De man die 60% van alle Vlaamse leerlingen moet uitleggen waarom ze nog naar catechese moeten
In de Melkerij in Brasschaat, een voormalige zuivelfabriek omgetoverd tot vergaderplek, schuift Lieven Boeve aan tafel. De directeur-generaal van Katholiek Onderwijs Vlaanderen is een zeldzame hybride: professor theologie die jarenlang nadacht over de plaats van het christelijk verhaal in een seculiere samenleving, en sinds negen jaar de man die dat verhaal concreet moet vertalen naar 2000 scholen, 70% van het secundair onderwijs en 60% van het basisonderwijs. Een chingetje bourbon, een glas rode wijn later, begint een gesprek over de vraag die alles samenvat: hoe houd je een katholiek onderwijsproject overeind in een samenleving waar godsdienst privézaak is geworden?
Boeve draagt het paradox luchtig. “In Tokio is er een jezuïetenuniversiteit waar maar 2% christenen zitten,“ vertelt hij. “Niemand twijfelt eraan dat dat een katholieke universiteit is. Ze leveren de paus op dit moment.“ Het voorbeeld illustreert zijn missie: het katholieke in het onderwijs is geen kwestie van aantallen praktiserende gelovigen, maar van een project dat mensen uitdaagt na te denken over wie ze zijn. Die reconceptualisering, zoals hij het noemt, is geen compromis maar een noodzaak. De consensus van vroeger, toen iedereen wekelijks in de mis zat en de Bijbel tot het collectieve geheugen behoorde, is verdwenen. Nu moet expliciet worden gemaakt wat vroeger vanzelfsprekend was.
“Onze leerplannen zijn nog nooit zo katholiek geweest, niet omdat ze katholieker zijn, maar omdat we het veel meer expliciet moeten maken. Vroeger was het vanzelfsprekend.“
Waarom kinderen niet meer weten wie de barmhartige Samaritaan is
De secularisering heeft een onverwacht neveneffect: culturele analphabetisme. Boeve merkt het in de klassen: kinderen kennen de uitdrukking “het verloren schaap“ of “de barmhartige Samaritaan“, maar hebben geen idee waar die vandaan komen. “Beelden uit de Bijbel die we nog frequent gebruiken in onze gewone taal, maar de achtergrond is niet meer bekend,“ zegt hij. Bijbelverhalen zijn niet langer iets wat thuis of in de kerk wordt doorgegeven. Vroeger kreeg je ook wekelijks in de mis een reminder van al die mooie boodschappen. “Als je nooit ergens anders lezen ziet dan op school, is dat een beetje zwaar,“ vergelijkt hij het. “We leren kinderen dat ze niet door het rood mogen wandelen, maar als ze constant volwassenen zien oversteken als er geen auto is, mogen we niet verwonderd zijn dat kinderen dat na verloop van tijd ook gaan doen.“
Daarom krijgt godsdienstonderwijs vandaag een nieuwe rol. Niet als catechese voor de gelovigen, maar als culturele bagage voor iedereen. Op dit moment zijn wij daar ons heel goed van bewust, ook in het vak godsdienst, dat we veel meer dan vroeger bijvoorbeeld bijbelverhalen aan bod moeten laten komen omdat kinderen dat op geen enkele andere plek meer tegenkomen. Het is een pragmatische benadering die past bij wat hij de “katholieke dialoogschool“ noemt: een project waarin leerlingen van verschillende achtergronden, geloven en overtuigingen samen nadenken over levensvragen, met de christelijke traditie als uitdager, niet als consensus.
“Godsdienst is niet noodzakelijk iets wat ons allemaal verbindt, maar het is misschien wel iets dat ons allemaal kan uitdagen om na te denken over wie we zijn.“
Die dialoog is geen soft multiculturalisme, benadrukt Boeve. Het katholieke blijft nadrukkelijk aanwezig, niet ondanks maar dankzij het verschil. “Niet ondanks het verschil maar soms dankzij het verschil kun je elkaar begrijpen en tegelijk de verscheidenheid respecteren,“ zegt hij. “Maar anderzijds ook onderliggend toch een aantal dingen die ons gezamenlijk bewegen op het spoor komen, waardoor je een nieuwe consensus krijgt.“ Die nieuwe consensus is nodig in een samenleving waar we het wegvallen van collectieve waarden voelen, de polarisering en de druk op solidariteit. De diversiteit in Vlaamse klassen, van moslims tot boeddhisten tot seculieren, is geen probleem maar de context waarbinnen het katholieke onderwijs zijn rol moet herontdekken.
