De astrofysicus die aardbevingen van sterren meet om kopieën van de aarde te vinden
In De Melkerij te Brasschaat zit Conny Aerts, professor astronomie aan de KU Leuven, aan een glas rode wijn. Ze heeft net een ruimtemissie van 25 jaar overleefd, met duizenden mensen, honderden miljoenen euro's en eindeloze bureaucratische gevechten. Nu kijkt ze vooruit naar de volgende: PLATO, een satelliet die kopieën van de aarde moet vinden. Haar enthousiasme is aanstekelijk, haar ongeduld met academische egels tastbaar. De hosts van Discours Met De Boys proberen te begrijpen hoe je zo'n missie door het Europese ruimteagentschap ESA sleept, hoe je omgaat met fouten die je carrière kunnen kosten, en waarom ze niet gewoon opgeeft als het establishment dwarsligt.
Het gesprek duurt meer dan twee uur en raakt aan alles: van de technische uitdagingen van ruimtevaart tot de menselijke kant van wetenschap, van de vergankelijkheid van het bestaan tot de vraag of we ooit buitenaards leven zullen vinden. Aerts is even makkelijk over lichtjaren als over leidinggeven, even enthousiast over exoplaneten als over jonge doctoraatsstudenten die fouten durven maken.
"Ik ben een seismoloog van sterren" ▶ 1:00
Aerts begint met een uitleg die zelfs leken kunnen volgen. Asteroseismologie is, simpel gezegd, het opmeten van trillingen in sterren. Net zoals aardbevingen ons informatie geven over het binnenste van de aarde, vertellen bevingen in sterren ons wat er in hun kern gebeurt.
“Ik ben een seismoloog van sterren. Ik gebruik aardbevingen van sterren om te weten wat er binnenin gebeurt.“
Die trillingen zijn meetbaar omdat ze de helderheid van een ster licht veranderen. Met gevoelige telescopen in de ruimte kunnen wetenschappers die variaties opvangen en analyseren. Dat levert informatie op over de massa, de leeftijd, de inwendige draaiing en de chemische samenstelling van sterren. En die informatie is cruciaal om te begrijpen hoe planetenstelsels evolueren.
Aerts legt uit dat ze wil weten hoe lang de zon nog meegaat. Over miljarden jaren gaat de zon eindigen als rode reus en dan zal de aarde verschroeien. Dat is wel nog even, maar de vraag is relevant voor het begrijpen van andere sterren waar planeten omheen draaien.
De hosts vragen of ze dit soort informatie ook gebruikt om exoplaneten te vinden, die planeten buiten ons zonnestelsel. Ja, legt Aerts uit. Als een planeet voor een ster langs beweegt, wordt die ster iets minder helder. Die dip in helderheid kun je meten. Maar om te weten of zo'n planeet interessant is, moet je ook de ster zelf goed kennen. En daar komt de asteroseismologie om de hoek kijken.
PLATO: een satelliet met 26 camera's ▶ 3:00
Aerts is niet iemand die in haar eentje in een sterrenwacht zit. Ze is onderdeel van internationale consortia die ruimtemissies bouwen. PLATO, haar huidige project, is een satelliet met 26 camera's die exoplaneten moet detecteren en karakteriseren. Die 26 camera's zijn geen willekeurig getal: ze zijn zo ontworpen dat ze tegelijk een groot stuk van de hemel kunnen monitoren, waardoor de satelliet duizenden sterren tegelijk kan observeren.
“Een ruimtemissie bouwen duurt 25 jaar. Dat is een onderneming van tienduizenden mensen.“
Het doel van PLATO is niet alleen om exoplaneten te detecteren, maar vooral om planeten te vinden die op de aarde lijken: rotsplaneten in de bewoonbare zone rond sterren die op de zon lijken. Daarvoor moet je langdurig naar sterren kijken, want een planeet als de aarde doet er een jaar over om rond zijn ster te draaien. Wil je zeker zijn dat je een planeet hebt gezien, dan moet je minstens drie transits waarnemen. Dat betekent jaren van observaties.
Aerts legt uit dat de combinatie van asteroseismologie en exoplaneetdetectie uniek is. Wetenschappers kunnen niet alleen zeggen: daar is een planeet. Ze kunnen ook zeggen: die planeet draait rond een ster van zoveel jaar oud, met zoveel massa, en die planeet bevindt zich op precies de juiste afstand voor vloeibaar water.
