Opening: Tussen rum en auteursrecht in De Melkerij
Een glaasje whiskey-honing, een glas rode wijn, en de man die verantwoordelijk is voor het innen van auteursrechten bij 50.000 creatieve zielen in België. Steven De Keyser, CEO van Sabam, neemt plaats in De Melkerij in Brasschaat met een openheid die je niet meteen verwacht van iemand die een organisatie leidt die decennialang als de lastige Aart te boek stond. “Wij zijn allemaal gewoon debielen die in het donker aan het tasten zijn,“ zegt hij ergens halverwege het gesprek, een zeldzaamheid in een sector waar doorgaans met stelligheden wordt gestrooid.
De Keyser weet wat er op hem afkomt. De reputatie van Sabam is er een van controllers, van onverwachte facturen, van de organisatie die je fuif duurder maakt. Maar het verhaal dat hij hier wil vertellen is anders, complexer, en raakt aan de kern van een vraag die in het digitale tijdperk steeds urgenter wordt: hoe zorg je ervoor dat creatievelingen een redelijk deel krijgen van de miljarden die met hun werk worden verdiend?
De drie pijlers van Sabam: muziek, theater én Netflix
“Als je muziek gebruikt en je verdient er geld mee, dan zegt de auteur: ik wil graag een klein stukje daarvan hebben.“
Sabam is geen monoliet voor muziekrechten alleen, legt De Keyser uit. De organisatie vertegenwoordigt 50.000 auteurs en uitgevers in alle disciplines: componisten, scenaristen, regisseurs, theatermakers. Wie een toneelstuk schrijft dat opgevoerd wordt, wie een scenario bedenkt voor een Vlaamse serie, wie muziek componeert voor een game: ze komen allemaal bij Sabam om ervoor te zorgen dat er een vergoeding terugvloeit wanneer hun werk publiekelijk wordt gebruikt en er geld mee wordt verdiend.
Het principe is simpel, de uitvoering monsterlijk complex. Sabam int geld waar creaties worden ingezet: bij omroepen, streamingdiensten, festivals, concertzalen, restaurants, cafés. En dan begint het rekenwerk. Want het gaat niet alleen om wát er wordt gespeeld, maar ook om welke versie. Een remix heeft andere auteurs dan het origineel. Een live-uitvoering heeft andere rechthebbenden dan een studioplaat.
“We moeten niet alleen weten wat er gespeeld wordt, maar welke versie. Een remix heeft allemaal verschillende auteurs.“
De organisatie verwerkt daarvoor enorme hoeveelheden data. Omroepen sturen gedetailleerde afspeellijsten door. Streamingdiensten leveren miljoenen datapunten aan. In discotheken plaatst Sabam zelfs software die registreert wat er uit de speakers komt, een soort Shazam op steroïden. Voor kleinere locaties, zoals restaurants, werkt de organisatie met steekproeven en basislijsten. Perfectie is onmogelijk, geeft De Keyser toe, maar de ambitie is om het zo goed mogelijk te doen.
En dan is er nog de internationale dimensie. Sabam int niet alleen voor Belgische leden, maar ook voor buitenlandse auteurs wiens werk hier wordt gebruikt. Omgekeerd zorgen partnerorganisaties in het buitenland ervoor dat Belgische artiesten betaald worden als hun muziek op een Franse radio draait of hun film op een Britse streamingdienst verschijnt.
“Als Pommelien Thijs in Engeland op de radio komt, spijtig genoeg niet al te vaak, dat is nog een groot probleem van onze Belgische artiesten.“
Waarom de horeca Sabam niet mag uitstaan
De negatieve reputatie van Sabam is geen toeval, erkent De Keyser zonder omhaal. Hij weet precies waar het schoentje wringt: de eerste confrontatie die velen met de organisatie hebben, is op hun 17de of 18de, wanneer ze een fuif organiseren en ontdekken dat er zoiets bestaat als auteursrechten. Een factuur voor iets wat je niet had verwacht, op een moment dat je budget al krap was.