Gastvrijheid, kwetsbaarheid en belofte: hoe Bijbelse intuïties leerplannen vormgeven
Maar hoe vertaal je die katholieke inspiratie concreet? Boeve wijst naar de leerplannen, die volgens hem “nog nooit zo katholiek zijn geweest“. Niet omdat ze dogmatischer zijn, maar omdat ze explicieter zijn. “We hebben bijbelse intuïties geformuleerd: gastvrijheid, uniciteit, verbondenheid, kwetsbaarheid en belofte. We noemen dat richtingaanwijzers.“ Die begrippen zijn geen loze kreten. Ze worden doorvertaald naar de manier waarop leraren met leerlingen omgaan, hoe conflicten op de speelplaats worden aangepakt, hoe pestbeleid wordt vormgegeven, hoe leerlingbegeleiding functioneert.
“Identiteit moet voor een stukje gewoon door en door zitten,“ legt Boeve uit. “Het moet niet altijd op papier, maar er moet wel iets zichtbaar zijn.“ Hij verwijst naar de school waar we zitten: binnenkort wordt hier een nieuw schoolgebouw ingehuldigd, en op dat moment zal de katholieke inspiratie expliciet worden benoemd. Waarom investeert een katholiek schoolbestuur op een moment dat niemand het nog verwacht in een nieuw gebouw? Wat is de visie op harmonieuze vorming die aan die investering ten grondslag ligt? “Die twee hangen samen: de fysieke ruimte en de pedagogische missie.“
“Als godsdienst alleen beperkt wordt tot het vak godsdienst en niet meegenomen wordt in leerlingbegeleiding, in de manier waarop we met conflicten omgaan, in ons pestbeleid, blijft dat een lege doos.“
Toch blijft het vak godsdienst belangrijk. Maar de inhoud verschuift: meer bijbelverhalen dan vroeger, meer basiskennis over de christelijke cultuur. “Als je wil weten wie de barmhartige Samaritaan is, moet je het verhaal lezen. Want het gaat ook over boodschappen, beelden uit de Bijbel die overal in onze cultuur aanwezig zijn.“ Het is een investering in culturele geletterdheid, ook voor leerlingen die zelf niet gelovig zijn.
"Moet alles in onderwijs nuttig zijn?"
De vraag klinkt retorisch, maar Boeve meent het: moeten Latijn en Grieks zich verdedigen met economische argumenten? Moet levensbeschouwelijk onderwijs wijken voor extra wiskundelessen omdat de industrie meer ingenieurs nodig heeft? Hij trekt het debat bewust open. “Latijn en Grieks zijn de basis van onze cultuur. Dat heeft ook een vormend element, cognitieve vaardigheden worden scherp, je bent beter voorbereid als talig mens. Maar het doel van een vak hoeft niet louter in functie te staan van iets anders. Het kan onderwijs ook een doel op zich hebben: individuen vormen.“
De druk om onderwijs economisch nuttig te maken is groter dan ooit, erkent Boeve. Hij ziet het in het debat rond de levensbeschouwelijke vakken: waarom niet meer wiskunde in de plaats? “Dan is dat omdat wiskunde dient om ingenieurs te hebben, voor industrie enzovoort. Dat is allemaal waar, dat is belangrijk. Maar levensbeschouwelijke vakken zorgen precies ook voor andere dimensies in die vorming, voor die brede vorming.“ Sectoren definiëren steeds specifiekere beroepsprofielen, opleidingen moeten aansluiten bij de arbeidsmarkt van vandaag. Maar onderwijs is meer dan opleiding, houdt hij vol.
