Op bezoek bij de professor die retail ontcijfert

De late namiddag valt over Brasschaat wanneer Gino Van Ossel binnenstapt in De Melkerij. Professor Retail aan Vlerick Business School, een titel die meteen vragen oproept: wat is retail eigenlijk nog in 2024? Van Ossel zet zijn jas af, neemt plaats, en bekent meteen dat hij zich in alcoholvrije week bevindt. Toch proeft hij van de zoete whisky die op tafel staat. “Ik ben blij dat ik het gedaan heb,“ zegt hij met een glimlach, “maar ik ga het wel met mate doen.“

Het chingetje is een ritueel bij Discours Met De Boys, maar de echte roes komt van het gesprek zelf. Want Van Ossel is iemand die de retailsector niet alleen bestudeert, maar er middenin staat. Hij kent de cijfers, de strategieën, de faillissementen. En hij weet wat de meeste mensen niet weten: dat de fysieke winkel helemaal niet dood is.

Hoe een marketingprofessor in de winkelrekken belandde

“Heel toevallig,“ zegt Van Ossel over zijn carrière. Op Vlerick moest hij ooit een assistent vervangen. Een van de taken: diensten. Later kwam er een nieuwe professor die retail wilde oppakken. “Retail is een dienstensector,“ legt hij uit. “Die prof vroeg of ik hem wilde ondersteunen. En eens dat ik erin zat, wou ik er niet meer uit.“

Waarom? “Het is de enige tak van marketing waar je de klant kunt zien zonder dat hij dat raar vindt.“ Als je wilt weten hoe iemand een mixer gebruikt, moet je bij hem in de keuken staan. Dat voelt vreemd. Maar in een winkel rondlopen tussen andere klanten? Niemand die er van opkijkt. “Je ziet alle concurrenten, je observeert gedrag. Dat is gewoon geweldig.“

"80% van de verkoop gebeurt nog altijd in bakstenen winkels"

De veronderstelling dat e-commerce de fysieke winkel heeft weggevaagd, klopt niet. Van Ossel lacht erom.

“In België is ongeveer 80% van de verkoop van goederen aan consumenten verloopt in bakstenen winkels. Het is maar een 20% van de omzet zit online.“

Achter dat gemiddelde gaan gigantische verschillen schuil. In de voedingssector zit amper 2 à 3 procent online. “97% zit in winkels. En dat is nu toevallig wel de grootste sector.“ Bij diensten daarentegen? 80% online. Reisbureaus bestaan nog, maar als niche. “Vroeger kreeg je een boekje met vliegtuigtickets. Dat werd niet opgestuurd. Dus je moest eerst dat gaan kopen en dan een tweede keer teruggaan om dat te gaan afhalen.“

Concerttickets? Vroeger bij Free Record Shop of fnac. Nu online. En dat brengt ons bij een van Van Ossels favoriete casussen.

De winkel die iTunes had kunnen worden maar het niet werd

Free Record Shop. De naam alleen roept nostalgie op. Van Ossel vertelt het verhaal van een bedrijf dat de digitalisering zag aankomen, maar het niet kon keren.

“Free Record Shop is naar de platenfirma's gestapt en die hebben gezegd: kunnen wij hier in Europa geen eigen iTunes gaan doen? Platenfirma's wouden dat niet want verdienden ze minder aan.“

Zowel Free Record Shop als Bol.com zagen dat cd's stervende waren. Gaming en films volgden: dvd's, blu-ray, allemaal verdwenen naar Netflix en downloadbare content. “Die zaten niet te slapen,“ benadrukt Van Ossel. “Maar als de platenfirma's niet willen, dan kost het gigantisch veel geld want er was geen verdienmodel meer.“

Het einde? Faillissement. “Voor wie daar werkt, is dat natuurlijk verschrikkelijk.“

"Schoenen koop je toch nooit online" (en toch wel)

Een ander hardnekkig misverstand: schoenen moet je passen. Van Ossel coachte ooit de Macintosh-groep, eigenaar van Brantano en Scapino, die toen ook een webshop hadden: Zeppos.

