een poort moet uit een speciaalzaak in het buitenland komen, een hek vind je niet in de buurt, dus gebeurt er niets. Door de erfgoedwaarden gericht lager te leggen op aspecten die de aantrekkelijkheid blokkeren, blijft volgens Weyts meer erfgoed effectief beschermd dan wanneer alles in de strengste categorie wordt geduwd.

“Vastgoed met ziel. Er is heel veel te maken om te wonen in omgeving waar je omringd bent door vastgoed met ziel.“

Hij vraagt ook architecturaal een omslag. Stoppen met vierkante dozen goed te keuren. Meer sierlijsten in nieuwbouw, want die zijn voor hem het kleine teken dat een omgeving karakter krijgt. Goedkoper bouwen blijft voor veel investeerders een eerste reflex, maar Weyts pleit voor een Vlaanderen dat ook in zijn architectuur kiest voor wat hij ziel noemt.

Wat een minister te leren heeft over zichzelf ▶ 38:32

Het Vlaamse ambtenarenapparaat verdedigt Weyts actief tegen de spottende grappen die er over circuleren. Topambtenaren zijn volgens hem heel dynamische en heel creatieve mensen. De algemene reflex om over administraties te lachen is voor hem een goedkoop sport.

“In elke mop zit een kern van waarheid. Het komt ergens vandaan. Maar we maken voornamelijk mopjes.“

Het is een typische Weyts-afsluiting. Hij erkent de kritiek waarmee hij wordt geconfronteerd, plaatst er een nuance naast, en stopt voordat het een verdediging wordt. Wat hem als minister zo lang heeft laten meedraaien, is misschien precies dat hij in elke gespreksfase de relativering meebrengt dat hij ook de andere kant kan zien.

In de Vlaamse Rand betekent dat empathie tonen voor wie het Nederlands aanvankelijk niet wil leren, terwijl je tegelijk de boodschap volhoudt dat het wél moet. In de begroting betekent dat erkennen dat je vakministers vroeger zelf het stroperspad bewandeld hebt, terwijl je hen vandaag als boswachter aanspreekt. In het Oosterweel-dossier betekent dat de tafel omdraaien om aan tegenstanders te vragen wat zij willen, niet om te overtuigen wat jij wil. In het erfgoedbeleid betekent dat aanvaarden dat een wat soepeler bescherming meer ziel oplevert dan een waterdichte regelgeving.

Het is een politiek-praktische versie van wat in de filosofie de andere bril wordt genoemd. Weyts is geen academicus die het zo zou formuleren, maar hij doet het wel.