In gesprek met Bart Van Craeynest: "We moeten eerst welvaart creëren, dan verdelen"

Het is een doordeweekse avond. De glazen zijn gevuld, de setting is relaxed, maar het gesprek dat volgt is allesbehalve luchtig. Bart Van Craeynest, hoofdeconoom van VOKA, schuift aan bij Discours Met De Boys voor een stevige analyse van de Belgische economie. Geen blad voor de mond, geen politieke correctheid, wel harde cijfers en pijnlijke conclusies.

Van Craeynest is een van die zeldzame economische stemmen die zowel begrijpelijk als confronterend is. Hij legt de vinger op de wonde: onze overheidsschuld die richting 550 miljard euro kruipt, onze belastingdruk die de nummer twee ter wereld is, ons ondernemersklimaat dat starters afschrikt. Maar hij wijst ook op de troeven: onze topbedrijven in nichesectoren, onze innovatiekracht, onze sociale bescherming die de koopkracht door de inflatiecrisis heeft geloodst.

Het wordt een avond van economische realiteitszin, waarbij de hosts niet schromen om door te prikken en Van Craeynest niet aarzelt om heilige huisjes omver te duwen.

VOKA versus UNIZO: twee spelers, één ecosysteem ▶ 0:45

Voor wie het verschil niet kent: VOKA en UNIZO zijn beide ondernemersorganisaties, maar met een andere focus. VOKA richt zich vooral op grotere, industriële bedrijven, UNIZO meer op kleine zelfstandigen en KMO's. “Er is overlap,“ legt Van Craeynest uit, “maar gemiddeld zijn bedrijven bij ons iets groter.“

Het is geen concurrentie, benadrukt hij, maar complementariteit. De grote spelers en de kleine ondernemers hebben elkaar nodig. Een gezond ondernemersklimaat heeft beide nodig, en VOKA kijkt vanuit dat perspectief naar de uitdagingen waar ondernemend Vlaanderen voor staat.

"Bij ons wordt ondernemerschap vrij slecht gepercipieerd" ▶ 1:35

Het Vlaamse ondernemerslandschap is een paradox, legt Van Craeynest uit. Enerzijds hebben we topverhalen: bedrijven die wereldleider zijn in hun niche, vaak zonder dat het grote publiek het weet. Anderzijds zijn er relatief weinig starters vergeleken met andere Europese landen.

“Er zijn veel hindernissen om een onderneming te starten, om door te groeien. Dat zie je ook in de cijfers. Bij ons zijn er relatief weinig mensen die ondernemen beginnen.“

Het positieve nieuws: wie start, heeft een hogere overlevingskans dan elders. Belgische starters zijn conservatiever, denken beter na, en hebben hun plan op orde voordat ze de sprong wagen. Maar die drempels zijn er wel, en ze ontmoedigen potentiële ondernemers.

Van Craeynest hamert op een cultureel probleem: ondernemerschap wordt in België niet gevierd zoals in andere landen. Risico nemen wordt niet gewaardeerd. In het onderwijs komt ondernemerschap nauwelijks aan bod als volwaardige carrièrepiste. “Als je ondernemers veel meer positief zou laten bod komen, op televisie, in het onderwijs, dan zou dat al helpen,“ zegt hij. “Niet dat iedereen ondernemer moet worden, maar het moet wel als een normale optie gezien worden, net zoals alle andere carrièrepistes.“

De administratieve verlaging die je misschien niet kent ▶ 7:10

Een nuance die vaak vergeten wordt: een aantal drempels zijn al verlaagd. De omschakeling van BVBA naar BV heeft het makkelijker gemaakt om een bedrijf op te richten, met minder kapitaalvereisten en eenvoudigere procedures.

“Je kunt eigenlijk in België met die BV-omschakeling redelijk gemakkelijk starten. De financiële drempels liggen daar niet meer aan.“

Maar, benadrukt Van Craeynest, dat betekent niet dat alles rozengeur en maneschijn is. Er zijn nog heel wat andere obstakels: administratieve lasten, regelgeving, een fiscaal klimaat dat weinig ruimte laat. En cultureel blijft ondernemerschap onderbelicht. “Er zijn geen quick wins meer op het vlak van oprichtingsdrempels,“ zegt hij. “De echte uitdagingen liggen elders.“

Werknemersparticipatie: een gemiste kans voor scaleups ▶ 10:15

Een specifiek pijnpunt voor startups en scaleups: werknemersparticipatie. In België is het moeilijk om werknemers te laten delen in de groei van een bedrijf via aandelen of stock options. De regels rond aandelenoverdracht zijn complex, fiscaal onaantrekkelijk, en bureaucratisch zwaar.