“De druk om onderwijs economisch nuttig te maken is groter dan voorheen. Maar zelfs bedrijfsleiders die breder kijken, willen ook medewerkers die op andere punten goed gevormd zijn. Je leeft ook samen in een bedrijf.“
Boeve verwijst naar een theorie die hij in academische kringen gebruikt: onderwijs moet drie dingen doen. Kwalificeren: zorgen dat leerlingen een diploma halen, arbeidsmarktvaardigheden hebben. Socialiseren: een plaats in de samenleving vinden. Subjectiveren: zorgen dat het individu een persoon wordt. “Het is het samenspel van die drie die in onderwijs belangrijk is.“ Het zijn geen tegenstellingen maar complementaire dimensies. De kunst is de balans vinden, en niet louter utilitair te denken. Maar de balans verschuift, en Boeve probeert die weer recht te trekken zonder de ene pool tegen de andere uit te spelen.
Boeve geeft een concreet voorbeeld van die zoektocht naar balans. “Ik heb nog leren machtsverheffen op papier tekenen. Toen kwam de rekenmachine. Dat is wat ik bedoel met: waarvoor dient dat eigenlijk?“ De vraag is niet of technologie nuttig is, maar wat essentieel blijft. Hoofdrekenen tot op zeker niveau, vinden we dat nog belangrijk? Dan moeten we situaties creëren waarin leerlingen dat zonder rekenmachine doen. Hetzelfde geldt voor ChatGPT: als we vinden dat leerlingen in eigen woorden een goede tekst moeten kunnen schrijven, moeten we situaties creëren waarin dat gebeurt zonder AI. “Die eeuwige balans, die moet iedere tijd opnieuw gezocht worden omdat bepaalde kennis minder noodzakelijk wordt terwijl andere meer noodzakelijk wordt.“
De minimum doelen die maximum werden: een zelfkritiek
Als er één vraag is waar Boeve op wacht, is het deze: wat heeft Katholiek Onderwijs Vlaanderen zelf fout gedaan? Hij aarzelt niet. “Een van de belangrijke zaken: toen de eindtermen ingevoerd zijn, waren dat eigenlijk afspraken met de overheid rond wat moet er minimaal gedaan worden. Maar na verloop van tijd is dat eigenlijk gaan functioneren als: dat is het enige wat je moet doen. Meer nog: als je meer doet dan ben je niet meer bezig met gelijke kansen, dan ben je niet meer sociaal bezig.“
Het is een harde analyse, maar Boeve nuanceert meteen. “Ik denk wel dat wij daar toen al, zeg maar als organisatie, misschien te ver in meegegaan zijn.“ Hij voegt er direct aan toe: “Wij betekent dat niet noodzakelijk ikzelf in de laatste 9 jaar, maar in het geheel.“ Het was een collectieve fout, geen individuele. “Dit zijn allemaal nieuwe inzichten die ook andere partijen binnen een debat, de inspectie, vele experten, hadden. Iedereen heeft toen gedacht dat men dat toen moest doen.“
“We zijn daar toen misschien te ver in meegegaan: eindtermen functioneerden niet meer als minimum maar als het enige wat je moet doen. Dat was geen persoonlijke fout, maar een collectieve beweging van het hele systeem.“
De consequenties zijn voelbaar. Scholen die meer deden, werden gezien als elitair. Leraren die ambitieus wilden zijn, werden tegengewerkt door inspectie die checkte of ze wel binnen de lijntjes kleurden. Het gelijkekansenbeleid, bedoeld om achterstand weg te werken, werd geïnterpreteerd als nivellering. “Ambitie werd een vies woord,“ zegt Boeve, “terwijl ook iemand die zwak start maar enorme vorderingen maakt, dat is ook excellentie. Leerwinst is belangrijk.“
Nu probeert Katholiek Onderwijs Vlaanderen die fout te herstellen. De nieuwe minimumdoelen, die momenteel worden ontwikkeld, moeten ruimte geven aan leraren om te verdiepen. “We gaan leraren stimuleren om meer te doen voor die leerlingen die het kunnen,“ zegt Boeve. “Als we mee een deel van het probleem waren, proberen we nu toch echt ook een deel van de oplossing te zijn.“ Het betekent keuzes maken: als je ergens dieper op ingaat, moet iets anders wijken. In aardrijkskunde bijvoorbeeld zit nog genoeg basiskennis, maar er blijft ook ruimte voor leraren om actuele discussies, zoals klimaatopwarming, grondig te behandelen. “En die keuze gaat ten koste van andere topics, want je hebt maar zoveel uren.“
De pedagogische tik: "Een toegeven van onze macht"
De vraag naar striktheid komt onvermijdelijk. Is Boeve pro of tegen de pedagogische tik? Hij lacht, neemt een slok wijn, en laveert diplomatiek. “De pedagogische tik is vaak een toegeven van onze macht, terwijl de vraag vooraf is: hoe zorgen we ervoor dat het zo ver niet moet komen?“ Het is geen pleidooi voor laissez-faire, integendeel. Kinderen hebben grenzen nodig, een kader waarbinnen ze vrijheid kunnen beleven. “Kleine kinderen moet je een betrekkelijk strikt kader bieden, want die weten dat niet uit zichzelf. Dat kader groeit naarmate ze ouder worden.“
Boeve verwijst naar Peter Adriaenssens, wiens gezond verstand hij prijst: ouders en leraren moeten durven sturen, maar het gaat om het kader, niet om geweld. “Het kader is ook nodig voor kinderen en zeker jongeren en pubers om daar tegen in te kunnen gaan, want dat tegen in gaan is ook vormend. Als je altijd je goesting krijgt en nooit weerstand ervaart, ja...“ Hij laat de zin hangen. Het punt is gemaakt.