De missie staat gepland voor lancering eind 2026. Als alles goed gaat, tenminste. Want tussen hier en lancering liggen nog talloze tests, bureaucratische obstakels en financiële beslissingen.
Vijf fases en 99 concurrenten ▶ 7:00
Hoe bouw je eigenlijk zo'n satelliet? Aerts legt uit dat het proces bij ESA in verschillende fases verloopt. Fase A is het concept: daarin bepaal je welke wetenschappelijke vraag je wilt beantwoorden en welke technologie daarvoor nodig is. In fase B werk je het ontwerp uit: welke instrumenten, welke baan, welke resolutie. Fase C is de bouw: daar gaat het grootste deel van het budget naartoe. En fase D is de lancering en het testen in de ruimte.
Tussen elke fase zit een evaluatie, vertelt Aerts. Dan kijkt een commissie of je missie nog steeds de beste is, of het technisch haalbaar is, of het binnen budget blijft. En dat is geen formaliteit. Er zijn voor elke selectieronde tientallen concurrerende missies.
“Ik had 99 concurrenten die elk een eigen satelliet wilden bouwen. Je moet je missie verdedigen, keer op keer.“
Aerts herinnert zich een bijeenkomst waar ze moest uitleggen waarom Europa geld zou uitgeven aan het bestuderen van verre sterren. Ze geeft toe dat dat niet haar makkelijkste dag was. Maar jonge mensen hebben iets nodig aan deze planeet, zegt ze. Nieuwsgierigheid, ontdekking, toekomstperspectief.
De hosts zijn onder de indruk. Zo'n missie is een marathon, geen sprint. Aerts beaamt dat. Ze merkt dat jonge onderzoekers vaak ongeduldig zijn, resultaten willen op korte termijn. Maar wetenschap gaat niet zo, benadrukt ze. Grote vragen vergen grote inspanningen en die kosten tijd.
"We zitten nu in de fase dat we exoplaneten beginnen te vinden" ▶ 12:00
De eerste exoplaneet werd ontdekt in 1995, vertelt Aerts. Sindsdien zijn er duizenden gevonden. Maar de meeste zijn gasgiganten, geen rotsplaneten zoals de aarde. En zelfs als je een rotsplaneet vindt op de juiste afstand van zijn ster, de zogenaamde 'bewoonbare zone', dan weet je nog niets over de atmosfeer.
“We zitten nu in de fase dat we exoplaneten beginnen te vinden. In 1995 werd de eerste ontdekt. Nu kennen we er duizenden.“
Dat is waar de volgende generatie satellieten om de hoek komt kijken. PLATO gaat niet alleen planeten detecteren, maar ook hun gaststerren karakteriseren. Daardoor kunnen wetenschappers beter inschatten of een planeet interessant is.
Een andere missie, Ariel, gaat nog een stap verder: die satelliet analyseert de atmosferen van exoplaneten. Ariel staat ook gepland voor lancering eind 2026. Het principe is elegant: als een planeet voor zijn ster langs beweegt, schijnt een deel van het sterlicht door de atmosfeer van de planeet. Bepaalde moleculen in die atmosfeer absorberen specifieke golflengtes. Door het spectrum te analyseren, kun je zien welke moleculen aanwezig zijn.
Aerts legt uit dat wetenschappers willen zoeken naar water en zuurstof in atmosferen van andere planeten. Dat kunnen tekenen van mogelijk leven zijn. Ze benadrukt meteen dat dit geen bewijs van leven is. Zuurstof kan ook op andere manieren ontstaan, bijvoorbeeld door fotodissociatie van waterdamp. Maar als je een combinatie vindt van water, zuurstof, methaan en kooldioxide, dan wordt het interessant. Die combinatie is moeilijk te verklaren zonder biologische processen. Op aarde wordt zuurstof geproduceerd door fotosynthese. Als wetenschappers elders een vergelijkbare mix van gassen vinden, dan is dat een sterke aanwijzing.
Waarom Mars geen water meer heeft ▶ 16:00
Het gesprek gaat even over Mars. Die planeet heeft ooit water gehad, vertelt Aerts. Maar de atmosfeer is verdwenen. Zonder atmosfeer verdampt het water de ruimte in. Mars heeft geen atmosfeer meer. Dat water is weg. Maar er zijn satellieten die zoeken naar tekenen van vroeger leven.