“Schoenen dat koopt je toch nooit online, je moet dat passen. En wij hebben opleiding verzorgd voor de grootste speler in schoenen in de Benelux.“

Bij Zeppos kreeg je, als een schoen was uitverkocht, meteen een mailtje terug: “Wil ik voor u kijken of dat we een andere webshop vinden waar dat we die kunnen kopen?“ Van Ossel liet de deelnemers tijdens de opleiding zoeken naar een uitverkochte schoen bij concurrenten. “Binnen de minuut kregen die een antwoord. Ze hebben meteen beseft: wij moeten inzetten op e-commerce.“

Het probleem? Macintosh koos ervoor om een nieuw merk te creëren voor hun webshop, in plaats van gewoon Brantano te gebruiken.

“Iedereen kent Brantano. Als jij een nieuwe webshop creëert dan moet jij heel veel geld investeren om die een naam bekend te maken. Had dat nu gewoon de naam Brantano geweest, dat was veel gemakkelijker geweest.“

Mediamarkt maakte exact dezelfde fout met Red Coon. Van Ossel schudt het hoofd. “De winkels waren voor 97% eigendom van Mediamarkt en de zaakvoerder had daar ook 2-3% in. Die was niet zo blij natuurlijk dat ze Red Coon kochten.“

Waarom je een stofzuiger niet hoeft te zien voordat je hem koopt

Van Ossel stelt een simpele vraag: als je een stofzuiger nodig hebt, wil je die op voorhand een keer echt gezien hebben? “Ik ook niet,“ zegt hij. “Er is een groep van mensen dat dat nog altijd wil zien.“

Maar dan: “Kende gij een winkel waar dat je een stofzuiger kunt proberen? Die staat daar maar je kunt die niet proberen.“

“Betekent de markt van stofzuigers die verschuift naar online.“

Bij televisies ligt dat anders. Mannen vooral, zegt Van Ossel, willen een tv toch nog wel eens zien. “De eerste keer dat wij een hele grote gekocht hebben heb ik mijn vrouw toch meegenomen. Dat staat dan in de living. Die wou niet de beeldkwaliteit zien maar is dan een schoone tv en wil ik die wel een keer zien.“

Mediamarkt heeft zich hierop aangepast. De winkels zijn kleiner geworden, met minder stofzuigers en meer shop-in-shops van Samsung.

“Samsung heeft zo een shop-in-de-shop bij Mediamarkt omdat je wil laten zien wat is het verschil tussen Curved en gewoon, wat is het verschil tussen OLED en iets anders. Ik wil dat eens kunnen beleven en ik wil die naast mekaar kunnen zien.“

De winkels in Gent en Mechelen? Gesloten of verhuisd naar de rand van de stad. “De huur in het centrum gigantisch hoog is. En je kunt daarmee uw auto niet komen. Als je een tv nodig hebt is dat niet handig.“

Beleving in de winkel: wat werkt en wat hype is

Van Ossel nuanceert de verwachting dat alle winkels experience-paleis moeten worden. “Heel veel van die zaken dat zijn hypes. Ik denk in dat opzicht is geleidelijk aan gezond verstand teruggekomen.“

Maar sommige werken wel degelijk. Adventure bijvoorbeeld. Van Ossel wordt enthousiast: “Adventure, waarom die geven u daar advies? Die wandelschoenen kunt dat ook in u woonkamer passen bij Zalando, maar bij de Adventure liggen daar wel wat rotsblokken waar je daar een keer mee kunt opstappen en daar wordt daar live advies op gegeven. Dan zie je dat dat werkt.“

De Nike Town, bijvoorbeeld, ontstond als “een soort van levende reclamespot.“

“De Nike Town, dat was verzonnen door de Chief Marketing Officer van Nike en dat was eigenlijk een soort van levende reclamespot. Dat was een winkel waar je eigenlijk in een reclamespot van Nike zit.“

