Hans Geybels over de persoon Jezus: "Zuiver empirisch is hij degene die de geschiedenis het ingrijpendst heeft veranderd"

In de Melkerij in het Peerdsbos in Brasschaat zit Hans Geybels, professor empirische theologie aan de KU Leuven en medeoprichter van de christelijke denktank Logia. Het chingetje is de Omerta-rum van Brouwerij Wilderen. Wat volgt is een gesprek dat begint bij pelgrims en de historische Jezus, en gaandeweg uitkomt bij ziekenhuisbedden, wetgeving, pacifisme en de vraag wat er overblijft wanneer de grote verhalen wegvallen. De hosts duwen stevig terug, Geybels wijkt zelden uit, en juist daar wordt het interessant.

Empirische theologie: God meet je niet, mensen wel ▶ 1:32

De term klinkt als een contradictie, en dat is precies de openingsvraag. Kun je God empirisch onderzoeken? Geybels ontkracht het misverstand meteen.

“Het woordje empirisch gaat echt over de methode. Het betekent dat men mensen echt gaat ondervragen, dat men ter plekke onderzoek gaat doen naar wat mensen denken en wat mensen doen.“

Wat hij onderzoekt zijn dus geen goden maar gedragingen. Bijvoorbeeld de vraag wie er vandaag nog op pelgrimstocht gaat, en waarom.

“Kunnen we zomaar spreken over pelgrims en toeristen? Want die toeristen steken toch ook een kaarsje aan. En die pelgrims kijken toch ook in het rond en doen ook een museum.“

Waarom er meer pelgrims zijn dan ooit ▶ 3:04

Tegen de intuïtie in groeit het aantal pelgrims, ook in Vlaanderen. Geybels ziet een kettingreactie: het succes van Compostela trok de ingezakte voettocht naar Scherpenheuvel weer op. De diepere verklaring zoekt hij in de tijdgeest.

“Mensen herontdekken het stappen als een nieuwe vorm van herbronning, bij zichzelf komen, pauze in hun leven. Dat is eigenlijk een reactie op de tijdgeest van alles moet sneller en beter en performanter.“

Daardoor lopen op die wegen allang niet meer alleen traditionele katholieken. Pelgrimage staat voor stilte en bezinning, en dat spreekt een veel breder publiek aan.

De eerste pelgrim was een vrouw ▶ 4:35

De bedevaart zelf gaat terug tot de vierde eeuw, toen de eerste reizigers naar Jeruzalem trokken om te zien waar Jezus geleefd had. Geybels wijst op een detail dat een hardnekkig beeld ondermijnt.

“De eerste pelgrim die we bij naam kennen is een vrouw. Wij hebben zo'n idee van: die vrouwen zijn tweeduizend jaar achtergesteld. Eigenlijk is dat een recenter fenomeen. Dat start echt pas in de zestiende eeuw.“

Hij koppelt die achterstelling aan ontwikkelingen in het humanisme en het protestantisme, later geperfectioneerd in het katholicisme, en illustreert het met zijn eigen parate kennis: tien belangrijke vrouwen uit de middeleeuwen schudt hij zo uit zijn mouw, uit de renaissance kent hij er nauwelijks een.

Waarom de wetenschap unaniem is ▶ 6:46

Dan komt de kern. Bestond Jezus echt? Geybels laat er geen twijfel over bestaan, en gaat verder dan de hosts verwachten.

“We weten over de historische Jezus meer dan over de meeste Romeinse keizers zelfs. Met historische zekerheid.“

De twijfel is volgens hem een negentiende-eeuws fenomeen, ontstaan doordat onderzoekers zich uitsluitend op de evangeliën baseerden en daarin bovennatuurlijke elementen aantroffen. De conclusie luidde toen: als dat niet klopt, zal het wel een sprookje zijn. In diezelfde eeuw ontstond echter ook het serieuze historische onderzoek, dat intussen anderhalf- tot tweeduizend bladzijden wetenschappelijke biografie heeft opgeleverd.

Belangrijk daarbij zijn de bronnen buiten de Bijbel. Over de evangeliën als propaganda is Geybels ontwapenend nuchter.

“Dat zijn propagandageschriften, en dat is ook zo. Maar de affiches van de nazi's en van het communisme leren ons ook heel veel historisch. Er is niks mis met propagandageschriften als historische bron, alleen moet je je ervan bewust zijn dat je met dat soort bronnen te maken hebt.“

Doorslaggevend is dat ook tegenstanders over hem schrijven: Romeinse en Joodse bronnen, al in de eerste eeuw.

