Brieuc Van Damme over filantropie als experiment: "Wij zijn die middelman tussen kapitaal en uiteindelijk project"

In De Melkerij in Brasschaat schuift Brieuc Van Damme aan met een gintje en een hoffelijk verontschuldigend lachje. De CEO van de Koning Boudewijnstichting is iets meer dan twee jaar aan de slag in het meest discrete kapitaalverzamelhuis van België, een organisatie die vandaag bijna 200 miljoen euro per jaar uitgeeft aan filantropische projecten zonder dat de gemiddelde Vlaming er een specifiek idee bij heeft. Aan tafel ontrolt zich een gesprek over vertrouwen, controle, ideologie en wat het betekent om in 2024 nog kerken te willen bouwen.

“Wij zijn allemaal gewoon debielen die in de donker naar tasten. En dat is wel heel veel waard.“

Van Damme spreekt zoals iemand die gewoon is in raden van bestuur te zitten waar elk woord telt, maar hij komt naar voor met iets ongewoons voor een topman: hij durft hardop te twijfelen aan zijn eigen instituut, aan de meetbaarheidsdrang die zich vandaag in elke sector heeft genesteld, en aan een politiek systeem dat volgens hem gevangen zit in een eindeloze controlespiraal.

"Wij proberen mensen die willen helpen te helpen" ▶ 1:31

De gangbare misvatting eerst weggehaald. De Koning Boudewijnstichting is geen overheidsorgaan, en heeft eigenlijk ook geen formele banden meer met het paleis. Wel een vertegenwoordiger van de koning in de raad van bestuur, maar daar stopt het. Het verhaal begint in 1976, met een kapitaal opgehaald door munten met de beeltenis van Boudewijn te verkopen aan de samenleving. Boudewijn zelf, zo herinnert Van Damme, was daar nadrukkelijk over: dat geld mocht geen koninklijke speeltuin worden.

“Koning Boudewijn die natuurlijk een puriteins man was, heeft gezegd: kijk, dat mag niet mijn stichting zijn. Ik ga die teruggeven aan de mensen en die moeten totaal onafhankelijk zijn.“

Vandaag verzamelt de stichting privégeld van mensen die maatschappelijke impact willen realiseren, vanaf 75.000 euro per fonds. Iemand die een kind heeft met een autismespectrumstoornis kan een fonds opzetten rond autisme. Een ondernemer die zijn vermogen wil inzetten voor cultuureducatie krijgt een vehikel. De stichting is, in Van Dammes eigen woorden, de middelman tussen kapitaal en project, een rol die in Vlaanderen weinig zichtbare promotie krijgt.

Hoe meet je impact zonder de ziel uit het project te halen ▶ 4:35

De moeilijkste vraag uit het hele filantropie-vak komt vroeg op tafel: hoe meet je of een investering iets heeft opgeleverd? Van Damme aarzelt niet om de paradox te benoemen. Cijfers zijn aantrekkelijk, omdat ze fondsenwervers en bestuurders het comfortabele gevoel geven dat ze iets bijdragen. Maar wie alles wil kwantificeren, dreigt te eindigen met enkel de projecten die zich laten meten.

“Ik vind ook te gemakkelijk om te zeggen het is moeilijk, dus we doen niks.“

Hij wil dat zijn stichting beter wordt in het tonen van wat zij realiseert, maar bewaakt tegelijk een onontkoombare voorbehoud. Sommige impact is per definitie onzichtbaar. Hij haalt een concreet voorbeeld aan uit 2013: een initiatief dat jongeren van verschillende achtergronden samenbracht om over de grote vragen van hun tijd na te denken. Zeven jaar later zaten vier van die jongeren in vier verschillende partijen aan de onderhandelingstafel voor een nieuw regeerakkoord. Hoe meet je zoiets? Van Damme glimlacht: bijna onmogelijk. En toch is dat precies waarom de stichting het deed.

Vertrouwen als beleidskeuze, geen luxe ▶ 9:57

Het meest persoonlijke standpunt van Van Damme zit in zijn voorkeur voor vertrouwen boven controle. Filantropie heeft de neiging om elke euro vooraf in een papierwinkel te willen verantwoorden: men wil weten waar de huur naartoe gaat, of het personeelsbestand klopt, of dat ene boekje noodzakelijk was. Van Damme heeft daar moeite mee.