Ze legt uit dat Mars te licht is om een atmosfeer vast te houden. De zwaartekracht is te zwak. Dat is een belangrijke les voor de zoektocht naar bewoonbare planeten: je hebt een planeet nodig met voldoende massa om een atmosfeer te kunnen behouden, maar niet zoveel massa dat het een gasgigant wordt.
Aerts benadrukt dat je moet kijken naar de hele context. Een planeet op zich zegt niets. Je moet de ster kennen, de afstand, de massa, de atmosfeer. Allemaal stukjes van de puzzel.
De hosts vragen of ze denkt dat we ooit mensen naar Mars kunnen sturen. Aerts is voorzichtig. Het kan. Maar het is heel moeilijk. Je hebt geen atmosfeer, geen water, geen bescherming tegen straling. Een ruimtestation op Mars bouwen is technologisch haalbaar, maar of het verstandig is? Ze haalt haar schouders op. Misschien moeten we eerst beter zorgen voor de planeet die we hebben.
Fouten maken als essentieel onderdeel van wetenschap ▶ 20:00
Dan komt het gesprek op iets persoonlijks: fouten maken in wetenschappelijk onderzoek. Aerts vertelt dat ze een fout had gemaakt in een wetenschappelijke publicatie. Dat was verschrikkelijk, maar ze leerden ervan.
Het ging om een voorspelling over een type ster. Aerts en haar team hadden een theorie ontwikkeld en die gepubliceerd. Maar toen de metingen binnenkwamen, klopten ze niet. Ze hadden een theorie die voorspelde wat ze zouden zien, maar de metingen klopten niet. Dat was haar redding, zegt ze nu.
Hoe kan een fout een redding zijn? Aerts legt uit dat de discrepantie tussen theorie en metingen haar dwong om dieper te graven. Ze ging terug naar de data, controleerde alle berekeningen, betrok collega's erbij. Uiteindelijk ontdekte ze dat de inwendige draaiing van sterren anders werkt dan gedacht. Dat was een doorbraak. Zonder die fout hadden ze die ontdekking niet gedaan.
“Fouten maken is essentieel in de wetenschap. Zelfs Einstein maakte fouten in zijn berekeningen.“
De hosts vragen hoe ze omging met de kritiek. Want in de academische wereld is publiceren van een fout niet altijd geaccepteerd. Aerts knikt. Academia is vaak heel competitief. Er zitten egels in die wereld, niet alleen in het bedrijfsleven. Ze vertelt dat sommige collega's de fout gebruikten om haar onderzoek af te kraken. Maar ze had geluk. Ze had een team dat achter haar stond. En ze hadden de data die aantoonden dat ze iets nieuws hadden ontdekt.
Ze benadrukt dat de bereidheid om fouten toe te geven en daarvan te leren cruciaal is in wetenschap. Je moet durven zeggen: ik had het mis. Dat is geen zwakte, dat is kracht. Ze probeert die mentaliteit ook door te geven aan haar studenten. Ze zegt ze: maak fouten, durf dingen uit te proberen. Als je nooit fouten maakt, neem je nooit risico's. En zonder risico's is er geen vooruitgang.
"Happy people work better" ▶ 26:00
Aerts heeft 12 doctoraatsstudenten onder haar hoede. Ze vertelt met zichtbare trots over hen. Ze moet faciliteren dat jonge mensen kunnen opborrelen met nieuwe ideeën, niet zeggen wat ze moeten doen.
Haar managementstijl is expliciet bottom-up. Ze geeft haar studenten ruimte om hun eigen vragen te stellen, hun eigen methodes te ontwikkelen. Ze probeert altijd het positieve te zien. Jonge mensen hebben meer nodig dan criticasters.
“Gelukkige mensen werken beter. Happy people work better. Dat is mijn leidraad.“
Ze vertelt over de competitieve cultuur in de academische wereld. Niet iedereen vindt haar aanpak goed. Sommige collega's vinden dat ze te soft is, te veel ruimte geeft. Maar ze ziet de resultaten. Haar studenten publiceren, ze krijgen prijzen, ze vinden banen. Dat is wat telt.
De hosts vragen of ze zelf ook zo begeleid werd tijdens haar doctoraat. Aerts lacht. Nee, absoluut niet. Ze had een promotor die heel autoritair was. Top-down. Dat werkte voor haar niet. Ze vertelt dat ze daarom juist bewust anders werkt met haar eigen studenten. Ze wil dat ze zich veilig voelen om fouten te maken, om vragen te stellen, om te experimenteren.