“Voor schaalbare bedrijven, de typische startup- en scaleup-cultuur, blijkt het niet zo eenvoudig om werknemers te laten participeren in het bedrijf. Dat zijn kleine dingen die tellen.“

Dit is geen detail, legt Van Craeynest uit. In de VS of Scandinavië is het gebruikelijk dat werknemers vroeg in een startup instappen met aandelenopties, waardoor ze mee profiteren van het succes. Dat motiveert talent, bindt mensen aan het bedrijf, en creëert ondernemerschap. In België blijft dit een bureaucratisch mijnenveld, waardoor jonge groeibedrijven het moeilijk hebben om top talent aan te trekken en te behouden.

De KMO-multinational symbiose die je niet ziet ▶ 4:10

België heeft een economie die voor meer dan 80% bestaat uit kleine en middelgrote ondernemingen. Maar, waarschuwt Van Craeynest, dat vertelt niet het hele verhaal. Meer dan de helft van de economische activiteit komt van de grote spelers, de multinationals.

“We hebben heel veel kleine middelgrote ondernemingen, maar die grote multinationals spelen ook een cruciale rol in onze economie. Mocht je die niet hebben, zou je de KMO's ook niet hebben. Die grote speler is nodig en die KMO's hangen daarrond en worden meegetrokken.“

Het is een ecosysteem, legt hij uit. Die multinational creëert een trekkracht, KMO's leveren toe, groeien mee, innoveren in hun kielzog. Zonder de grote jongens geen bloeiend KMO-landschap. De twee hebben elkaar nodig, maar dat wordt politiek vaak vergeten. Wie enkel focust op KMO-ondersteuning zonder de multinationals te koesteren, ziet het plaatje niet volledig.

Waarom we de nummer twee ter wereld zijn in belastingdruk op arbeid ▶ 5:47

En dan komt het zwaarste geschut. Van Craeynest gooit de cijfers op tafel: België zit bij de hoogste loonkosten ter wereld. De belastingdruk op arbeid is simpelweg de nummer twee wereldwijd.

“De belastingdruk op arbeid is simpel de nummer twee ter wereld. Onze koopkracht is fantastisch ondersteund, we hebben de sterkste bescherming van Europa. Maar dat moet ook wel gefinancierd worden.“

Een van de hosts vraagt het voor de hand liggende: waarom is dat zo hoog? Is er een goed argument? Van Craeynest legt uit dat het historisch een van de makkelijkste belastingen was om te innen. Straightforward: je weet hoeveel mensen werken, hoeveel er binnenkomt. De sociale zekerheid is oorspronkelijk ook zo opgezet: werknemers betalen sociale bijdragen en kopen daarmee verzekering tegen werkloosheid, ziekte, voor pensioen. Maar ondertussen is het minder een verzekering geworden en meer een extra belasting.

Het probleem, zegt hij, is dat we nooit de stap hebben kunnen zetten om te diversifiëren naar andere vormen van belasting. En toen in de jaren negentig met de kaaimantaks werd geprobeerd kapitaal zwaarder te belasten, liep dat verkeerd af. “Als je het allemaal samenbekijkt, is kapitaal bij ons ook zwaar belast. We zitten bij de hoogste belastingdruk op kapitaal ter wereld,“ verduidelijkt hij.

Politiek is het ontzettend moeilijk om overheidsuitgaven te verlagen, zeker in een context van koopkrachtdiscussies. En dus blijft de druk op arbeid torenhoog. Andere landen hebben dezelfde historische ontwikkeling doorgemaakt, maar hebben andere keuzes gemaakt. Wij zijn blijven hangen in een systeem dat zich moeilijk laat hervormen.

"In Duitsland is de koopkracht met vijf à zes procent achteruitgegaan" ▶ 9:59

Van Craeynest werpt een interessante spiegel op. Tijdens de inflatiecrisis heeft België de koopkracht van haar burgers sterker beschermd dan om het even welk ander Europees land. De automatische loonindexering heeft zijn werk gedaan. In Duitsland daarentegen is de koopkracht gemiddeld met vijf à zes procent achteruitgegaan.

“In België staat de koopkracht er sterker voor dan heel Europa, hoewel dat blijkbaar in het publiek niet altijd zo gepercipieerd wordt.“

Maar er zit een keerzijde aan dat verhaal. Door alles te indexeren zonder na te denken over de competitiviteit van bedrijven, verzwakt de concurrentiepositie van die bedrijven. En dat wreekt zich op termijn.