“Wanneer ben ik voor de eerste keer in contact gekomen met Sabam? Ik was 17, 18, ik organiseer een fuif. Dat is een eerste ervaring die voor veel mensen niet zo positief is.“
Maar het probleem zit dieper dan die ene factuur. Het zit in honderd jaar geschiedenis waarin Sabam functioneerde als een soort auteursrechtenbelastingdienst: controleren, berekenen op basis van vierkante meters, innen. De empathie was ver te zoeken. “Wij hebben in het verleden de manier waarop we op de deur kwamen kloppen niet altijd op de handigste manier gedaan,“ zegt De Keyser. “Dat willen we en doen we vandaag beter.“
Die mentaliteitsshift is volop aan de gang, maar niet voltooid. Sabam probeert te evolueren van een organisatie die controleert naar een die uitlegt, van een factuur naar een dienst. De vraag is niet langer alleen “hoeveel vierkante meter heeft uw café?“, maar ook “wat krijgt u in ruil?“. De tarieven worden eenvoudiger, transparanter, beter afgestemd op de realiteit van ondernemers. Maar de operatie kost tijd, en op het kantoor in Brussel horen collega's van De Keyser nog elke dag gesprekken waarin mensen kwaad worden, uitschelden, weigeren te betalen.
“Wij willen dat iemand die ons betaalt het gevoel heeft: ik betaal iets maar ik krijg er iets voor in return.“
De Keyser erkent de verantwoordelijkheid die Sabam zelf draagt voor het wantrouwen. Maar hij wijst ook op een andere kant van het verhaal: zijn collega's die keihard hun best doen, die vragen beantwoorden, die data verwerken, worden regelmatig vierkant uitgescholden. “Het aantal gesprekken dat ik overhoor van mensen die mijn collega's gewoon grof behandelen, dat is ontzettend ondankbaar,“ zegt hij. Het is geen slachtofferrol die hij claimt, maar een realiteit die laat zien hoe diep de frustratie aan beide kanten zit.
Toch blijft de fundamentele spanning bestaan. Want wanneer moet je Sabam nu eigenlijk betalen? De vuistregel die De Keyser hanteert, is helder: als er inkom wordt gevraagd of als er sponsoring is, met andere woorden als er geld wordt verdiend met het evenement. Als je met vijf vrienden thuis de radio aanzet, is er geen Sabam verschuldigd. Zodra het publiekelijk wordt en commercieel, verandert de situatie.
“Als er dus inkom betaald wordt of belangrijke sponsoring is, als er geld mee verdiend wordt, dan is er één. En twee: als het iets is die degelijke proporties begint aan te nemen.“
Maar tussen die twee uitersten ligt een grijs gebied vol cafés, coiffeurs en kleine ondernemers die het gevoel hebben dat ze beboet worden voor iets wat vanzelfsprekend aanvoelt. De kunst zit hem erin om de balans te vinden tussen een correcte vergoeding voor auteurs enerzijds en draagbaarheid voor ondernemers anderzijds.
“We moeten vermijden dat wat we te weinig krijgen van de grote spelers zoals Spotify, we daarvoor alles uit de zak gaan kloppen van de lokale ondernemer.“
De pijnpunten in het streamingmodel: 70-30-15
Spotify en Netflix hebben het auteursrecht niet afgeschaft, ze hebben het vooral ingewikkelder gemaakt. En voor creatievelingen een stuk minder lucratief. De Keyser legt de verdeling uit met cijfers die hun eigen verhaal vertellen: van elke euro die een streamingdienst als Spotify binnenkrijgt, houdt het platform zelf 30 procent. Van de resterende 70 cent gaat 50 à 55 procent naar de labels en de industrie. Wat overblijft voor de auteur, de persoon die het liedje heeft geschreven, is slechts 15 à 20 procent van het totaal.
“30 procent blijft hangen bij de streamer zelf, 50 à 55 procent gaat naar de industrie, en slechts 15 à 20 procent gaat naar de auteur.“
Het probleem wordt in België nog eens versterkt door twee factoren. Ten eerste kopen Belgen minder betalende abonnementen op streamingdiensten dan onze buurlanden. Ten tweede luisteren Belgen wanneer ze wél streamen vaker naar internationaal repertoire dan naar lokale artiesten. In Duitsland en Frankrijk is de voorkeur voor eigen muziek veel groter, wat zorgt voor een stevigere inkomstenstroom voor lokale makers.
