De Melkerij, een Jack Honey en een filosoof die niet hoopt ▶ 0:46
In De Melkerij in Brasschaat staat de fles Jack Honey klaar. Tinneke Beeckman, filosoof en columnist bij De Standaard, kijkt er voorzichtig naar, neemt een eerste teug en noemt het zoeter dan een gewone Jack. “Toegankelijker.“ Aan tafel zit een vrouw die haar hele leven probeert om concrete ervaringen op te tillen tot een idee, en die meteen het gesprek kantelt naar het probleem dat haar momenteel het meest interesseert: het verschil tussen normaliteit en ziekte. De boys waarschuwen haar dat de podcast eigenlijk al begonnen is voor de podcast begon. Ze lacht en accepteert het.
Wat volgt is een klein traktaat in vijf hoofdstukken: hoe een samenleving die alles wil benoemen vermoeider wordt, hoe het individu een afgodsbeeld is geworden, hoe vertrouwen iets fundamenteler is dan hoop, hoe het politieke centrum zichzelf heeft uitgeput, en hoe de negativiteit verstandig beheerd hoort te worden.
“Het individu dat alles moet kunnen, dat is echt gewoon totaal absurd, en ook waarbij dat je in een competitie staat tegenover anderen in plaats van in een soort vertrouwensband.“
"Iedereen heeft ADHD, vroeger was een kind gewoon druk" ▶ 6:07
Beeckman opent met een column die ze vorig jaar schreef. “Volgens KCE“, zegt ze, “zou 22 procent van de Vlamingen vorig jaar aan een psychische ziekte geleden hebben. Dat is 1 op 5, dat is ongelooflijk veel.“ Niet om iemand een diagnose te ontnemen, wel om een tendens bloot te leggen. Iedereen heeft tegenwoordig iets, zegt ze, vroeger was een kind gewoon druk en moest het rustig leren zijn. Nu wordt dat een label, een identiteit, soms ook een fundament waar iemand niet meer uit raakt.
De filosoof verwijst naar het werk van Allen Frances, de Amerikaanse psychiater die meewerkte aan de DSM-3 en de DSM-4 en achteraf de oprekking van zijn eigen vakgebied bekritiseerde. Beeckman leest uit zijn werk een ongemakkelijk inzicht voor.
“De beste voorspeller of een kind ADHD krijgt, is de verjaardag. Als je aan het einde van het jaar verjaart heb je twee keer zoveel kans om die diagnose toegewezen te krijgen.“
De verklaring is even prozaïsch als pijnlijk. In één klas zitten kinderen die soms bijna een jaar leeftijdsverschil hebben. Wie in december geboren is, is biologisch nog niet rijp voor de stille rust die het systeem verwacht. Het kind krijgt een label, het krijgt medicatie, het krijgt een lot. “Voor de leraar is het opgelost“, zegt Beeckman, “voor de ouders ook, met die medicatie zit hij stil. Bij sommige kinderen is dat nodig, maar als je ziet hoe het toeneemt, stel ik me daar wel vragen bij.“
De hosts duwen even terug. Is het niet gewoon zo dat we vandaag beter detecteren? Beeckman erkent dat ruimhartig, het gaat haar niet om de echte gevallen, het gaat om de richting. Ze vermoedt dat ze zelf, als kind onderzocht, een ADHD-label had kunnen krijgen, en is dankbaar dat ze dat nooit gedaan heeft.
Bijzonder als nieuwe norm ▶ 9:59
Van ADHD glijdt het gesprek naar de uitvinding van de Gauss-curve in de negentiende eeuw. Beeckman schetst hoe iets dat begon als een statistische beschrijving van de wereld, geleidelijk een norm werd. “Je valt niet in de norm, dan ben je abnormaal“, zegt ze, “en dan wordt dat een ideaal in plaats van gewoon te zeggen, sommige mensen zijn anders dan de andere.“ In de twintigste eeuw vinden we het sublieme in normaliteit, in de eenentwintigste vinden we het in haar tegenpool.