In Londen, tijdens het WK, was de hele setting op het gelijkvloers ingericht als een voetbalstadion, compleet met geluid. “Dat is een geweldige beleving.“

Maar toen de CMO vertrok, zei zijn opvolger: “Ik ga dat niet blijven betalen.“

“Er komt een nieuwe CMO en die zegt ik ga dat niet blijven betalen. En dan is dat van een cost center moest dat een profit center worden. De meeste flagships moeten nu ten minste uit hun kosten komen.“

Apple Stores zijn winstgevend. De Genius Bar brengt op korte termijn niks op, maar versterkt de merkrelatie. Samsung heeft showrooms bij Mediamarkt. Miele heeft een demoruimte in Antwerpen waar je op afspraak wasmachines en kookplaten kunt bekijken.

Het extreme experience-verhaal? Moeilijk betaalbaar. “In een land als België is dat helemaal heel moeilijk.“

De stad die op 10% online boodschappen wacht (en dan aanpassingen nodig heeft)

In Nederland zit Albert Heijn al op meer dan 10% online omzet. Jumbo op 8%. In België zitten we nog op 2 à 3%. Maar Van Ossel waarschuwt:

“Als 10% van de omzet van supermarkten die nu nog in de winkel zit naar online gaat, dan zijn uw winkels te groot of je hebt te veel winkels. Puur kosten baten, eigenlijk uw kostenstructuur is eigenlijk niet meer aangepast. Of je hebt een ander soort winkel.“

Wat koopt de gemiddelde Belg online bij de supermarkt?

“De gemiddelde Belg die online boodschappen doet, doet dat om de twee weken. Kunt gij geen vers kopen voor twee weken vooruit? En wat koopt je dan het meest? Wat volumineus is, wat zwaar is en wat dat ge op voorraad hebt.“

Bier, frisdrank, luiers, toiletpapier, pasta. De zware spullen. Het verse blijft in de winkel. Maar daar zit een tweede trend onder: jongeren koken minder zelf.

“Het percentage mensen onder de 35 dat nog alle dagen zelf eten kookt, dat is behoorlijk gedaald. Dat betekent een boom in bereide maaltijden.“

Elke supermarkt heeft nu een sushi-toog. De verschuiving is massaal. En Hello Fresh speelt daar handig op in.

"Hoe duurder een tv, hoe meer hij gekocht wordt bij de kleine zelfstandige"

De kleine zelfstandige winkel is onder druk, maar niet dood. Van Ossel legt het uit met een concrete vaststelling:

“Hoe duurder een TV, hoe minder dat hij online gekocht wordt en hoe duurder een TV, hoe meer hij gekocht wordt bij de kleine zelfstandige. Waarom? Vol service. Hoe duurder dat is, ik laat die een ophangen aan de muur.“

Het gaat om vertrouwen. “Er zijn veel mensen die zeggen: maar zo een tv, een Oled, een hele grote van €200, Mediamarkt of de Van den Borre of de Krefel, wie gaan die dan sturen? Ik zeg niet dat dat een terechte overweging is, ik zeg ook niet dat het onterecht is.“

De goede zelfstandige overleeft. “Skm op de Boomse Steenweg. Verkocht door de oorspronkelijke familie. Een van de twee overnemers werkte er vroeger. Die doen het fantastisch goed omdat die daar hun ziel in leggen.“

Maar de kleine boetiek onder elke kerktoren? Die is verdwenen. “De slimme ondernemers hebben een hele grote winkel gebouwd aan de rand van de stad en die zijn heel succesvol.“

Franchising is een andere oplossing. Veel modewinkels zijn zo onderdeel geworden van een groter geheel. Albert Heijn-winkels zijn zelfstandig, maar met de schaal van een keten erachter. “Een ondernemer die voelt zijn cliënteel aan en die doet dat gewoon beter.“

Wat de Delhaize-franchise met openingstijden en ondernemerschap te maken heeft

Waarom heeft Delhaize zoveel winkels verkocht aan franchisenemers? Van Ossel legt het uit als antwoord op twee uitdagingen: kostenstructuur én ondernemerschap.