“De vraag is niet of je een pedagogische tik moet geven, maar hoe je zorgt dat je zo'n helder kader hebt dat het zover niet hoeft te komen. Er zijn andere manieren om autoriteit te laten zien dan geweld.“
Die nadruk op het kader vertaalt zich naar schoolreglementen. Waarom zijn er kledijreglementen op school? “Niet om constant discussie te stellen, maar om het schoolleven te organiseren op een manier dat we niet te veel discussie hebben en dat er toch een cultuur van veiligheid, van gezondheid, van samenleven gecreëerd wordt waarin we kunnen leren.“ Onderwijs draait om leren, maar leren is samenleven. “En het is de manier waarop je met dat soort discussies omgaat die eigenlijk de kwaliteit van je pedagogisch proces bepaalt.“
Boeve waarschuwt voor een Vlaams reflex: omdat sommigen het fout doen, moet iedereen worden gecontroleerd. “Het is niet omdat er meeste misbruik is dat we het goede gebruik moeten opheffen. Soms ga je iedereen door dezelfde maal duwen omdat je weet dat er mensen zijn die het fout doen, en dan maak je mensen eigenlijk uitvoerders van beleid dat daar eens anders beslist is.“ Voorbeelden te over: omdat sommige directeurs leerlingen en leraren onvoldoende op de vingers kijken, moeten alle directeurs verplicht ieder jaar bepaalde procedures doorlopen. Omdat sommige scholen hun middelen niet goed besteden, krijgen directeurs geen beleidsvrijheid meer. Omdat sommige leraren niet goed functioneren, worden alle leraren door functioneringsbegeleidingen gehaald.
“Je hebt regels nodig die faciliteren dat mensen verantwoordelijkheid nemen,“ zegt Boeve. “Tegelijk heb je een beleid nodig om ervoor te zorgen dat daar waar die verantwoordelijkheid niet genomen wordt, je iets kunt doen.“ Dat betekent: functioneringsbegeleiding waar nodig, professionalisering aanbieden, en in het uiterste geval mensen aanspreken. “Maar dat moeten uitzonderingen blijven. Eerst een positief versterkend beleid, vanuit echte waardering voor de kwaliteit en het engagement van leraren. En pas dan, in individuele gevallen, zeggen: onderwijs is misschien niet de wereld waarin jij best blijft functioneren.“
Inclusief onderwijs: "Als leraren in dezelfde leraarskamer zitten"
Het M-decreet, dat inclusief onderwijs moest realiseren, is “fout gelopen op de implementatie“. Boeve is voorzichtig, maar helder: de droom om alle leerlingen in één systeem op te nemen was goedbedoeld, maar te naïef uitgevoerd. “Het idee dat je voor alle leerlingen het juiste wil doen en dat liefst allemaal samen, dat is een goed idee. Maar de implementatie, ja...“ Hij laat de zin hangen. Scholen werden overspoeld met leerlingen met specifieke noden, zonder de middelen of expertise om daarmee om te gaan. Het resultaat: frustratie bij leraren, ouders en leerlingen.