“Iedereen wil tegenwoordig bijzonder zijn, maar als iedereen bijzonder is, is niemand het meer.“
Beeckman illustreert het met de pianiste Martha Argerich, die als kind al een wonder was en zich als kleuter al een aapje in een circus voelde. Argerich wilde gewoon spelen met andere kinderen, gewoon normaal zijn. Vandaag de dag, zegt Beeckman, willen mensen het tegenovergestelde, ze willen het bijzondere koste wat kost. Tatoeages, dieet, identiteit, ze worden allemaal aanleiding voor onderscheiding. Wie zich daar niet bij neerlegt, voelt een onzichtbare druk.
De hosts vragen of die druk niet samenhangt met het wegvallen van traditie. Vroeger was je vaders zoon de slager. Vandaag, zegt Beeckman, is de jonge mens een tabula rasa met te veel keuze. “De mens is niet gemaakt om dat aan te kunnen, dus zoek je mental shortcuts.“ Vegetarisme, veganisme, identitaire labels, ze worden shortcuts die soms helpen en soms vastzetten.
"Ik ben tegen de hoop" ▶ 19:15
De boys vertellen Beeckman dat ze zelf een hoofdstuk over sociale cohesie en vertrouwen aan het schrijven zijn. Het is precies dat woord, vertrouwen, dat ze in haar laatste columns omhelst. Maar eerst moet er een ander woord weg.
“Ik ben tegen de hoop, ik vind dat onzin, hoop is een verwachting zonder dat je weet welke actie erbij hoort. Vertrouwen is veel belangrijker.“
Voor Beeckman is hoop te passief, te veel een gebed, te weinig een houding. Vertrouwen daarentegen is een sprong, het accepteert dat de ander je kan ontgoochelen en kiest desondanks voor verbinding. “Vertrouwen is altijd een onzekerheid, anders was het geen vertrouwen.“ De hosts vragen of dat niet juist het breekpunt is, dat veel mensen wel willen vertrouwen maar niet klaar zijn voor de tegenslag wanneer dat vertrouwen beschaamd wordt. Beeckman knikt. Dat is volgens haar de hedendaagse fragiliteit, een verlangen naar verbinding zonder bereidheid de prijs te betalen die verbinding vraagt.
Van daaruit komt ze tot een korte filippica tegen het marktdenken in samenlevingen.
“We moeten af van het idee dat een samenleving een markt is van individuen die allemaal tegenover elkaar staan.“
De pushback van de hosts is mild maar reëel. Misschien is het monetair systeem, zeggen ze, juist het mechanisme dat acht miljard mensen toelaat samen te werken zonder elkaar persoonlijk te kennen. Beeckman concedeert. Ze ontkent niet dat transacties veel mogelijk maken, ze waarschuwt dat het transactionele alleen geen samenleving optilt. Het mist de sprong, het mist het vertrouwen.
Zinvolheid in een uitdijend universum ▶ 23:03
De boys leggen een existentiële vraag op tafel. Kan een mens zinvol zijn, en zo ja, voor wie? Beeckman beantwoordt het met de rust van iemand die de vraag al jaren stelt. Voor zichzelf, voor anderen, voor een eindige aarde, voor een zon die in een paar miljard jaar de aarde zal opslorpen, ze loopt het allemaal door.
“Het feit dat iets eindig is in de tijd maakt het niet minder echt op dat moment, het enige dat er bestaat is het nu.“
De hosts trekken haar verder, naar de absolute zingeving die voorbij het persoonlijke nu reikt. Beeckman geeft toe dat ze met dat concept jarenlang worstelde en dat het haar nu minder kwelt. “Ik merk dat ik de vraag stel terwijl ik er rustiger in word.“ Het is niet de afwezigheid van het probleem, het is de aanwezigheid van een nieuw soort gelatenheid. Naast haar zit een tafel die meelacht, omdat de spanning tussen de boys, die zin willen vinden, en de filosoof, die accepteert dat de zin zich niet laat dwingen, lichtjes voelbaar is.