Het gevolg? Een Belgische auteur verdient beduidend minder met streaming dan collega's in grotere markten. De pot is kleiner, de vraag naar Belgisch product is beperkter, en de vergoeding per stream blijft sowieso al marginaal.
De Keyser ziet één mogelijke uitweg: community. Platforms die niet alleen een muziekmachine zijn zoals Spotify, maar die een band creëren tussen luisteraar en artiest. Hij verwijst naar Twitch, dat erin geslaagd is om rond gaming een loyale gemeenschap op te bouwen. Kan dat ook voor muziek? Een platform dat lokale artiesten in de kijker zet, dat verhalen vertelt, dat luisteraars dichter bij de makers brengt?
“Als Twitch de gamers community weet te creëren, kan dat ook voor muziek. Meer lokaal gaan luisteren via een provider die community creëert.“
VRT Max en de spanning tussen toegankelijkheid en vergoeding
Ergens halverwege het gesprek komt De Keyser op een pijnpunt dat zelden hardop wordt uitgesproken: de perceptie dat content gratis is. VRT Max, Streamz, VTM Go, het zijn allemaal platforms die zich positioneren als onbeperkt toegankelijk, vaak zonder of met weinig advertenties. Fantastisch voor de kijker, maar funest voor de indruk dat creatief werk iets waard is.
“VRT Max, een fantastisch product. Maar is dat eigenlijk een manier om iedereen te zeggen dat die content gratis is?“
De Keyser vergelijkt het met een oud huis zonder isolatie, waarin je steeds meer moet stoken om de temperatuur op peil te houden. De VRT wil zijn publiek vasthouden in een hypercompetitieve markt, dus stookt het meer content: meer series, meer programma's, meer herhaling. Maar wie levert die brandstof? De auteurs. En wat gebeurt er met hun vergoeding? Die stijgt niet mee.
Het probleem is structureel. De dotatie die de VRT krijgt van de Vlaamse overheid, groeit niet evenredig met het gebruik van auteursrechtelijk beschermd werk. De commerciële zenders hebben hun eigen uitdagingen, vooral rond dalende reclame-inkomsten, maar daar is de link tussen succes en vergoeding directer. Bij de publieke omroep ligt de verantwoordelijkheid bij de overheid, die moet beslissen of cultuur en creativiteit voldoende prioriteit krijgen in de begroting.
“Als een jonge maker bent en je komt enkel op VRT Max, denk aan Ris bijvoorbeeld, fantastische dames die een geweldig product maken, maar wat wij hun kunnen geven op basis van wat betaald wordt, dat vind ik erg.“
De Keyser benadrukt expliciet dat hij de omroepen niet als vijand ziet. “We mogen zeker niet doen alsof zij de boeman zijn,“ zegt hij nadrukkelijk. “De verschillende omroepen leveren heel veel constructief werk die heel belangrijk is voor onze auteurs.“ Het zijn de mechanismen waarin ze opereren, niet de omroepen zelf, die als slachtoffer van systeemproblemen vastzitten in budgetten die niet meegroeien met het gebruik.
Maar die mechanismen hebben wel gevolgen. Gratis voelt als vanzelfsprekend. Tot je beseft dat “gratis“ betekent dat ergens iemand niet betaald wordt.
De Belgische exportblindheid: waarom onze artiesten niet doorbreken
Een opvallende vaststelling: Belgische auteurs denken te weinig internationaal. Ze maken iets moois, ze willen het zelf brengen, ze hopen op aandacht van de VRT of VTM of een lokaal festival. En daar stopt het vaak. Nederlandse auteurs daarentegen denken al bij het schrijven na over hoe ze hun werk in handen van Beyoncé kunnen krijgen.
“Onze auteurs zijn te weinig bezig met hoe hun creaties internationaal gebruikt kunnen worden.“
Het verschil tussen Franstalig en Nederlandstalig België is in dat opzicht pregnant. Voor Franstalige creatieven is Parijs de voor de hand liggende hemel. De trein rijdt gemakkelijk, de taal is hetzelfde, de markt is enorm. Het resultaat? Stromae, Angèle, Damso, Axelle Red: sommige van de meest succesvolle auteurs in Frankrijk zijn Belgen.