Ze geeft een voorbeeld. Een van haar studenten kwam onlangs met een idee dat op het eerste gezicht onzinnig leek. Een andere promotor had misschien gezegd: dat kan niet, ga iets anders doen. Maar Aerts zei: probeer het maar. En het bleek te werken. Die student publiceerde vervolgens een paper dat veel aandacht kreeg. Dat had niet gekund als ze meteen nee had gezegd.
Waarom we niet naar Proxima Centauri kunnen reizen ▶ 32:00
De hosts stellen de vraag die iedereen zich stelt: als we een kopie van de aarde vinden, kunnen we daar dan naartoe? Aerts schudt resoluut haar hoofd. De afstanden zijn zo immens groot. We kunnen daar niet naartoe reizen met onze huidige technologie.
Ze legt uit dat de dichtstbijzijnde ster, Proxima Centauri, 4,2 lichtjaar ver staat. Dat klinkt dichtbij in kosmische termen, maar in menselijke termen is het onoverbrugbaar. Met de snelste ruimteschepen die we nu hebben, zouden we er 100.000 jaar over doen om daar te komen. En dat is de dichtstbijzijnde ster. De meeste interessante exoplaneten staan honderden of duizenden lichtjaren ver.
“De dichtstbijzijnde ster, Proxima Centauri, staat 4,2 lichtjaar ver. Met onze snelste ruimteschepen zouden we er 100.000 jaar over doen.“
Wat als we sneller zouden kunnen reizen? Aerts wordt filosofisch. We kunnen niet sneller reizen dan het licht. Dat is een fundamentele natuurwet. Tenzij iemand een manier vindt om die te omzeilen, maar daar ziet ze voorlopig geen bewijs voor.
Ze benadrukt dat het niettemin zinvol is om te zoeken naar bewoonbare planeten. Niet om er naartoe te reizen, maar om te begrijpen hoe zeldzaam of gewoon leven in het heelal is. Misschien vinden wetenschappers over 50 jaar een planeet met tekenen van leven. Dan weten we: we zijn niet alleen. Dat verandert ons wereldbeeld, ook al kunnen we er nooit naartoe.
De zon gaat over miljarden jaren eindigen ▶ 38:00
Een van de hosts vraagt naar de vergankelijkheid van de aarde. Aerts vertelt dat de zon over ongeveer 5 miljard jaar een rode reus wordt. De zon gaat over miljarden jaren eindigen als rode reus en dan zal de aarde verschroeien.
Dat klinkt fatalistisch, maar Aerts ziet het anders. Ze vindt de vergankelijkheid van het leven eigenlijk geruststellend. Het maakt dat we het nu moeten koesteren. Ze legt uit dat ze niet bang is voor de dood, noch voor het einde van de mensheid. We zijn allemaal gemaakt uit sterrensstof. Alle elementen komen uit sterren die gestorven zijn. We zijn onderdeel van een groter geheel.
“Wij zijn allemaal gemaakt uit sterrensstof. Alle elementen komen uit sterren die gestorven zijn.“
De hosts vragen of ze niet gefrustreerd is door de tijdschaal. Of ze niet zou willen weten of er echt buitenaards leven is. Aerts glimlacht. Natuurlijk zou ze dat willen weten. Maar ze realiseert zich dat wetenschap een collectieve onderneming is. Misschien vindt ze het niet. Misschien vindt haar student het. Of de student van haar student. Dat is oké.
Ze benadrukt dat geduld een essentiële eigenschap is in de wetenschap. We moeten geduld hebben, zegt ze. Dat is voor haar een heel belangrijk begrip, ook voor de jongeren. Ze merkt dat de huidige generatie studenten soms ongeduldig is, resultaten wil op korte termijn. Maar grote vragen vergen grote inspanningen. Daar moet je vrede mee hebben.
Water, zuurstof, methaan en CO2: de biosignatuur ▶ 44:00
Terug naar de techniek. Hoe kun je eigenlijk vaststellen of er leven is op een exoplaneet? Aerts legt uit dat wetenschappers zoeken naar een combinatie van gassen die moeilijk te verklaren is zonder biologische processen.
Wetenschappers willen water en zuurstof detecteren, maar ook methaan en kooldioxide. Die combinatie is interessant. Op aarde wordt zuurstof geproduceerd door planten en algen via fotosynthese. Methaan wordt onder andere geproduceerd door bacteriën. Kooldioxide ontstaat door allerlei processen, maar de combinatie van alle vier is lastig te verklaren zonder leven.