Van daaruit pleit Beeckman voor meer ruimte voor de overkoepelende vragen die in een samenleving van permanente crisismodus geen lucht meer krijgen. “We zijn zo constant bezig met crisissen en met overleven dat we minder bezig zijn met de overkoepelende thema's, terwijl die net voor verbinding kunnen zorgen.“ Niet ingevuld door godsdienst, beklemtoont ze, wel door een gedeelde menselijke rede.
Internationale Vrouwendag, en een blik over de schouder ▶ 30:38
Het gesprek vindt plaats op of vlak na Internationale Vrouwendag. Een van de hosts grapt of het vroeger niet leuker was voor mannen. Beeckman antwoordt nuchter. Vrouwen hadden minder toegang tot hogere posities en minder vrijheid. “Ik zou er niet naar terug willen, vandaag“, zegt ze. Het verleden was zelden zo goed als het nu vaak wordt geromantiseerd, ook voor mannen, want plicht is een naam voor wat vroegere generaties als vervreemding hebben ervaren zonder de woorden ervoor te hebben.
De hosts zien dat de samenleving vroeger “vrijer“ leek, met minder regels en meer gedeelde normen. Beeckman houdt het open. “Maar als ik mijn ouders hoor zeggen dat ze zich altijd goed hebben geamuseerd, dan denk ik dat dat ook waar is.“ Een typische Beeckman-zin, ze relativeert de generatie die alles benoemt door één observatie van een generatie die het zonder benoemen deed.
Waarom centrumpartijen steeds verder krimpen ▶ 32:56
Nu wordt het concreet politiek. Beeckman ziet de gelijktijdige groei van Vlaams Belang en PVDA niet als een dubbele anomalie, maar als één gedeelde reactie.
“De ideologie van de voorbije twintig, dertig jaar van het individu en de globalisering, daarvoor zoeken mensen vandaag een alternatief, en die extremen hebben allebei een idee van gemeenschap.“
Voor Beeckman is dat de sleutel: zowel de extreemlinkse als de extreemrechtse pool bieden iets dat het centrum niet meer biedt, een collectief verhaal. De ene definieert het collectief in termen van klasse, de andere in termen van etniciteit. Beide voeden de honger naar ergens-bij-horen die het centrum lange tijd heeft afgeleerd.
Haar diagnose van het centrum is messcherp.
“Wat zegt CD&V vandaag de dag, je weet het eigenlijk gewoon niet, en bij Open Vld zeggen ze van alles, dat is liberaal, maar als er een coronacrisis is dan grijpen ze volledig in en daarna geven ze daar nooit een uitleg over.“
De boys testen haar. Maar mensen klagen toch dat het te emotioneel is, vragen ze, willen die niet juist meer pragmatisme? Beeckman erkent de spanning, en wijst dan op het echte probleem. Het centrum bestuurt, ja, maar bestuurt vaak ook gewoon niet goed. Onderwijs, kinderopvang, infrastructuur. Mensen voelen dat hun belastinggeld onvoldoende waarde teruggeeft. “En als je dan geen verhaal hebt naast dat pragmatische bestuur, dan wordt het wel heel moeilijk.“
De Wetstraat als wedstrijd ▶ 36:00
De boys vragen of het pragmatisme van het centrum dan niet juist aantrekkelijker is dan het schreeuwwerk van de uitersten. Beeckman keert het om.
“De verkiezingen worden gespeeld als een wedstrijd waarbij je je tegenstanders mag onderuit trappen, en wat mensen echt beleven, wordt veel te weinig in de inhoud besproken.“
Het is volgens haar een Amerikanisering, met de gevolgen die in de Verenigde Staten al zichtbaar zijn. Wallstreet, Washington, geblokkeerd, met partijen die liever het succes van de tegenstander saboteren dan zelf hervormen. Beeckman raakt hier opvallend geërgerd. “Het is echt niet waar mensen op zitten te wachten, en ik snap niet dat ze dat niet snappen.“
De hosts trekken het gesprek naar de schaal van België. Op een schaal van 1 tot 10, vragen ze, hoe ver staan we van een breekpunt? Beeckman aarzelt en grijpt naar Hemingway.