“Franstalig België, the way to heaven is Parijs. De Franstalige Belgen kijken naar Frankrijk en die trein werkt gemakkelijk.“
Voor Nederlandstalig België ligt dat anders. De link naar Nederland is minder vanzelfsprekend, het kanaal smaller. Toch zijn er uitzonderingen: Goose bijvoorbeeld, of producers als Netsky en Frequencies, die internationaal doorbreken zonder afhankelijk te zijn van de Nederlandse markt. Maar dat zijn de uitzonderingen. De regel is dat Vlaamse makers te weinig investeren in de weg naar buiten.
Maar het probleem zit dieper dan alleen geografische afstand. De Keyser wijst op een cruciaal verschil in mentaliteit: Belgische makers zijn ongelooflijk ondernemend in hun creatie zelf, maar naïef als het op commercialisering aankomt. Ze zoeken vooral de connectie met hun publiek, en worden daardoor kwetsbaar in onderhandelingen over geld.
“Iemand die creëert, een creatieveling, die is op zoek naar de connectie met publiek en die haalt zijn voldoening uit die connectie. En wordt daardoor eigenlijk kwetsbaar in de onderhandelingen als het over centen gaat.“
Sabam probeert daar iets aan te doen, onder meer met beurzen voor artiesten die voor het eerst in het buitenland optreden. Maar uiteindelijk draait het om een mentaliteitsshift. Niet denken in termen van “ik maak iets en ik hoop dat het hier opgepikt wordt“, maar “ik maak iets en ik ga actief op zoek naar internationale partners, labels, platforms die het kunnen verspreiden“.
De ironie is dat de infrastructuur ervoor bestaat. Sabam werkt samen met zusterorganisaties in bijna elk land. Als een Belgisch nummer in het buitenland wordt afgespeeld, zorgt die lokale organisatie voor de inning en het doorstorten. Het systeem werkt. Het is de input die ontbreekt: Belgische artiesten die internationaal opgepikt worden.
De rol van Sabam als hoeder tegen uitbuitende contracten
Een waarschuwing die De Keyser meerdere keren herhaalt, gaat over jonge auteurs die worden verleid door grote bedrijven met contracten die hen op termijn benadelen. Onder druk van globalisering en Amerikaanse praktijken, en met de komst van artificiële intelligentie, wordt er steeds vaker gezegd: “Je mocht al blij zijn dat je iets mogt schrijven voor ons, we gaan je wel betalen voor de uren dat je eraan spendeert, maar vergeet dat je nog een deeltje gaat krijgen van wat dat topbrengt.“
“Wij reageren heel hard tegen dat model. Vooraleer je zoiets tekent, denk twee keer na. Voor hetzelfde geld is dat een reusachtig succes die wereldwijd volgt en daar ga je geen euro meer aan zien, maar gij hebt het wel gecreëerd.“
Het is een van de minder bekende kerntaken van Sabam: niet alleen geld innen en verdelen, maar ook makers begeleiden bij contractonderhandelingen. De druk op jonge makers is reëel. Ze willen de kans grijpen, ze zijn dankbaar voor de aandacht, ze ondertekenen wat hen voorgelegd wordt. Maar De Keyser benadrukt dat de industrie commerciële spelers heeft die heel succesvol zijn en heel goed weten hoe ze contracten in hun voordeel moeten schrijven.
“Die industrie, dat zijn wel heel commerciële spelers die heel succesvol zijn. Je moet daar niet als een naïeveling in je contract te gaan afsluiten.“
Europa helpt ook, met richtlijnen die makers beschermen tegen oneerlijke contracten. Maar uiteindelijk draait het om bewustzijn. Jonge makers moeten beseffen dat ze rechten hebben, dat ze kunnen onderhandelen, dat ze niet zomaar alles moeten accepteren omdat ze dankbaar mogen zijn voor de kans.
Sabam functioneert in dit opzicht als een soort vakbond voor auteurs. Niet alleen als inningsorganisatie, maar als belangenbehartiger die ervoor zorgt dat makers niet onderspit delven in onderhandelingen met grote producenten, labels of platforms. Het is een rol die minder zichtbaar is, maar volgens De Keyser essentieel voor de langetermijnlevensvatbaarheid van de creatieve sector.