Als je alleen zuurstof vindt, kan dat ook door fotodissociatie van waterdamp ontstaan, legt Aerts uit. Maar als je zuurstof vindt, en methaan, en water, en dat alles tegelijk, dan wordt het moeilijk om daar een niet-biologische verklaring voor te vinden.
Ze waarschuwt meteen voor te veel optimisme. Wetenschappers zullen moeten kijken naar de precieze verhoudingen, naar de stabiliteit van de atmosfeer, naar de ster. Het is een ingewikkelde puzzel. Maar met missies als Ariel komt die puzzel binnen bereik. De komende decennia zullen wetenschappers steeds meer leren over atmosferen van exoplaneten. Aerts denkt dat we binnen tien tot twintig jaar de eerste serieuze kandidaten hebben voor planeten waar leven mogelijk is.
Waarom hervormingen in de academische wereld traag gaan ▶ 50:00
Het gesprek komt op de academische cultuur. Aerts is kritisch over het establishment. Er zijn mensen die 20, 30 jaar aan een theorie hebben gewerkt. Als jij dan met data komt die hun theorie onderuit halen, dan is de reactie niet altijd enthousiast.
Ze vertelt over weerstand die ze ondervond toen ze met haar ontdekking over de inwendige draaiing van sterren kwam. Sommige collega's zeiden: dat kan niet kloppen. Ze gingen niet naar de data kijken, maar verdedigden hun eigen theorie. Dat frustreert haar. Wetenschap zou moeten gaan over de zoektocht naar waarheid, niet over het verdedigen van je eigen gelijk.
“Academia is vaak heel competitief. Er zitten egels in die wereld, niet alleen in het bedrijfsleven.“
De hosts vragen hoe ze daarmee omgaat. Aerts zegt dat ze probeert om haar studenten een andere cultuur bij te brengen. Ze leert ze dat fouten maken oké is, dat twijfelen goed is, dat samenwerken belangrijker is dan concurreren. Ze geeft toe dat dat niet altijd makkelijk is in een systeem dat draait op publicaties, citaties en competitie om financiering.
Maar ze ziet wel verandering. De jongere generatie is meer open, meer collaboratief. Ze hebben minder last van ego's. Dat geeft hoop. Ze vertelt over internationale samenwerkingen waar jonge onderzoekers makkelijker data en code delen, waar ze elkaar helpen in plaats van beconcurreren. Dat is de toekomst. En daar is ze blij om.
"We zijn niet speciaal" ▶ 56:00
De hosts vragen naar Aerts' persoonlijke overtuiging: gelooft ze dat we alleen zijn in het heelal? Ze lacht. Nee, absoluut niet. We zijn niet speciaal. De aarde is niet uniek. Er zijn zoveel sterren, zoveel planeten.
Ze legt uit dat alleen al in ons melkwegstelsel miljarden sterren staan. Rond veel van die sterren draaien planeten. Er zijn miljarden exoplaneten alleen al in ons melkwegstelsel. Wetenschappers gaan zoeken naar kopieën van de aarde. De kans dat de aarde de enige planeet met leven is, acht ze verwaarloosbaar klein.
“We zijn niet speciaal. De aarde is niet uniek. Er zijn zoveel sterren, zoveel planeten.“
Maar, zegt ze, dat betekent niet dat we ooit contact zullen maken met buitenaards leven. De afstanden zijn te groot, de tijdschalen te lang. Misschien is er ergens in ons melkwegstelsel op dit moment een beschaving, maar tegen de tijd dat hun radiosignaal ons bereikt, zijn ze misschien al uitgestorven. Ze vindt dat geen treurige gedachte. Het maakt ons bewust van hoe bijzonder het is dat wij hier en nu leven.
De hosts vragen of ze denkt dat buitenaards leven op ons zal lijken. Aerts schudt haar hoofd. Waarschijnlijk niet. Het kan zijn dat er ergens leven is, maar het hoeft niet te zijn zoals wij het kennen. Misschien is het microscopisch. Ze wijst erop dat leven op aarde pas relatief laat is geëvolueerd naar complexe meercellige organismen. De meeste tijd was er alleen microscopisch leven. Misschien is dat de norm.