“Ik wil persoonlijk een beetje afstappen van die strakke financiering en van die wat paternalistische kijk op: ik wil dat ge al uw uitgaven kunt verantwoorden vooraleer dat u iets gaan geven.“

Hij gelooft veel meer in organisaties en mensen die iets teweeg proberen te brengen, en in een opstapelmodel waarin de evaluatie achteraf komt. Soms gaat het slechter dan gehoopt, soms beter. Dat is, vindt hij, een gezonde manier om met maatschappelijk kapitaal om te gaan.

Het energiecrisis-experiment dat Van Damme bevestigde ▶ 11:30

Tijdens de energiecrisis van 2022 hoorde de stichting van noodvragen: vluchthuizen voor vrouwen, voedselbedeling, kinderopvang die op de rand stonden van sluiting omdat de energierekening hun werking dreigde leeg te zuigen. Het eerste voorstel op Van Dammes tafel was klassiek: laat de organisaties verantwoorden hoe ze het geld zouden gebruiken om hun rekening structureel te verlagen.

“Een hele simpele projectoproep gedaan: waarom heb je het geld nodig? Hoeveel heb je nodig? 2.500, 5.000 of 7.500?“

Hij schoof het apriori-vragenformulier opzij en koos voor radicaal vertrouwen. De resultaten verbaasden hem. Niet alleen vroegen meer dan de helft van de organisaties niet het maximumbedrag aan, achteraf stortten verschillende organisaties bedragen terug omdat de crisis korter bleek dan voorzien.

“We dachten dat die crisis maanden ging duren, maar de prijzen zijn na twee maanden eigenlijk op een aanvaardbaar niveau teruggebracht. Dus we hebben geld teruggestort, gebruiken voor anderen die misschien meer nodig hebben.“

Voor Van Damme is dit het bewijs: wie vertrouwen geeft, krijgt vertrouwen terug. Er zijn altijd rotte appels, maar daar je beleid op afstemmen leidt volgens hem tot een verstikkende controlestaat die meer kost dan ze oplost.

De vraag of we vandaag nog kerken zouden bouwen ▶ 20:50

Het meest provocerende ideeexperiment van het gesprek vertrekt vanuit een eenvoudige observatie. Vroeger gaven samenlevingen miljoenen uit aan kerken en kathedralen die geen onmiddellijke economische return opbrachten. De hosts vragen of zoiets vandaag nog mogelijk is.

“Wij zijn vandaag niet meer in staat om een kerk te bouwen, omdat we daar niet meer in zouden slagen om dergelijke gelden uit te geven zonder dat er een directe ROI tegenover staat.“

Maar Van Damme houdt zichzelf in. Misschien is fundamenteel wetenschappelijk onderzoek de hedendaagse versie van de kerk: ruimteonderzoek, deeltjesfysica, expedities naar wat we niet kennen. Daar gaan terecht miljarden naar toe zonder gegarandeerde uitkomst, gedreven door dezelfde diepgewortelde nieuwsgierigheid. Een van de hosts duwt terug: een kerk had ook een sociaal-cohesieve functie die laboratoria niet hebben. Van Damme erkent het. Misschien hebben we de gemeenschapsbinding verplaatst naar fragmentere vormen, zonder dat we beseffen wat we onderweg verloren.

Hoeveel vrije wil zit er werkelijk in een verslaving ▶ 43:59

Het gesprek glijdt naar persoonlijke verantwoordelijkheid. Eén van de hosts werpt op dat een roker zelf koos om te beginnen. Van Damme citeert onderzoek van de American Medical Association.

“Vijftig procent van uw risico om verslaving te ontwikkelen is genetisch bepaald. Vijftig procent is bepaald door uw omgeving.“

Hij trekt geen conclusie van absoluut determinisme, maar pleit voor bescheidenheid. Iemand die opgroeit in een gezin waar elke avond rookt en drinkt, ontwikkelt minder afkeer voor die producten. De overblijvende vrije wil is reëel maar veel kleiner dan onze cultuur graag wil aannemen. Voor Van Damme is dat een argument om bij sociale zekerheid een proportionele logica te hanteren, niet een binaire schuld-of-onschuldige-redenering.