YouTube: van piraterij naar partner via pragmatisme
YouTube was jarenlang de gangmaker van auteursrechtenschendingen. Mensen uploadden massaal muziek, films, fragmenten, vaak zonder toestemming. De reactie van rechthebbenden was even hard als onhandig: video's werden offline gehaald, accounts geblokkeerd, soms op basis van automatische detectie die ook weleens de plank missloeg.
“YouTube heeft ook echt heel lang een copyright probleem gehad. Video's werden echt offline gehaald en eigenlijk heel drastisch in functie van de daad die was begaan.“
Maar YouTube leerde. In plaats van content te blokkeren, begon het platform deals te sluiten met rechthebbenden. Muziek mocht gebruikt worden, maar de opbrengsten, de advertentie-inkomsten, gingen naar de rechthebbenden. Dat was geen altruïsme, maar pragmatisme: een platform zonder content is geen platform. En auteurs realiseerden zich dat zichtbaarheid ook waarde heeft, zelfs als de vergoeding per view marginaal blijft.
Vandaag is YouTube een van de partijen waarmee Sabam aan tafel zit. Maar de onderhandelingen blijven moeilijk. Grote platforms zoals YouTube, Meta en Twitch hebben de neiging om contactpersonen te laten verdwijnen in een bureaucratisch doolhof. Een collega die eigenlijk niet bevoegd is verwijst naar een andere collega, die weer doorverwijst, tot je maanden verder bent en nog altijd geen concrete afspraak hebt.
“Meta, YouTube, Twitch, het is ongelooflijk moeilijk om die mensen te bereiken. Je wordt bezig gehouden, doorverwezen naar collega's, tot ik weet niet hoe lang.“
Het is een strategie die De Keyser openlijk herkent en benoemt: vertragen, verwarren, uitstellen. Grote techbedrijven zijn meesters in het vermijden van directe onderhandelingen. Ze hebben geen gebrek aan geld, maar wel aan wil om een groter deel van hun omzet af te staan aan makers.
Daarom trekt Sabam steeds vaker op Europees niveau op. Samen met de Britse, Zweedse en andere zusterorganisaties wordt er onderhandeld. De macht van het collectief maakt het verschil, al blijft het een gevecht. Een individuele Belgische auteur krijgt de deur van Spotify niet open. Sabam namens 50.000 leden krijgt die deur wél open, maar wat er aan de onderhandelingstafel gebeurt, blijft een uitdaging.
Artificiële intelligentie: het nieuwe grijze gebied
Als er één onderwerp is waarover De Keyser zich zichtbaar zorgen maakt, dan is het AI. Niet omdat hij tegen technologische vooruitgang is, maar omdat de fundamentele afspraak, dat wie werk gebruikt daarvoor betaalt, op grote schaal onder druk staat.
“Het werk dat ze gecreëerd hebben wordt echt gebruikt door bedrijven die artificiële intelligentie maken, maar daar wordt niks voor vergoed.“
De trainingsdata waarop ChatGPT, Midjourney en andere AI-modellen zijn gebouwd, bestaan voor een groot deel uit auteursrechtelijk beschermd werk: teksten, muziek, beelden, scenario's. Die data zijn simpelweg gescraped van het internet, zonder toestemming, zonder vergoeding, zonder zelfs maar de vraag te stellen of dit wel oké is.
“Die bedrijven zijn er al 10 jaar mee bezig. Dat is eigenlijk al heel lang dat heel veel gescript is van auteursrechtelijk beschermd werk zonder dat er een euro teruggaat naar onze auteurs.“
Europa probeert in te grijpen met regelgeving die makers de mogelijkheid geeft om een voorbehoud te maken, een digitaal vlaggetje dat zegt: mijn werk mag niet gebruikt worden voor AI-training. Maar dat vereist technische stappen die voor veel makers onhaalbaar zijn. En bovendien: de schade is al aangericht. De modellen zijn al getraind.
De Keyser is pragmatisch in zijn oplossing. Hij beseft dat het onmogelijk is om achteraf elke individuele maker te compenseren voor elk stukje data dat in een AI-model is beland. En hij erkent ook dat innovaties zoals AI nooit van de grond waren gekomen als elke datapunt individueel moest worden gelicentieerd. Maar hij stelt voor dat bedrijven die AI-modellen commercialiseren, een algemene vergoeding betalen aan collectieve beheersorganisaties, die dat vervolgens verdelen onder makers.