De rol van nieuwsgierigheid in wetenschap ▶ 1:02:00
Tegen het einde van het gesprek vraagt een van de hosts wat Aerts drijft. Wat maakt dat ze na 25 jaar nog steeds enthousiast is over haar werk? Ze denkt even na.
Nieuwsgierigheid. We hebben nog niet alle antwoorden, maar we hebben de nieuwsgierigheid. Dat is de start van alles. Ze legt uit dat ze elke dag weer gefascineerd is door het heelal, door de vragen die nog open liggen, door de mysteries die nog opgelost moeten worden.
“We hebben nog niet alle antwoorden, maar we hebben de nieuwsgierigheid. Dat is de start van alles.“
Die nieuwsgierigheid probeert ze ook door te geven aan haar studenten. Ze wil dat ze zich blijven verwonderen. Dat ze niet cynisch worden, niet blasé. Het heelal is te fascinerend om blasé over te zijn.
Ze vertelt over een doctoraatsstudent die onlangs een presentatie gaf over haar onderzoek. Ze was zo enthousiast, zo vol energie. Dat geeft Aerts energie. Dat herinnert haar eraan waarom ze dit werk doet.
Waarom fundamenteel onderzoek maatschappelijk relevant is ▶ 1:07:00
Een van de hosts stelt de vraag die Aerts al vaker heeft gehoord: waarom zouden we miljoenen uitgeven aan het bestuderen van verre sterren terwijl er zoveel problemen op aarde zijn? Aerts zucht, maar niet geïrriteerd. Ze heeft hier duidelijk over nagedacht.
Het menselijke aspect vindt ze veruit het meeste belangrijk. Jonge mensen moeten iets hebben aan deze planeet. Ze legt uit dat fundamenteel onderzoek niet direct praktische toepassingen heeft, maar wel inspireert. Als we jonge mensen kunnen enthousiasmeren voor wetenschap, voor ontdekking, voor nieuwsgierigheid, dan is dat op zich al waardevol.
“Het menselijke aspect vind ik veruit het meeste belangrijk. Jonge mensen moeten iets hebben aan deze planeet.“
Daarnaast wijst ze erop dat veel technologie die we nu als vanzelfsprekend beschouwen, voortkomt uit fundamenteel onderzoek. GPS zou niet werken zonder Einsteins relativiteitstheorie, vertelt Aerts. Die theorie voorspelde dat tijd langzamer gaat in een sterker zwaartekrachtveld. Satellieten in een baan om de aarde ondervinden minder zwaartekracht dan wij op de grond, dus hun klokken lopen iets sneller. Als je daar niet voor corrigeert, loopt je GPS binnen een dag al kilometers uit.
Ze noemt nog een voorbeeld. Veel medische beeldvorming, zoals MRI-scans, is gebaseerd op technologie die ontwikkeld is voor astronomie. De detectoren, de signaalverwerking, de beeldreconstructie. Dat komt allemaal voort uit fundamenteel onderzoek. Ze gelooft dat investeren in fundamenteel onderzoek op lange termijn altijd rendeert.
Maar het gaat haar niet alleen om praktische toepassingen. We zijn nieuwsgierige wezens. We willen weten waar we vandaan komen, waar we naartoe gaan, of we alleen zijn. Dat zijn fundamentele menselijke vragen. Daar mogen we geld aan uitgeven.
De epiloog
Als het gesprek afloopt, blijft de vraag hangen die Aerts zelf ook niet kan beantwoorden: wanneer zullen we buitenaards leven vinden? Ze weet het niet. Misschien over tien jaar, misschien over honderd jaar, misschien nooit. Maar dat ontneemt haar niet de drive om door te gaan.
We moeten durven dromen over het vinden van buitenaards leven, maar we moeten realistisch blijven over de tijdschaal. Die combinatie van dromen en realisme is kenmerkend voor haar hele aanpak: ambitieuze doelen stellen, maar met geduld werken aan de kleine stapjes die nodig zijn om die doelen te bereiken. Een ruimtemissie van 25 jaar. Duizenden metingen. Tienduizenden mensen. Allemaal om de vraag te beantwoorden of we alleen zijn.
Aerts staat op, bedankt de hosts en glipt de avond in. Ergens boven Brasschaat draaien satellieten hun rondjes, meten ze trillingen van sterren, zoeken ze naar licht dat door verre atmosferen schijnt. Eind 2026 gaan PLATO en Ariel gelanceerd worden, twee nieuwe ogen op het heelal. En op een dag, misschien, komt het antwoord.