Toch gelooft Boeve in de kerngedachte. Zijn oplossing: gewoon en buitengewoon onderwijs op dezelfde campus organiseren. “Gewoon en buitengewoon, dus eigenlijk twee scholen op dezelfde campus. Leerlingen die waar het kan samen zitten, waar het niet kan toch als aparte groepen. Maar ook situaties waarin het samen zijn vooral in de vrije tijd is.“ Het klinkt als compromis, maar de kracht zit in de details. “Als leraren van gewoon en buitengewoon onderwijs in dezelfde leraarskamer zitten, heb je informele professionalisering. Iemand met expertise in moeilijk verklaarbaar gedrag zit naast iemand die een disciplineprobleem heeft, en die kan vragen: hoe zou jij dat nu aanpakken? Dan zit die expertise mee in de rest.“
“We hebben scholen waar bijna alles geïntegreerd werd. Wat voor mij belangrijk is: als de lerarenkamer ook nog samen is, heb je informele professionalisering. Die expertise zit dan mee in de rest.“
Het is een pragmatische benadering die erkent dat niet alles kan. “Er zullen altijd scholen voor blinden zijn, zeker voor blinden met een hele bijzondere problematiek, of met een mentale handicap.“ Maar voor leerlingen met bijvoorbeeld ADHD, leerstoornissen of lichte mentale handicaps? Daar zijn de marges van wat we nog kunnen doen zeker nog niet bereikt, meent Boeve. Het gaat niet om ideologie, maar om wat werkt. En wat werkt, is samen expertise opbouwen, niet aparte werelden creëren die elkaar nauwelijks kennen.
"Sorry jongens, maar ik weet echt niet meer hoe ik verder kan"
De zorgproblematiek weegt zwaar op leraren. Boeve hoort het regelmatig: leraren die twintig jaar in het vak zitten en zeggen dat ze niet meer aan leren toekomen. “Ik heb de indruk dat ik niet meer aan leren toekom. Dat zijn ervaringen die we serieus moeten nemen.“ Te veel leerlingen met mentale problemen, te veel diversiteit in achtergrond en thuistaal, te weinig tijd om individueel te begeleiden. Het is geen nostalgie naar een ideaalbeeld van vroeger, benadrukt Boeve, maar een reële vaststelling.
De oorzaken liggen deels buiten het onderwijs. De oorlog in Oekraïne, het dreigement van kernwapens, de ruwheid van het maatschappelijke debat, het weegt allemaal op jongeren. “Laatst stond er nog in de krant dat Putin ooit nog eens naar kernwapens zou moeten grijpen. Dat komt ook bij jongeren binnen. En die hebben nog heel hun leven voor zich.“ Armoede, mentale gezondheid, polarisering, het zijn samenlevingsproblemen die de klas binnenkomen. Leraren worden verondersteld daarmee om te gaan, bovenop hun lesgevende taak.
“Als volwassenen zo rauw debatteren, kan ik me niet voorstellen dat dat niet mee een sfeer bepaalt waarin jongeren het ook niet weten.“
Boeve wijst ook naar een fenomeen dat hij onthutsend vindt: het academische debat over onderwijs is verworden tot een ideologische strijd. “Ideologische vooringenomenheid en expertise, de vermenging daarvan, academische en politieke agenda's die meegepakt worden in opiniëring.“ Constructivisten versus postconstructivisten, voorstanders van directe instructie versus voorstanders van zelfontdekkend leren, het zijn posities die tegenover elkaar worden gezet alsof er geen middenweg is. “Er is wetenschappelijk onderzoek, er zal wel een punt zijn, maar meestal zit er ook tegenonderzoek, nuancering, het is aan context gebonden.“
Wat Boeve zou willen? “Ik zou geld geven dat ik niet heb om alle Vlaamse wetenschappers samen te zetten en te kijken: wat is nu de stand van het actuele wetenschappelijke onderzoek? Wat kunnen we nu aanraden aan het onderwijs? Zonder puntensysteem, zonder polariteit, echt gewoon voor het hogere doel.“ Het klinkt utopisch, maar Boeve is serieus. Het huidige opbod van meningen, vaak gebaseerd op selectief gebruik van onderzoek, helpt niemand. En, voegt hij eraan toe met een hoopvolle ondertoon, “Ik denk dat heel veel mensen in het onderwijsveld, en ook academici stilletjes, wel zien dat dit is wat moet gebeuren. Mensen die samen zitten om te kijken hoe we vanuit wetenschappelijke hoek het onderwijs zo goed mogelijk kunnen ondersteunen.“