“Een zelfstandige die wil niet werken voor een baas. Een ondernemer die voelt zijn cliënteel aan.“ Maar er is meer. De sociale paritaire comités maken het duurder voor een geïntegreerde winkelketen om op zondag open te zijn. “Boven de 50 werknemers is dat een beetje lastig.“

Maar de zelfstandige? Die beslist zelf. En steeds meer Belgen willen op zondag boodschappen doen. Vroeger ging je op zondag naar de Carrefour Express voor de dépannage. “Als je naar de Carrefour Express uw boodschappen gaat doen, het is duur en je hebt daar niet alles. Maar een Albert Heijn is op zondag even duur of even goedkoop als op zaterdag en die heeft even veel assortiment.“

De verschuiving is gaande. “In ene keer zijn al die grote detjes op een periode van anderhalf jaar tijd allemaal open op zondag. En die Belg begint dus gewoon in plaats van op zaterdag op zondag zijn grote boodschappen te doen.“

Waarom je baan bij Bol.com in Waalwijk zit en niet in Brussel (en waar dat toch werkt)

Van Ossel wordt serieus. De maatschappelijke impact van e-commerce is niet min.

“Als het gaat over tewerkstelling, er zijn geen retailers die heel groot zijn in e-commerce die een distributiecentrum in België hebben. Dat betekent dat wij ons winkelpersoneel eigenlijk gedeeltelijk vervangen door mensen die bijvoorbeeld in Waalwijk bij Bol producten in paksjes steken.“

Dat is probleem nummer één. Maar het plaatje is genuanceerder. Nike heeft wel een distributiecentrum in België, in Lanklaar. “Nike zijn distributiecentrum voor alle winkels zat voor heel EMEA in Lanklaar. Dat is nog gegroeid want daar zit nu ook de e-commerce voor heel EMEA. Ze hebben recent omdat het zo hard gegroeid is nu ook op een andere plek wat gaan doen, maar dat is niet ten koste gegaan van Lanklaar.“

Probleem nummer twee: leegstand in stadscentra.

“Het aantal winkels in de centra is heel hard teruggelopen. Sinds vorig jaar is de trafiek op de Meir in Antwerpen weer hernomen maar die is nog altijd echt lager dan voor Corona. Voor Corona dacht iedereen, ikzelf ook, de echt grote stadscentra die gaan er geen last van hebben.“

Tongeren? “Daar is niks meer. Dat is gewoon weg.“ Lier? “Dat is gedessineerd. Je gaat daar niet meer naartoe om te shoppen.“

“Die zelfstandige die heeft maar één vestiging en die blijft achter en die is een sigaar.“

Probleem nummer drie: werkgelegenheid. “De grootste werkgever als sector vanuit de privé, dat is de retail en dat zijn allemaal kort geschoolden.“ Van Ossel vindt het geen ramp, omdat er enorm tekort is aan personeel. “School die mensen om richting zorg. Ik weet ook dat dat gemakkelijker is gezegd dan gedaan.“

Maar Lunch Garden? “430 werknemers gaan even spinnen.“ Sim Capital heeft hen overgenomen, die redden banen. Toch was de schok voor het personeel groot. “Dat zijn een paar honderd mensen die van de ene dag op de andere trek uw plan.“

Corona, containers en hyperinflatie: de periode waarin alles tegelijk misging

2020 tot nu. Van Ossel vat het samen: “Sinds 2020 is het alleen maar dikke dikke dikke schijt geweest.“

“Alle niet-noodzakelijke winkels moesten toe. Heel veel niet-noodzakelijke winkels hebben een gigantische schuldenberg opgelopen. Vorig jaar is St Bleu, althans moederbedrijf, failliet gegaan.“