“Hemingway heeft zo'n verhaal over een plotse wending, slowly slowly and then suddenly, van één tot drie duurt heel lang, maar van drie tot tien gaat het heel snel.“
Waar we nu staan, weet ze niet, maar ze noemt de volgende legislatuur “niet vol te houden op termijn“. De wiskunde van de particratie speelt tegen het centrum, legt ze uit. “De partijen die regeren dalen tegelijk, de uitgesloten partijen worden groter, dus die kleine partijen worden steeds belangrijker.“ Het cordon sanitaire houdt twee groeiende stemmen buiten de macht, terwijl de overblijvende partijen mathematisch verschralen tot dezelfde gezichten in dezelfde foto.
Beeckman illustreert het met een herinnering uit haar jeugd. “Toen ik jong was, lang geleden, had de Vld 24 zetels in het federaal parlement, nu staan ze op 12 en zijn ze nog aan het dalen, en toch denken ze nog dat ze opnieuw de premier kunnen leveren.“ Vlaamse politiek als groundhog day.
Onmacht aan tafel met de macht ▶ 40:40
Het gesprek schuift naar het meest paradoxale Vlaamse gevoel: iedereen voelt zich onmachtig, ook de mensen aan de macht. De boys halen hun eigen ervaring aan, want ze hebben in deze podcast intussen veel politici gesproken. Beeckman herkent het.
“Politici zitten allemaal op datzelfde schip, ze kunnen niet buiten zichzelf treden om vanuit een breder perspectief te zien hoe vreemd ze zich gedragen.“
Elk van hen erkent individueel de kritiek, ziet het probleem, geeft toe dat het systeem averij oploopt. En toch verandert er niets, want elk van hen denkt dat zijn eigenbelang hem dwingt om stil te blijven aan boord. Beeckman vergelijkt het met de presidentskeuze in de VS waar Trump tegen Biden niemand wil maar iedereen krijgt. Een meerderheid van de bevolking wil iets anders, en toch komt het er niet.
Van de politici trekt het gesprek naar de mensen die de politiek bevolken. Beeckman waarschuwt voor het selectie-effect.
“Op de duur krijg je nog alleen karaktergestoorde mensen die die permanente vernedering willen ondergaan in zo'n job, want andere mensen met talent doen dat niet meer.“
De hosts knikken. Ze hebben in dit format zelf gezien hoe hard sommige politici werken, hoe vaak ze met onmacht en negatieve media moeten leven. Beeckman vindt het kwalijk dat de media die negativiteit zo dik aanzet dat het talent uit de Wetstraat wegspoelt.
Negativiteit als urge ▶ 48:22
Van de politiek glijdt het gesprek terug naar de psychologie. Waarom blijven mensen elkaar en zichzelf in dezelfde negatieve carrousel zetten? Beeckman aarzelt niet.
“Negativiteit is sensatie, en de mens geniet van sensatie, daarom is angst zo aantrekkelijk in de media.“
Een van de boys gooit een sterkere stelling op tafel. Mensen worden niet alleen aangetrokken door negativiteit, ze willen er soms in blijven hangen. “Als mensen depressief zijn, willen ze depressief zijn, dat trekt letterlijk aan, dat is een urge.“ Beeckman geeft toe dat ze dat zelf niet zo voelt, maar ze ontkent niet dat het gebeurt. Ze relativeert het door het te koppelen aan zelfbehoud, angst is niet zomaar slecht, het beschermt ons. Toch erkent ze dat de mens als collectief makkelijker naar het negatieve leunt dan naar het positieve. Innovatie zelf vertrekt vanuit een negatief oordeel, namelijk dat wat is, niet goed genoeg is.