De drie stappen om het lerarentekort op te lossen
Het lerarentekort is een crisis, maar Boeve ziet oplossingen. Zijn eerste pleidooi: stop met exclusief te rekruteren uit hogeschoolafgestudeerden. “We pleiten ervoor om met gemengde teams te werken: masters, bachelors, graduaten, onderwijsassistenten. Waaruit alle sectoren in onze samenleving zo'n gemengde teams hebben: dokters, masters, bachelors, graduaten. Waarom zou een universitair geschoolde niet les kunnen geven in het basisonderwijs? Het is niet omdat je een universitair diploma hebt dat je plots geen goede leraar meer zou kunnen zijn.“
De tweede stap: een jaaropdracht in plaats van een lesopdracht. Nu wordt de job van een leraar uitgedrukt in lesuren. “Professionalisering zit er niet in, voorbereiding, examens, teamwerk, contact met ouders, dat zit er allemaal niet in.“ Boeve wil een jaaropdracht waarin al die taken meetellen en die kunnen variëren over de carrière. “Iemand die al 10 jaar hetzelfde leerplan lesgeeft, heeft minder voorbereidingswerk dan iemand die plots een nieuw leerplan moet uitwerken. Dan kun je daar ook in variëren. Iemand die vakgroepleid is, kun je wat minder lesgeven om met collega's aan kwaliteitsontwikkeling te doen.“
“Op dit moment wordt de opdracht van een leraar uitgedrukt in lesuren, en enkel dat. Je hebt eigenlijk een jaaropdracht nodig waarin al die dingen zitten, en die kunnen variëren ook over de carrière.“
De derde stap: zorg dat jonge leraren niet de gaatjes moeten opvullen. Nu krijgen startende leraren de slechtste uurregelingen, verspreid over drie scholen, met de moeilijkste klassen. “Als je leraren niet op schoolniveau zou aanwerven maar op een hoger niveau, kun je die opdrachten clusteren, die in één school concentreren. Een jonge leraar kan dan een echte kans krijgen in plaats van in drie scholen een aantal uren te doen.“ Geef jonge leraren een volledige opdracht op één school, met begeleiding, in plaats van hen uit te knijpen tot ze na vijf jaar de job voor bekeken houden.
Boeve erkent dat een deel van die uitval onvermijdelijk is. “Er zijn een aantal mensen die vaststellen dat het toch niks voor hen is. Kinderen kunnen ook bikkelhard zijn, dat mag je niet onderschatten. Maar de meeste leraren zeggen toch ook dat ze enorm veel terugkrijgen van die kinderen.“ Het probleem is dat te veel jonge leraren vertrekken door slechte ervaringen, onvoldoende begeleiding, onvoldoende kansen. “Dat blijft ontzettend jammer. Die mensen moeten we houden.“ Een beleid voor jonge leraren is belangrijk, maar even belangrijk is een beleid voor leraren met ervaring, voor leraren die naar hun pensioen toe gaan. “Zorgen dat die mee aan boord blijven, dat is even belangrijk als je wil dat de leraarheid die uitdagingen aankunt.“
"Ik geef nog iedere week 2 uur les"
Boeve lacht als hij het zegt, maar hij meent het: hij staat nog altijd voor de klas. Twee uur per week, aan de universiteit, om de voeling met de praktijk niet te verliezen. “Ik weet wat het is om een coronales te geven, om aan een zwart scherm les te geven aan studenten waarvan je niet weet hoe ze voor hun computer zitten.“ Het is niet louter symbolisch. Boeve gebruikt die ervaring in zijn werk: als hij met schooldirecteurs praat over digitalisering, over eenzaamheid van leraren, over de kracht van contact met leerlingen, spreekt hij uit ervaring. “Ik hou daar ook ongelooflijk veel deugd uit: 2 uur geconcentreerd met studenten bezig zijn, je ziet die groeien, je ziet die dingen oppikken. Bij evaluaties, bij examens, denk je: het is toch niet allemaal voor niks, we hebben hier toch een enorme stap gezet.“