Corona was het begin. Daarna kwamen dure containers, Oekraïne, hyperinflatie, energieprijzen, consument die geen geld uitgeeft, slecht weer. Van Ossel is genuanceerd over Lunch Garden: “Ik zeg niet dat het wat nu gebeurd is niet zou gebeurd zijn, maar het zou niet zo erg geweest zijn. De aanleiding was omdat degene die er geld ingestoken had, ik ga hier dat gat niet toedoen.“

De periode tussen lockdowns was verschrikkelijk. Van Ossel tekent het absurde beeld:

“Eerst moesten de winkels toe en dan mochten ze open. Maar je mocht alleen op u alleen daar naar binnen en de horeca mocht niet open. Wie trok er naar de Meir? Als je naar de Meir gaat en je moet naar het toilet, de horeca is toe. Niemand deed dat, bloeden, echt bloeden.“

Colruyt paste zich aan. “Die Colruyt Shop, dat krijgen we niet meer goed, stoppen mee. Die Dreamland, dat zit beter bij Toy Champ, we nemen daar afscheid van maar we houden wel 25% van de aandelen zodanig dat we naar onze medewerkers ook stuk garantie kunnen bieden dat we iets in de pap te brokken hebben.“ Een signaal dat het niet alleen om kosten gaat, maar ook om medewerkerszekerheid.

Torfs maakt nog winst, maar minder dan vroeger. JBC heeft het moeilijk gehad, maar draait weer positief. “Maar dus ook de echt goede spelers hebben het moeilijk. Het is echt een lastige markt voor heel veel bedrijven.“

"Pakjes leveren is beter voor het milieu dan met de auto naar de winkel"

De duurzaamheidsdiscussie rond e-commerce zit vol misverstanden. Van Ossel maakt het concreet.

“Hoe meer pakjes besteld worden, hoe beter voor het milieu.“

Dat klinkt contra-intuïtief, maar klopt. Het energieverbruik van een bakstenen winkel is hoog: verwarming, spotjes, parkeerplaatsen. Bij e-commerce komt het product rechtstreeks van het distributiecentrum naar de klant. “Het is een tussenstop minder.“

In Nederland meten ze de CO2-uitstoot van e-commerce. “Die is op een periode van vijf jaar al gehalveerd. Dat is routeplanning, minder lucht, pakskes worden kleiner, efficiëntere voertuigen en efficiëntere routing en volume dat gestegen is.“

Op het platteland is het ongeveer 5% meer CO2-uitstoot dan in de agglomeraties. “Als je gewoon logisch kijkt, het is een tussenstop minder. Het gaat van distributie naar eindklant en niet een tussenstop in de winkel.“

Petra De Sutter zei ooit dat er meer pakjeskluisjes moesten komen, beter voor het milieu. Van Ossel: “Ik dacht heeft zij nu haar huiswerk niet gemaakt?“

“Petra de Sutter zei op een bepaald moment er moeten meer kluisjes komen, dat is beter voor het milieu. Ik dacht heeft zij nu haar huiswerk niet gemaakt? Want als je dat op het platteland doet dan gaat iedereen met zijn auto naar dat kluisje. Dan kun je beter één camionetje bij die mensen rond laten gaan.“

In de stad, bij stations, waar veel mensen langskomen? Daar werken kluisjes wel. “Als je daar dieper ging kijken zei ze in de steden of in stations of waar mensen werken, volume mensen. Want als je dat op platteland doet dan gaat iedereen met zijn auto naar dat kluisje.“

De cut-off time van middernacht (en de rol van vakbonden in nachtarbeid)

Next-day delivery blijft. Geen discussie. “Dat blijft, dat blijft sowieso.“

Maar de dynamiek verschilt. En daar komt een politieke complexiteit bij kijken. In België mag je 's nachts werken voor e-commerce, maar je moet een akkoord hebben met de vakbonden. “En dat kan op sectorniveau, paritair comité. Vakbond zegt nee? Die hebben liever dat de jobs naar het buitenland gaan, dat is het enige wat je kunt concluderen. Ik snap ze soms niet.“

Torfs heeft het anders aangepakt. “Torfs is een familiebedrijf dat een zeer goede relatie heeft met de medewerkers. Die zijn rond de tafel gaan zitten, kunnen we schuiven? En ze hebben een compromis gevonden. Cut-off time 8, dat betekent dat ze wellicht tot 9 of tot 10 werken, later ook niet. Dan houd je dus veel jobs vast.“

Bol.com in Nederland heeft een cut-off time van middernacht. Om 2 uur 's nachts zijn de pakjes klaar, gesorteerd door PostNL. Om 4 uur rijden de vrachtwagens richting België.