“We hebben onze koopkracht beschermd, maar we zijn wat te ver doorgeslagen. Er werd te weinig nagedacht over de competitiepositie van die bedrijven, en dat wreekt zich op termijn.“

Bedrijven kunnen dan minder investeren, minder aanwerven. Uiteindelijk komt dat toch terug in de koopkracht, alleen later, en subtieler. Het is een balans die moeilijk te vinden is, maar wel gezocht moet worden. De andere landen zitten nu in de moeilijkheden omdat ze de koopkracht niet beschermd hebben, wij zitten in de moeilijkheden omdat we onze concurrentiepositie niet voldoende in het oog hebben gehouden.

De 20 miljard euro put die eerst gedicht moet worden ▶ 13:00

Het gesprek verschuift naar de budgettaire realiteit. België zit structureel in de min. Waar Nederland bij een crisis van nul naar min een paar procent gaat en daarna terug naar nul, zitten wij altijd onder nul. Bij een crisis gaan we nog dieper, en na de crisis blijven we daar hangen.

“Je hebt in Nederland inderdaad wel die marge. Zij zitten bij nul, bij een crisis gaan ze naar min een paar procent en na de crisis terug naar nul. Wij hebben altijd onder nul gezeten. Bij een crisis gaan we nog verder onder nul en na de crisis blijven we op dat niveau.“

De komende begrotingsoefening wordt een hels karwei. Van Craeynest schat dat er een gat van pakweg 20 miljard euro moet gedicht worden, met daarbovenop de vergrijzingsfactuur die volop aankomt. En die pensioenfactuur is berekend in een scenario mét groei. “Als die groei op nul zit, dan wordt het niet 20 miljard maar 60 miljard,“ zegt hij nuchter. “Nu is het echt zo: als het geld kost, vergeet het, is het een leugen. Er moet eerst een plan gevonden worden om die 20 miljard te vinden voordat we nog een keer gaan beginnen belastingen te verlagen.“

“Onze overheidsschuld van 550 miljard gaan we nooit meer wegkrijgen, en dat hoeft ook niet. Maar de stijging van de schuld moet stoppen. We moeten beginnen met het tekort onder controle te krijgen.“

De schuld zelf is niet het probleem, legt hij uit. Die hoeft niet naar nul, zelfs niet naar de Maastrichtnorm van 60%. Maar de schuld mag niet blijven stijgen. We moeten de rem erop zetten, en dat begint met het tekort onder controle krijgen.

Waarom hervormingen vandaag moeilijker lijken dan in de jaren negentig ▶ 19:06

Een van de hosts vraagt waarom het in de jaren negentig met Martens en Dehaene wél lukte om ingrijpende besparingen door te voeren, en nu moeilijker lijkt.

Van Craeynest wijst op het drukkingsmiddel van toen: de euro. België móest aan de Maastricht-criteria voldoen, anders bleven we buiten de boot. Er was de dreiging van het IMF, de Europese Commissie, het straatje van Europa. Dat drukkingsmiddel is nu weg.

“In de jaren 90 met Martens en Dehaene was er eindelijk een drukkingsmiddel: we moeten naar de euro. Er was de dreiging van het IMF, de Europese Commissie. Nu is die dreiging er niet meer.“

Bovendien kon toen de belastingdruk nog verhoogd worden. Vandaag is er geen ruimte meer. We zitten bij de hoogste overheidsuitgaven én de hoogste belastingdruk ter wereld. De marge om te schuiven is er niet meer.

Het resultaat: politici beloven van alles tijdens verkiezingen, maar kunnen moeilijk leveren. “Nu moeten ze de factuur betalen,“ zegt Van Craeynest. Weinig ruimte voor cadeaus, vooral ruimte voor moeilijke keuzes. En als je hem vraagt wie er eerst “pijn moet doen“, weigert hij dat frame. Het gaat hem niet om pijn doen, maar om meer mensen aan het werk krijgen, om kwaliteit verbeteren waar we al veel geld aan uitgeven, om slimmer organiseren.

"We geven de tweede hoogste uitgave voor onderwijs in Europa" ▶ 23:39

Eén van de meest pijnlijke voorbeelden van waar Van Craeynest op wijst, is onderwijs. België zit per leerling bij de hoogste uitgaven van Europa, maar de kwaliteit gaat achteruit.