Van daaruit komt een fragmentje praktische filosofie. “Mensen denken dat spullen kopen hen gelukkig maakt, terwijl onderzoek aantoont dat tijd doorbrengen met de mensen van wie je houdt en cadeautjes geven veel meer geluk geeft.“ Beeckman pleit voor een onderscheid tussen het urgente en het belangrijke, een onderscheid dat ze vooral met de jaren beter krijgt. “Ik vind ouder worden plezant“, zegt ze, “omdat het veel makkelijker is om te zeggen wat echt niet aantrekt.“
En dan, half terloops, een nuance die de stoïcijnen zou hebben blij gemaakt. “Een positieve negativiteit is dingen opgeven voor iets of iemand. Sacrifice. Dat is wat zinvol gevoel maakt.“ In één zin keert ze het modewoord opoffering om in een levensvoorwaarde.
Bob Dylan en de man die zijn tanden poetst ▶ 56:07
Wanneer de boys haar vragen of we niet allemaal in twee, drie woorden moeten kunnen zeggen wat we zijn, draait Beeckman het om. Ze haalt Bob Dylan aan, gevraagd naar zijn ware identiteit als zanger of dichter of gitarist.
“Bij Bob Dylan vroegen ze, wat ben je nu, een zanger, een dichter, een gitarist, en hij zei, 's ochtends sta ik op, ik poets mijn tanden en ik probeer de dag door te komen.“
Voor Beeckman is dat antwoord geen ontwijking, maar wijsheid. De stickers die anderen op u plakken, ze zijn het probleem. Iemand die schrijft op de dag dat hij schrijft, is een schrijver, iemand die zingt op de dag dat hij zingt, is een zanger. Daartussen zit een mens die uit zijn bed komt en zijn dag probeert te halen.
De boys reageren met een zinvolle pushback. Op het collectieve niveau, zeggen ze, lijkt die flexibiliteit tegen mensen te werken, want werkgevers, scholen en algoritmes verwachten dat we onszelf in een hokje verklaren. Beeckman erkent het, maar ziet ook beweging. Mensen wisselen vandaag vaker van werk, van richting, van rol. “In die zin zijn we daar wel iets flexibeler in geworden.“ De spanning tussen wat je bent en hoe je beoordeeld wordt, lost ze niet op, ze leert ermee leven.
Absurdisme als stemming, niet als ideologie ▶ 57:39
Na Bob Dylan komt Albert Camus. De hosts willen weten of het absurdisme voor Beeckman een richtingaanwijzer is voor het denken vandaag. Haar antwoord is helder en ontnuchterend.
Het absurdisme, zegt ze, is geen ideologie maar een stemming. Het overvalt mensen wanneer hun verbinding met de wereld is weggevallen, wanneer alles waarmee ze betekenis maakten ineens gewicht verliest. In dat moment wordt de filosofie van Camus relevant, niet als systeem maar als gezelschap. Ze beschrijft hoe L'Etranger opent met een man in een gevangenis die niets meer voelt voor de wereld, en hoe La Nausee van Sartre vergelijkbaar uitpakt, een walg die uit angst en verveling tegelijk bestaat.
Voor Beeckman blijft Camus uiteindelijk de positievere van de twee, omdat hij het beeld van Sisyphus oppikt en eindigt met een paradox: “Il faut imaginer Sisyphe heureux.“ De steen rolt naar beneden, de mens duwt opnieuw, maar in de intensiteit van het duwen ligt de waardigheid. Niet de zin van het universum, wel de zin van het pogen.
Vertrouwen in mensen die op de extremen stemmen ▶ 59:58
De boys stellen de slotvraag: wat maakt u hoopvol? Beeckman lacht omdat ze net hoop heeft afgewezen. “Vertrouwen, niet hoop“, corrigeert ze zichzelf. En dan wordt ze concreet.