“In Waalwijk hebben ze een heel groot distributiecentrum en in dat distributiecentrum zit een distributiecentrum van PostNL. Cut-off time 12 uur. De piek van de bestellingen die zit tussen 9 en 10, maar kort voor middernacht is er nog een piekje.“

Het aantal mensen dat 's nachts werkt, is beperkt. “Of dat je nu zegt na twee dagen of na drie dagen, dat maakt dus geen verschil. Want als ze allemaal komen na twee dagen rijden er exact even veel camionnetjes op de weg.“ Hoewel Van Ossel aangeeft dat het “wel een 1,2% impact zou hebben“ op de werkdruk, blijft het principe hetzelfde: volumes kunnen gespreid worden, maar de realiteit is dat mensen in pieken bestellen.

Waarom de horeca het moeilijker heeft dan winkels (en systeem-uitdagingen blijven)

Van Ossel wordt somber. “De horeca heeft het lastig.“

Restaurants vinden geen personeel meer. Iedereen die tijdens corona in de horeca werkte, heeft ander werk gevonden. “Ze vinden te weinig personeel. Als je vandaag naar een restaurant wilt gaan in het weekend dat goed is, zit altijd vol.“

Maar: “Het aantal couverts per week is gedaald. Het aantal sluitingsdagen is toegenomen. Het aantal restaurants dat op zaterdag toe is, is eigenlijk ook wel een beetje toegenomen.“

De klant let op zijn portemonnee. “Een aperitiefje gewenst? Nee. Nog een dessertje? Noe, ze letten op hun portemonnee.“

Huurprijzen gekoppeld aan de index. Energie gestegen. Lonen gekoppeld aan de index. “Lunch Garden moet hogere lonen betalen en dat gaat niet meer want dat krijg je dus niet meer rendabel.“

“Er zitten systeem-uitdagingen in die aangepakt moeten worden en dus we zijn daar nog niet aan het einde van het verhaal.“

Maar Van Ossel is niet alleen negatief. “Het goede nieuws is: stadsbesturen beseffen dat. Die zijn daarmee bezig. Retailers zijn daarmee bezig. En ooit krijgen we een regering die daar ook hopelijk mee bezig gaat zijn.“

Hoe steden ontstonden op handelswegen (en wat er gebeurt als de handel verschuift)

Van Ossel wordt filosofisch. “Hoe zijn de steden ontstaan? Op de kruising van twee handelswegen.“

“De handel is eigenlijk het ontstaan van de steden. Voor e-commerce, het centrum van de stad daar zit de handel en daar rond zit horeca. Als je uw handel wegneemt dan is er minder trafiek en dan gaat dus de horeca voor een stuk ook verdwijnen.“

Steden worstelen ermee. Het verschil tussen een gemeente en een stad: een stad trekt mensen van elders aan, een gemeente mikt op haar bewoners. In Lier is het centrum nu vooral horeca. “Daar wonen ook mensen, dus die hebben nog een krantenwinkel nodig. Maar als mensen zouden stoppen met roken en stop mee op de Lotto spelen is het ook gedaan met de krantenwinkel.“

Reconversie is nodig. “Je moet winkelpanden een andere bestemming geven. Je zou daar een castingbureau kunnen inzetten in het centrum. Want als die mensen die daar komen een broodje nodig hebben, dan kunnen ze dat.“

Advocatenkantoren, creatieve bureaus, ateliers. “Dan zie je dat daar toch weer een nieuw stuk levendigheid komt.“ Maar het evenwicht is fragiel.