"Een mening die niet op iets gebaseerd is, is minder relevant" ▶ 34:46

Een van de meest ongemakkelijke momenten in het gesprek volgt op een vraag over jongerenstemrecht. Bij de gemeenteraadsverkiezingen mogen sommige Belgische jongeren vanaf zestien jaar stemmen, maar ze moeten zich registreren. Een miljoen jongeren staan op het punt om voor het eerst hun stem uit te brengen voor verschillende beleidsniveaus tegelijk.

“Als ge die op dat moment niet de juiste informatie en instrumenten meegeeft, dan verliest ge mogelijks een miljoen jongeren die gedisengageerde burgers gaan worden voor de rest van hun leven.“

De stichting werkt samen met de Ambrassade aan een infoproject om jongeren voor de verkiezingen te bereiken. Van Damme legt het zelf moralistisch uit: eeuwenlang zijn mensen gestorven voor het recht om te stemmen, en het zou jammer zijn om die mogelijkheid te grabbelen te gooien. Een van de hosts duwt terug: zegt hij eigenlijk niet dat sommige stemmen minder waard zijn?

“Voor bepaalde mensen is het noodzakelijk om daar tools te geven om ze toe te laten om een stem uit te brengen die op iets gebaseerd is.“

Van Damme weigert het door te trekken naar een hiërarchie van stemmen. Hij vermijdt zorgvuldig de eliteboutade, maar erkent dat de spanning tussen brede inclusie en geïnformeerd stemmen niet weg te debatteren is. Een minimumleeftijd voor presidentiële kandidaten in veel landen is volgens hem geen toeval: levensrek matters.

De politiek heeft de basis verloren, en de elite weet het niet ▶ 30:53

De polarisering die hij ziet, schuift Van Damme niet enkel op de schouders van de buitenkant. Hij wijst nadrukkelijk naar de groep die zichzelf de geïnformeerde meerderheid noemt.

“Heel veel standpunten bijvoorbeeld tegenover Europa worden eigenlijk als minderwaardig beschouwd, alsof die mensen er niks van kennen. We hebben gelijk, we gaan gewoon doorduwen. En we kijken een beetje neer op die groep.“

De polarisering is voor hem een gedeelde verantwoordelijkheid, niet enkel een fenomeen aan de extremen. Wie zich verheven voelt boven een bevolkingsgroep moet zich de vraag stellen of de toon waarin hij dat verheven gevoel uitdraagt niet zelf voeding is voor het wegglijden. Het is een opvallend zelfkritisch moment van een gast die zelf onmiskenbaar tot de bestuurselite behoort.

Hoe een arbeider in het parlement terechtkomt ▶ 39:22

Van Damme is verrassend ontvankelijk voor het pleidooi van David Van Reybrouck om de parlementaire democratie aan te vullen met geloot burgerpanels. Hij brengt cijfers in: vijftien procent van de werkende Belgische bevolking bestaat uit arbeiders. Hoeveel zitten er in het parlement?

“Volgens hun stats zijn er vier. Zijn er hier sowieso veel te weinig. Zo'n fout van uw systeem kunt ge deels goedmaken door een loting van burgers daarnaast te zetten.“

Hij bedoelt niet dat iedere parlementair literally een arbeider hoeft te zijn om voor arbeiders te spreken. Maar het systeem is, vindt hij, gebroken op een niveau dat verkiezingen alleen niet meer corrigeren. Een tweede kamer waarin gewone burgers letterlijk meebeslissen, is voor hem geen exotisch curiosum maar een logische volgende stap in een democratie die zichzelf serieus neemt.

Een ecosysteem van overheid, middenveld en burger ▶ 52:27

Het maatschappelijke model dat Van Damme verdedigt, is drielagig. De overheid moet zich concentreren op de kerntaken die alleen zij kan vervullen: sociale zekerheid, onderwijs, infrastructuur. Het middenveld, waar de Koning Boudewijnstichting zich in plaatst, moet experimenteren met privégeld op kleine schaal en zo de overheid voeden met inzichten die niet uit een beleidsstudie kunnen komen. En de burger moet zich engageren voor wat hem individueel ter harte gaat.

“Wij zijn een innovatielaboratorium. Wij proberen met privégeld innovatieve maatschappelijke modellen op kleine schaal uit te testen en de conclusies over te maken aan de overheid.“

Filantropie mag volgens hem nooit een vervanging worden voor publieke solidariteit. Dat zou neerkomen op een privatisering van het publieke debat. De stichting is, in zijn beeld, een verkenner die met privémiddelen risico's mag nemen die belastingbetalers niet zomaar willen dragen. Wat werkt, kan dan opschalen via publiek beleid.