“Ik heb meegewerkt aan de Canon, en als je ziet wat er allemaal in het verleden is gebeurd en hoe mensen daar zijn uitgekomen, dan geloof ik wel in de kracht van mensen om geweldige dingen te doen.“
Dat ze meewerkt aan de Vlaamse Canon, levert haar een soort historische ankerplaats. Mensen zijn al door erger heen gegaan en eruit gekomen. Ze gelooft in de mensen die op de extremen stemmen, niet omdat ze hun keuzes deelt, maar omdat ze leest dat ze verandering willen, en omdat ze het politieke aanbod onvoldoende vindt. “Ik denk dat er nieuwe vormen van leiderschap zullen ontwikkelen“, zegt ze, en dat klinkt als wat het is, vertrouwen.
De boys leggen er de eerlijke pessimistische versie naast. Met klimaatcrisis, migratie, oorlog, met een hele generatie die deels in fight, deels in freeze zit, lijkt iets drastisch onafwendbaar. Beeckman knikt en houdt vast aan een onderscheid tussen vooruitgang en groei. “Misschien moeten we ook leren leven met minder. Maar dat is erop vooruitgaan, want dan zou de mens als collectief geleerd hebben dat meer en extremer niet altijd beter is.“
"Bij argumenten winnen wint niemand bij" ▶ 1:04:34
De afronding gaat onverwacht over de stijl van het debat zelf. Beeckman vreest dat alles, ook het rationele, vandaag op een emotionele manier wordt verdedigd. Iedereen trekt de kaart van de waarheid op een toon die vooral over identiteit gaat, niet over inhoud. Ze formuleert het kort.
“Bij argumenten winnen wint niemand bij, goede ideeën laten winnen, dan wint iedereen.“
De taboes en de schroom dat we elkaar kwetsen, daar is volgens haar niets mee mis op zich, behalve dat ze de productieve botsing van ideeën verlammen. Een samenleving heeft die botsing nodig, niet om een tegenstander neer te halen, wel om het beste idee bovendrijven te zien. Een van de hosts erkent ruiterlijk dat hij ook in die val trapt, dat hij soms argumenteert om te winnen. Beeckman lacht, en zegt dat veel filosofen daar inzichten over hebben die in elk debat van vandaag van pas zouden komen.
Net voor het einde voegt een van de hosts nog een korte disclaimer toe. “De zon schijnt sinds gisteren of eergisteren voor de eerste keer, dus misschien is het pessimisme dat in mij zit of in ons zit, binnenkort terug weg.“ Beeckman lacht. Ze geeft toe dat ze daar evenzeer gevoelig voor is. “Ik denk dat ik overdreven optimistisch ben gewoon door het mooi weer.“ Het is een typisch Beeckman-slot, een filosofische zin die zichzelf met een knipoog ondergraaft.
Discours, dialoog en de moeite om iemand niet te overtuigen ▶ 1:05:21
De Melkerij dooft langzaam. De fles Jack Honey staat halfvol, de glazen leeg. Wat blijft hangen, is niet één stelling, maar een houding. Tinneke Beeckman heeft anderhalf uur lang weinig nieuwe doctrines verdedigd, ze heeft vooral oude woorden opnieuw aangescherpt. Vertrouwen in plaats van hoop. Botsing in plaats van confrontatie. Sacrifice als positieve negativiteit. Bob Dylan in plaats van een sticker.
Voor de boys, die hun format draaien rond degelijkheid en dialoog, vat dit gesprek de missie van Discours samen. Niet schreeuwen om gehoord te worden, niet één label op een mens kleven. Wel zitten met een filosoof, drie keer terug pushen wanneer dat moet, en op het einde niet weglopen met een conclusie maar met een vraag.
“Bij argumenten winnen wint niemand bij. Goede ideeën laten winnen, dan wint iedereen.“ Het is misschien de zin die deze aflevering 145 in één lijntje samenvat, en die meteen ook beschrijft waarom Discours bestaat.