“Kijk naar onderwijs: we krijgen nu bijna elke week een verhaal van hoe slecht dat aan het worden is. De kwaliteit is duidelijk aan het achteruitgaan. Maar we geven wel de tweede of derde hoogste uitgave voor onderwijs in Europa.“

Hij schetst de paradox: veel geld, maar weinig leerkrachten per volume leerlingen. Theoretisch zouden de klassen dus kleiner moeten zijn en de kwaliteit hoog. Maar dat blijkt niet zo te zijn. Cijfers over begrijpend lezen tonen aan dat Vlaanderen achteruitgaat, tot bij de slechtste van Europa.

Een van de oorzaken: versnippering. Het vrij onderwijs staat in de Grondwet, en dat is belangrijk. Maar misschien, suggereert Van Craeynest voorzichtig, moet er toch meer samenwerking komen.

“Het vrij onderwijs staat in de Grondwet, belangrijk. Maar moet dat niet toch wat meer samen, om de versnippering tegen te gaan? Die vrijheid levert niet automatisch meer kwaliteit op.“

Het is een omzichtige maar heldere boodschap: meer geld is niet de oplossing. Betere organisatie, minder versnippering, hogere kwaliteit, dat is wat nodig is.

Waarom we wereldtop zijn in onderzoek maar niet altijd in commercialisering ▶ 22:56

Op vlak van innovatie scoort Vlaanderen uitstekend. We zitten bij de beste van Europa op vlak van onderzoek, dankzij beleidskeuzes van de voorbije 20 jaar. Flanders Technology, imec, de biotech clusters in Gent: het zijn succesverhalen.

“Op innovatie zijn we bij de beste van Europa op vlak van onderzoek. Het probleem is: we slaan er te weinig in om dat te vertalen naar economische activiteit.“

Het probleem: de vertaalslag van onderzoek naar economische activiteit loopt niet altijd even vlot. Onderzoekscentra zoals imec zijn wereldtop, maar de bedrijven die eruit voortkomen zijn er te weinig. De fabriek die chipmachines maakt, staat in Eindhoven, niet in Leuven.

Van Craeynest wijst op de kansen die er liggen. De hele wereld staat voor enorme transities: duurzaamheid, digitalisering, demografie, gezondheidszorg. Oplossingen die hier uitgewerkt worden, kunnen wereldwijd verkocht worden.

“Onze grote bouwbedrijven voor offshore windenergie zijn wereldtop. Hun belangrijkste concurrent voor offshore? Dat zijn Belgische bedrijven, niet Amerikaanse of Chinese.“

Dat soort nichesectoren moet Vlaanderen verder uitbouwen. We kunnen niet op volume concurreren, maar wel op specialisatie en kennis. Daar ligt onze kracht, en daar moeten we meer op inzetten om onderzoek te vertalen naar economische impact.

Terugverdieneffecten: niet automatisch en niet onbeperkt ▶ 26:05

Wanneer politici belastingen willen verlagen, hoor je vaak het argument van “terugverdieneffecten“: door lagere belastingen komt er meer economische activiteit, en dus uiteindelijk toch meer belastinginkomsten. Van Craeynest is daar voorzichtig over.

“Er zijn terugverdieneffecten die vaak aangehaald worden door degenen die belastingen willen verlagen. Dat is als een rijbaan toevoegen om de file te verminderen: blijkt dat er meer files zijn dan ervoor.“

Het voorbeeld is helder: als je een extra rijbaan toevoegt, nodigt dat meer verkeer uit. Het effect compenseert niet altijd, het kan soms zelfs verergeren. Bij belastingen is het vergelijkbaar: een verlaging leidt niet automatisch tot zoveel extra economische activiteit dat de belastinginkomsten gelijk blijven. Er is mogelijk wel enig terugverdieneffect, maar niet voldoende om het tekort weg te werken.

Beter, zegt Van Craeynest, is focussen op wat wél werkt zonder grote budgettaire kost: administratieve lasten verlagen, vergunningen vlotter maken, onderwijs verbeteren. Dat kost weinig geld, maar levert mogelijk veel economisch potentieel op.

“Administratieve lasten, vergunningen, regelgeving: die zijn heel vierkant. Onze kwaliteit van onderwijs. Dat zijn dingen die niet zoveel geld hoeven te kosten. Als je kijkt hoe andere landen dat doen, dan heb je daar mogelijk wel economisch potentieel.“

"Iedereen is het erover eens: meer mensen aan het werk" ▶ 28:01

Het mantra van deze en vorige regeringen is helder: meer mensen aan het werk. Maar, zegt Van Craeynest, dan moet er ook een cultuurshift komen. Wie een uitkering krijgt, moet daar iets tegenover stellen: opleiding, solliciteren, druk dat het niet vrijblijvend is.