“Je kunt een soort deal maken dat je je data ter beschikking stelt, maar als er iets uit volgt dat er dan een vergoeding is.“
Het is geen science fiction. Vergelijkbare afspraken bestaan al voor radio en tv. Maar het vereist wel dat overheden en platforms erkennen dat AI niet uit het niets ontstaat, maar voortbouwt op het werk van miljoenen makers. De Keyser benadrukt: “Wij zijn niet tegen artificiële intelligentie. We zeggen alleen: als ge ons werk gebruikt en je verdient er geld mee, opnieuw hetzelfde, wij hebben recht op een deeltje want wij zijn daar essentieel in.“
Voor De Keyser is de AI-kwestie de moderne variant van piraterij. Niet bewuste diefstal misschien, maar wel gebruik zonder compensatie. En het moet nu aangepakt worden, voordat het als normaal gaat aanvoelen.
Het geld: 210 miljoen in, 130 miljoen uit
Sabam inde vorig jaar 210 miljoen euro. Dat klinkt als veel, tot je beseft dat daar ook bedragen inzitten voor twee zustermaatschappijen, PlayRight en Simim, die zich bezighouden met naburige rechten voor uitvoerende kunstenaars. Van dat totaalbedrag ging 130 miljoen rechtstreeks naar de leden van Sabam zelf.
“Wij hebben vorig jaar in totaal 210 miljoen euro geïnd. Naar leden van Sabam hebben we 130 miljoen verdeeld.“
De werkingskosten van Sabam liggen rond de 15 procent. Dat is beduidend lager dan de 30 procent die Spotify in zijn eigen zak steekt. Het verschil is fundamenteel: Sabam is geen commerciële onderneming, maar een coöperatieve structuur die eigendom is van de auteurs zelf. Winst maken is niet het doel. Als er al een overschot zou zijn, vloeit dat terug naar de leden.
Die 15 procent dekt een enorme operatie. Sabam is in essentie een databedrijf geworden, dat miljoenen transacties verwerkt, herkent, linkt en verdeelt. De organisatie investeert fors in digitalisering en algoritmes. Niet omdat het hip is, maar omdat het de enige manier is om het volume aan te kunnen.
“Wij zijn in volle transitie naar echt een digitaal technologie algoritme bedrijf. We moeten met heel veel data kunnen omgaan.“
De organisatie beheert ook nog een Fonds for Culture, dat jaarlijks bijna 2 miljoen euro uitkeert aan makers: beurzen voor jonge artiesten die hun eerste productie maken of deelnemen aan writing camps, steun voor evenementen gaande van de MIA's tot Humo's Rock Rally, van Theater aan Zee tot literatuurprojecten. Het is een vorm van solidariteit binnen de sector, waarbij succesvolle makers meebetalen aan de ontwikkeling van nieuw talent.
De grootste inkomstenbron blijft vooralsnog de Belgische markt: concerten, festivals, gebruik in cafés en bedrijven. Streaming groeit, maar trager dan in buurlanden. Dat heeft alles te maken met de twee factoren die eerder al aan bod kwamen: minder betalende abonnementen en een voorkeur voor internationaal repertoire.
“De grootste bronnen van inkomsten komen nog steeds uit wat er in België gebeurt: concerten, festivals. We hebben geluk dat we een fantastisch festivalland zijn.“
De subsidievraag: nul komma nul
Een opvallend detail, dat De Keyser met nadruk benadrukt: Sabam ontvangt geen enkele subsidie. Nul komma nul. Dat is bijzonder in een land waar de culturele sector voor een groot deel op overheidssteun draait. Sabam is volledig zelfbedruipend, gefinancierd door de vergoedingen die het int namens zijn leden.
“Wij ontvangen geen subsidies. 0,0 subsidies.“
Die onafhankelijkheid is bewust. Het maakt Sabam tot een zuivere belangenbehartiger, zonder politieke afhankelijkheden of beleidsmatige beperkingen. Maar het maakt de organisatie ook kwetsbaar. Als de inkomsten stagneren, is er geen vangnet. Als een groot platform weigert te betalen, is er geen overheid die bijspringt.