Op de Meir in Antwerpen is er nog altijd leegstand. “De huur is te hoog. En dat is heel eenvoudig de speltheorie. Als daar 100 panden zijn dan heb je 100 eigenaars. Die ene eigenaar waar de huurder weggaat die zegt: ik ga mijn huur niet verlagen want als ik mijn huur verlaag, de rest dan blijft de rest zitten.“

De Schuttershofstraat hebben ze zo kapot gemaakt.

Maar Van Ossel noemt ook een positief tegenvoorbeeld: Genk. “Genk, dat is de zotste stad die er bestaat want die heeft geen één centrum, die hebben er meerdere. En dat centrum is eigenlijk ook niet eens centrum. Die hebben een beleid waarbij ze daar heel goed mee omgaan en die denken daarover na en dat functioneert.“

De toekomst van mobiliteit en stadscentra

Van Ossel blijft voorzichtig optimistisch. Antwerpen hernemt. Elk jaar half december komt de oproep: kom niet meer met de auto naar Antwerpen, alle parkings staan vol. “Dat toont aan dat een stad nog altijd levendig is.“

Het aantal mensen dat met de fiets naar het centrum rijdt, is enorm toegenomen. “Bart de Wever gaat ook. Ik ken mensen die als senior manager vroeger alles met een auto deden. Ik deed vroeger ook.“ Nu gaat Van Ossel te voet naar de supermarkt, met een caddie. “Ik zie steeds meer mensen dat doen.“

De polarisering tussen automobilist en zwakke weggebruiker? Die bestaat niet, zegt Van Ossel. “Die bestaan niet. Er zijn verplaatsingen. En voor sommige verplaatsingen is de auto fantastisch goed en voor sommige is een tram goed en sommige is dat de fiets.“

In Gent is het lussenplan bijgestuurd. “Er zijn zotte dingen gebeurd maar het probleem in Gent is niet zozeer dat daar een lussenplan is maar dat er te weinig parking is. Als je op een zaterdagavond in het centrum van Gent wilt gaan eten, zorg maar dat je tegen zes uur, kwart voor zeven er zit of je krijgt uw auto niet meer geparkeerd.“

“Sinds dat lussenplan er is, ge rijt uw een auto veel sneller Gent in dan vroeger omdat er minder mensen dan nog doen. En in Gent is het even levendig als vroeger.“

De grote steden overleven. De middel en kleintjes? “Waarom zou ik nog het centrum van Lier binnen rijden om naar een winkel te gaan? Dan kan ik evengoed naar een grotere stad rijden. En het zijn die kleintjes die het lastig hebben.“

---

Buiten valt de avond over Brasschaat. Het glas staat leeg. Van Ossel heeft zijn belofte nagemaakt, de alcoholvrije week doorstaan met één uitzondering. Het gesprek heeft meer dan een uur geduurd, dwars door de cijfers, de casussen, de faillissementen en de overlevenden.

Retail is niet dood. Het verandert alleen sneller dan de meeste mensen kunnen bijhouden. De goede ondernemers overleven. De steden denken na over reconversie. Vakbonden zitten aan tafel bij Torfs, maar blokkeren elders nachtarbeid waardoor jobs naar Nederland gaan. En ergens in Waalwijk, om 2 uur 's nachts, worden pakjes klaargemaakt voor Belgische consumenten die morgen hun toiletpapier en bier geleverd krijgen. Zonder dat ze ooit een winkel hebben moeten bezoeken.

Dat is geen dystopie. Het is gewoon de realiteit van 2024. En volgens Van Ossel is dat geen ramp, zolang we blijven nadenken over wat we willen dat steden zijn, hoe we mensen tewerkstellen, en welke winkels we écht nog nodig hebben. De dialoog daarover? Die is nog maar net begonnen. Stadsbesturen zijn ermee bezig, retailers zijn ermee bezig. En ooit, hoopt Van Ossel, krijgen we een regering die daar ook mee bezig gaat zijn.