“Als iemand een uitkering krijgt, moet er ook iets tegenover staan: opleiding, druk erop dat het niet vrijblijvend is. Dat doen we nu te weinig.“

Het moet niet direct werken zijn, maar wel een traject richting werk. Een opleiding, begeleiding, geen vrijblijvendheid. Dat is nu te weinig het geval, en dat moet veranderen. Anders blijven de inactiviteitscijfers hoog, en wordt de vergrijzingsfactuur moeilijk betaalbaar.

De pensioenfactuur van 20 miljard is berekend in de veronderstelling dat er groei is. Als de groei op nul zit, wordt dat 60 miljard. “Dat is niet te betalen,“ zegt Van Craeynest. “Dus iedereen die kan werken, moet werken of er naartoe begeleid worden.“

De Jobs die België niet meer organiseert ▶ 53:06

Een van de opvallendste stellingen van Van Craeynest: door het hoge minimumloon heeft België in de praktijk ervoor gezorgd dat de laagste waarde jobs niet interessant zijn om te organiseren.

“We hebben in België, misschien niet bewust besloten, maar de laagste waardevolle jobs zijn niet interessant om te organiseren omdat ze gewoon te duur zijn door het minimumloon. Die jobs leven niet, maar moeten wel gedaan worden.“

Het gevolg: die taken worden ofwel niet gedaan, ofwel in het zwart gedaan, ofwel uitbesteed naar het buitenland. Dat creëert een inactiviteitsval voor laaggeschoolden: hun arbeid is te duur geprijsd voor de waarde die ze kunnen leveren, en dus vinden ze moeilijker werk.

Van Craeynest suggereert een systeem waarbij laagbetaalde jobs gecombineerd kunnen worden met een overheidsfinanciering, zodat werken altijd loont. Dat is niet hetzelfde als een basisinkomen voor iedereen (dat zou te duur zijn), maar wel een gerichte ondersteuning onderaan de arbeidsmarkt.

"Probeer maar eens een loodgieter te vinden vandaag" ▶ 54:41

Een ander pijnpunt: technisch onderwijs. Decennialang is technisch en beroepsonderwijs neergezet als een “afzakkertje“ voor wie niet slim genoeg is voor ASO. Die mentaliteit wreekt zich nu, maar het is meer dan alleen mentaliteit.

“Probeer maar een keer een loodgieter te vinden vandaag. Die heeft soms wel nog betere carrièreperspectieven dan bepaalde types van hogeschooldiploma's. Dat we negatief zijn geweest over technisch onderwijs moet veranderen.“

Het gebrek aan technici, loodgieters, elektriciens, bouwvakkers wordt stilaan nijpend. De jobs zijn er, en ze zijn goedbetaald, maar er zijn te weinig kandidaten. Het imago van technisch onderwijs moet helemaal omgegooid worden.

“Beroepsonderwijs is niet minder waard dan ASO. Die mentaliteit moet veranderen bij de leerling, bij de leraar, bij ouders. Maar ook het systeem zelf is niet mee geëvolueerd.“

Van Craeynest pleit voor een fundamentele cultuurshift én een systeemaanpassing: al op jonge leeftijd leerlingen testen op waar hun sterktes liggen, en technisch onderwijs presenteren als een volwaardige en aantrekkelijke optie. Geen B-keuze, maar een A-keuze voor wie daar goed in is. Hij erkent wel dat zo'n mentaliteitsverandering traag gaat, en dat er altijd uitzonderingen zullen zijn die vasthouden aan oude patronen.

Waarom een universeel basisinkomen niet haalbaar is ▶ 58:17

De hosts polsen naar het idee van een universeel basisinkomen. Van Craeynest is er geen voorstander van voor iedereen, om een simpele reden: het is te duur.

“Basisinkomen voor iedereen zou betekenen dat ook alle Voka-leden dat krijgen, ook al hebben ze het niet nodig. Dat kost gewoon te veel. We hebben de hoogste overheidsuitgaven ter wereld en toch niet de laagste armoedecijfers.“

Het probleem van een echt universeel basisinkomen is dat je dan ook aan de rijken moet uitkeren. Dat is budgettair niet haalbaar. Als je alle sociale zekerheid zou afschaffen en vervangen door een basisinkomen van, zeg, 1.000 euro per maand, dan heb je nog altijd tientallen miljarden nodig. En voor gepensioneerden is 1.000 euro niet genoeg.