Het dwingt Sabam ook tot efficiëntie. Elke euro wordt twee keer omgedraaid voor hij wordt uitgegeven, zegt De Keyser. Dat is niet alleen financiële discipline, maar ook een kwestie van legitimiteit. Als je aan de deur klopt bij een café-uitbater en vraagt om auteursrechten te betalen, kun je niet zelf in luxe baden.
Reprobel: de zusterorganisatie met imagoproblemen
Halverwege het gesprek komt de naam Reprobel voorbij, en de sfeer verandert subtiel. Reprobel is de organisatie die instaat voor de vergoeding van reproductierechten: het kopiëren, scannen en digitaliseren van auteursrechtelijk beschermd werk. Decennialang ging het over fotokopieën. Vandaag gaat het over servers, PDF's, digitale archieven.
De Keyser leidde Reprobel een tijdje en bracht het samen met Sabam en een derde organisatie, Auvibel, in een efficiënter model. Onder zijn leiding werd de focus verlegd van enkel fotokopieën naar een bredere licentie voor digitale reproductie. “Als we blijven focussen op fotocopies, kunnen we binnen zes maand onze boeltje opkuisen,“ zegt hij. “Wat gebeurt er nu in de markt? We zijn volop aan het digitaliseren. We hebben een licentie ontwikkeld die ervoor zorgt dat als je niet alleen fotocopie maakt maar digitaliseert, je die zaken legaal op je server kunt zetten.“
De filosofie erachter is verdedigbaar: als je als bedrijf documenten scant, digitaal archiveert, intern deelt, dan reproduceer je auteursrechtelijk beschermd werk. Daarvoor is in principe een licentie nodig. Reprobel biedt een eenvoudige, forfaitaire licentie aan die dat dekt.
Maar de uitvoering wringt. Bedrijven krijgen het gevoel dat ze verplicht worden om iets te betalen, ook als ze nauwelijks reproduceren. De communicatie is vaak onduidelijk. En de legitimiteit van de vraag is niet altijd evident, zeker voor kleine ondernemers die bewust proberen enkel royalty-free content te gebruiken of rechtstreeks betalen voor wat ze nodig hebben.
De Keyser neemt hier voorzichtig afstand, maar verdedigt ook de kerngedachte. Hij erkent dat de vorm waarop de filosofie wordt uitgevoerd, verbeterpunten heeft. “De filosofie is goed, de uitwerking is waar aldiover gedebatteerd kan worden,“ zegt hij. Zijn advies is diplomatiek: lees de mail goed, ga in dialoog met Reprobel, en probeer te begrijpen wat je wel en niet moet betalen. Voor de meeste bedrijven blijven de bedragen beperkt. Maar transparantie en empathie blijven cruciaal, ook bij Reprobel, erkent hij.
Kunnen makers leven van auteursrecht?
De vraag komt laat in het gesprek, maar hij is fundamenteel. Kun je als auteur leven van de vergoedingen die Sabam uitkeert? Het antwoord is eerlijk, en voorzichtig: voor de overgrote meerderheid waarschijnlijk niet als enige inkomensbron.
Er is altijd een kleine groep, auteurs met een lange staat van dienst, met internationale successen, die behoorlijke inkomsten genereren uit auteursrechten. Maar dat zijn de uitzonderingen. Voor de meeste makers is wat Sabam uitkeert een aanvulling, geen hoofdinkomen. Het geld gaat meteen terug in de werkpraktijk: nieuwe apparatuur, deelname aan writing camps, investeren in projecten.
“De meeste van de auteurs, wat dat zij van ons krijgen, dat gaat onmiddellijk terug in hun werkdag.“
Wat auteursrecht wel biedt, is een langetermijnperspectief. Zolang een werk gebruikt wordt, blijft er een vergoeding terugvloeien. Voor sommige makers wordt dat na jaren een belangrijk vangnet. Maar om daarvan te leven, moet je werk wereldwijd worden afgespeeld, jarenlang, in grote volumes. En zelfs dan blijft het voor velen onvoldoende als hoofdinkomen.
De Keyser benadrukt dat het probleem