Die dubbelrol, theoloog én bestuurder, academicus én practicus, definieert hem. Toen bisschop Bonny hem negen jaar geleden vroeg om de theorie in de praktijk te brengen, aarzelde hij. “Ik dacht: vergeef ik dat academisch gezien? Maar ik heb de kans genomen. Ik heb er totaal geen spijt van.“ Het project van de katholieke dialoogschool was de praktijkvertaling van al zijn abstracte bespiegelingen over de rol van het christelijke verhaal in een seculiere samenleving. “Wat ik theologisch en filosofisch ontwikkeld heb, dat komt daar naar voren.“
“Als ik nu lesgeef, gebruik ik heel vaak de ervaring die ik vanuit Katholiek Onderwijs Vlaanderen opdoe bij mijn studenten om te zeggen: jullie denken dat dit hier maar teoretisch is, maar kijk...“
Het werkt in beide richtingen. “Als ik lesgeef, gebruik ik de ervaring die ik vanuit Katholiek Onderwijs Vlaanderen opdoe bij mijn studenten. Bijvoorbeeld als we nadenken over de plaats van het christelijk geloof in een sterk seculariserende samenleving, dan komt dat eigentijds tegenraadse van die katholieke dialoogschool daar ook naar voren.“ Het is een gezonde kruisbestuiving, noemt hij het zelf. Toch blijft de academische roeping sterk. “Ik zou ooit wel weer aan de universiteit willen zijn. Dat is uiteindelijk wel mijn oorspronkelijke roeping, waar ik mijn leven wilde doen. Ik heb ook de kans gekregen om dat uit te bouwen. Nu doe ik dit ook zeer graag, maar ik zou toch ooit wel weer aan de universiteit willen zijn.“
Die eerlijkheid illustreert Boeves pragmatisme: hij doet wat nodig is, met volle overtuiging, maar zonder illusies. Het katholieke onderwijs heeft hem nodig om die bruggenfunctie te vervullen, tussen theorie en praktijk, tussen christelijke traditie en seculiere samenleving, tussen ambitie en realiteit. En zolang die nood er is, blijft hij. Maar de universiteit lonkt, omdat daar de vraagstukken die hem bezighouden hun conceptuele scherpte kunnen krijgen.
Een nieuw sociaal contract voor een vermoeid Vlaanderen
De epiloog schrijft zich vanzelf. Boeve zit aan tafel in een basisschool in Brasschaat, omringd door de concrete realiteit van 2000 scholen, 70% van het secundair en 60% van het basisonderwijs. Zijn analyse is helder: de samenleving heeft de consensus verloren over wat goed onderwijs is, over wat kinderen moeten leren, over wat ambitie betekent. De polarisering die de politiek verziekt, sijpelt door in klassen. De utilistische druk om onderwijs economisch nuttig te maken botst met de vraag wat het betekent om mens te zijn in een wereld die geen antwoord meer heeft op zingeving.
Het katholieke onderwijs probeert die spanning te houden: kennis én kritisch denken, kwalificeren én vormgeven, individu én gemeenschap. Niet vanuit nostalgie naar een tijd toen iedereen katholiek was, maar vanuit de overtuiging dat de christelijke traditie, precies omdat ze tegendraads is, iets te zeggen heeft. Boeve herhaalt zijn voorbeeld: de jezuïetenuniversiteit in Tokio, 2% christenen, niemand die twijfelt aan de katholieke identiteit. Het is geen kwestie van aantallen, maar van een project dat uitdaagt, dat vragen stelt, dat weigert mee te gaan in het gemak van oppervlakkige antwoorden.
“Mensen zijn voluit in dialoog met elkaar gaan vanuit verschillende tradities. Niet ondanks het verschil maar soms dankzij het verschil kun je elkaar begrijpen, tegelijk de verscheidenheid respecteren, maar ook onderliggend een aantal dingen die ons gezamenlijk bewegen op het spoor komen.“
Die missie is de rode draad van Discours, en Boeve past er perfect in: iemand die gelooft dat dialoog mogelijk is, dat verschil niet hoeft te leiden tot conflict, dat je vanuit verschillende tradities kunt nadenken over wat ons bindt. Het is de kern van wat hij probeert te doen in het onderwijs, en wat deze podcast probeert te d