Drie eilanden, zes schapen, een dorp ▶ 57:57

Op de vraag welk project hem persoonlijk het meest heeft gepakt, valt hij niet terug op een internationale beleidsstudie. Eind jaren zeventig kreeg de stichting drie eilandjes aan de Somme van een boer die wou dat ze hun ardeens karakter na zijn dood zouden behouden. Wat de Koning Boudewijnstichting daarmee doet, is bijna folkloristisch klein.

“Ieder jaar in het begin van de zomer in juni zetten we daar zes schapen op. We nodigen dorpjes uit de omgeving uit om aan de plechtigheid deel te nemen. We braden wat worsten, we drinken wat. We leren de kinderen over de kwetsbaarheid van de natuur.“

Het is een hele kleine schaal, maar het dorpje kijkt er ieder jaar naar uit. Voor Van Damme is dat de schoonheid van filantropie: kleine gebaren die voor specifieke gemeenschappen alles betekenen, naast grote internationale programma's die honderdduizenden mensen raken.

De Expeditie Belgica als spiegel voor 2024 ▶ 1:01:06

Het meest persoonlijke project waar Van Damme momenteel zelf zijn schouders onder zet, vertrekt vanuit een halfvergeten Belgische expeditie van 150 jaar geleden. Adrien de Gerlache trok in 1898 met een internationale crew naar Antarctica om de polen wetenschappelijk te onderzoeken.

“Op die boot zat Amundsen, een hele bekende Noorse ontdekkingsreiziger die later de eerste is geweest om de Zuidpool te bereiken. En Frederick Cook, een Amerikaanse dokter die later de Noordpool heeft bereikt.“

Van Damme vindt dat verhaal nog steeds onderbeeld. In oktober opent de Koning Boudewijnstichting een gratis tentoonstelling in het Bozar over die expeditie, met de achterkleinzoon van de Gerlache aanwezig en een nadrukkelijke brug naar de hedendaagse klimaatcrisis. Het kleine België reisde toen niet alleen naar het zuiden, het internationaliseerde meteen ook de wetenschap aan boord. Voor Van Damme is dat een verhaal waar Vlamingen volgens hem vandaag te bescheiden over zijn.

Wat een Boudewijnstichting in Oslo doet ▶ 1:04:58

Wat de meeste gesprekspartners volgens Van Damme niet weten, is dat de stichting kantoren heeft in Oslo, Parijs en Canada, naast Brussel. De reden klinkt op zich voor de hand liggend, maar is binnen het filantropie-landschap zeldzaam.

“De Koning Boudewijnstichting is een van de weinige stichtingen ter wereld die internationaal infrastructuur aanbiedt. Daardoor maken wij eigenlijk de koek van private middelen naar publieke doelen groter.“

Geld dat in Oslo wordt opgehaald, kan vlot naar Belgische projecten, en omgekeerd. De stichting positioneert zich als platform in plaats van als nationale silo, een keuze die het ophalend potentieel van het Belgische middenveld onmerkbaar maar drastisch heeft uitgebreid. Dat is het soort onderlaag dat zelden in een persbericht passes, maar dat over een decennium het verschil maakt tussen een groeiende en een krimpende filantropische sector.

Wat Van Damme als gewone Belg vooral wil meegeven ▶ 1:05:46

Als het gesprek richting einde gaat, vraagt een van de hosts wat hij in zijn twee jaar bij de stichting heeft moeten bijschaven. Het antwoord is bescheiden maar veelzeggend.

“Als Belgen, als Vlamingen, durven fier te zijn op wat we bereiken. We zijn vaak een beetje te bescheiden. Geen dikke nek zijn, maar wel beseffen dat we hier iets bereikt hebben waar we trots op moeten zijn.“

Het is een opmerking die mooi rijmt met de Discours-redactionele rode draad. De kunst van dit gesprek zit niet in spektakel, maar in een ondernemer die durft te twijfelen, een filantropie die durft te vertrouwen, en een politiek die voor Van Damme gediend zou zijn met meer ruimte voor het traag-experiment. Van Damme is geen luidruchtige tafelheer. Hij is iemand die rustig de ruimte neemt om grote vragen klein te maken, en kleine vragen groot. Aan een tafel waar dat zelden lukt, zat hij volledig op zijn plaats.