Wat Van Craeynest wél ziet zitten, is een systeem waarbij mensen onderaan de arbeidsmarkt een uitkering kunnen combineren met werk, zonder dat ze in een activiteitsval terechtkomen. Nu verliezen mensen vaak hun uitkering én allerlei bijkomende voordelen (korting op openbaar vervoer, sociaal tarief voor energie, enz.) als ze beginnen werken. Dat ontmoedigt werken. Een systeem waarbij werken altijd loont, zou dat kunnen oplossen, zonder dat je aan iedereen een basisinkomen moet geven. Maar hij erkent ook de complexiteit van zo'n systeem: als je gelaagdheid inbouwt om kosten te beperken, dan creëer je opnieuw drempels. Het blijft zoeken naar de juiste balans.

"Ons verwachtingspatroon is veranderd, maar de keuze blijft moeilijk" ▶ 43:24

Eén van de hosts stelt een rake vraag: vroeger kon één kostwinner een gezin onderhouden, een huis kopen, kinderen opvoeden. Nu lijkt het alsof twee verdieners nodig zijn om hetzelfde te bereiken. Hoe kan dat, als we toch rijker zijn dan ooit?

Van Craeynest legt uit dat ons consumptiepatroon radicaal veranderd is.

“Ons verwachtingspatroon, ons consumptiepatroon is echt gigantisch veranderd. Vroeger één kostwinner, nu twee verdieners en een uitgebreider leven met meerdere reizen, restaurants. Dat is een totaal ander leven.“

Vroeger was het doel: overleven. Vandaag willen we een groter huis, meerdere auto's, meerdere vakanties per jaar, uit eten, Netflix, smartphones. Dat zijn allemaal uitgaven die vroeger niet bestonden of niet normaal waren. De middenklasse leeft luxueuzer dan ooit, maar dat kost ook.

Het antwoord op de vraag “waarom is het moeilijker geworden?“ is dus deels: omdat we meer willen. Technisch gezien kún je nog steeds met één inkomen leven als je je consumptie beperkt, maar dat doet bijna niemand meer. Hij nuanceert zichzelf wel: “Dat is misschien ook wel een soort van arrogantie om te zeggen. Je kunt altijd de keuze maken om soberer te leven, maar tegen de stroom in gaan is moeilijk.“ Het Tiny House Movement bestaat, maar blijft een niche. De maatschappelijke druk om mee te gaan in het consumptiepatroon is groot, en daar ontsnappen is makkelijker gezegd dan gedaan.

Productiviteit en AI: groei moet gestuurd worden ▶ 48:06

De hosts brengen kunstmatige intelligentie en automatisering ter sprake. Gaan we massaal jobs verliezen? Van Craeynest is relativerend, en wijst op de geschiedenis.

“Er zijn nog nooit meer mensen aan het werk geweest dan vandaag. Er zijn geen jobs verloren aan technologische vooruitgang. Die mensen hebben andere jobs gevonden.“

Hij erkent dat de hele digitalisering op vlak van productiviteit nog niet heeft opgeleverd wat we ervan dacht hadden. Het is pas wanneer nieuwe technologieën echt samen beginnen te werken en elkaar versterken, dat je een versnelling krijgt. Dat moment komt er nog aan, bijvoorbeeld in de gezondheidszorg waar vroege detectie en preventie de kosten kunnen drukken.

Maar hij benadrukt ook dat groei niet zomaar groei mag zijn. “Je moet niet gewoon op groei inzetten, maar je moet het sturen in de goede richting. Standaard duurzaamheid moet ingebakken worden, dat is bijna onderdeel van good business practice geworden.“ Economische groei is nodig, maar het moet duurzame, gestuurde groei zijn, met aandacht voor klimaat en sociale transities.

Wat wél een risico is, is groeiende ongelijkheid tussen hoogopgeleiden en laagopgeleiden.

“Het risico is dat je meer ongelijkheid in de samenleving krijgt tussen hoogopgeleiden en laagopgeleiden. Daar is voor de overheid een rol weggelegd om ervoor te zorgen dat we niet te veel een samenleving van twee snelheden krijgen.“

Maar het idee dat er netto jobs verloren gaan, daar gelooft hij niet in. Er komen andere jobs, zoals altijd. 200 jaar geleden werkte 90% van de bevolking in de landbouw, nu 1%. Die mensen zijn niet werkloos, ze