Een revolutionair in een wereld van geweld ▶ 10:47

Waarom sloeg hij aan? Geybels benadrukt eerst dat charisma alleen het niet verklaart, en formuleert dan een claim die hij nadrukkelijk als historicus maakt, niet als gelovige.

“Zuiver empirisch denk ik dat hij degene is die de geschiedenis het ingrijpendst heeft veranderd tot nog toe. Na tweeduizend jaar nog zo'n invloed hebben, wie doet het na?“

Het revolutionaire zat volgens hem in de inhoud, en die botste frontaal met de tijd waarin ze klonk.

“Hij spreekt over geweldloosheid in een samenleving die totaal door geweld geregeerd werd. Zelfs de ontspanning was gewelddadig. Hij spreekt over gelijkheid in een tijd van complete ongelijkheid: kinderen onder ouders, vrouwen onder mannen, slaven onder meesters.“

Hij verwijst daarbij naar de Franse filosoof Frédéric Lenoir, die volgens hem scherper zag dan menig theoloog hoe radicaal die punten waren.

Waarom een lieve hippie niet aan een kruis eindigt ▶ 12:40

Het beeld van Jezus als zachtaardige vredesprediker veegt Geybels van tafel met het meest beeldende argument van het gesprek.

“Als Jezus iemand was zoals we hem graag willen voorstellen, een of andere pipo met een lange baard en loshangend haar, die rondrijdt in een roze Volkswagenbus terwijl hij naar de Beatles luistert en spreekt over peace, dan belandde je tweeduizend jaar geleden niet op een kruis.“

De kruisiging was volgens hem de meest geraffineerde folterdood die de Romeinen ontwikkeld hadden, bedoeld als statement tegen wie het regime bedreigde.

“Hij was zo radicaal dat hij indruiste tegen de Romeinse en tegen alle Joodse autoriteit, en dat heeft geleid tot die dood.“

De beweging die hij overnam ▶ 13:50

Hoe kwam hij aan een publiek? Hier legt Geybels iets bloot dat volgens hem uit het historisch onderzoek komt en niet in de Bijbel staat. De doop door Johannes de Doper is namelijk vreemd: waarom zou de hoofdpersoon zich laten dopen door iemand die hij overschaduwt?

“Wat de Bijbel daar verzwijgt, is dat Jezus waarschijnlijk zelf eerst deel heeft uitgemaakt van die doperbeweging. Die beweging wordt op een bepaald moment letterlijk en figuurlijk onthoofd, en we zien dan dat Jezus die beweging overneemt en verder radicaliseert.“

Daarmee had hij meteen aanhang. Maar de grotere vraag is waarom uitgerekend deze beweging het haalde, want de concurrentie was moordend.

“Er waren honderd en een mysterieculten, de Mithrascultus, de Isiscultus. Waarom hebben die het niet gehaald? Mensen moeten ergens ervaren hebben: dit is waar. Niet waar in de zin van een catechismus, maar waar in de zin van: dit maakt mij gelukkig, dit is een weg naar diep geluk.“

Filosofie of godsdienst? ▶ 20:48

Een van de hosts vraagt of het in het begin wel een geloof was, of eerder een moraal. Geybels waarschuwt dat we onze eigen categorieën projecteren.

“Wanneer wij over religie spreken, hebben wij de drie grote monotheïstische godsdiensten in ons achterhoofd. De Romeinse godsdienst functioneerde compleet anders. Wij zouden dat eigenlijk geen godsdienst noemen.“

Hij verwijst naar filosofiehistoricus Pierre Hadot, die in de jaren zeventig herontdekte dat antieke filosofie geen puur rationele oefening was maar een way of life, met diëten en deugden die bij de leer hoorden. Pas vanaf de achttiende eeuw werd die levenswijze van het denken losgesneden.

“In het begin waren dat diverse filosofische scholen, en daar was diversiteit. Het is pas vanaf de vierde eeuw, wanneer één christelijke gemeenschap eruit begint te schieten, dat men begint te verketteren, dat de anderen geen spreekrecht meer mogen hebben.“

De genezer die naar de patiënt wees ▶ 24:42

Was hij dan geen manipulator? Geybels neemt de vraag serieus en beantwoordt hem via het genezen, iets wat hij nuchter benoemt.

“Hij was een genezer, punt, definitief. Zoals er in de oudheid honderden rondliepen.“

Het verschil zit in wat hij daarna zei, en dat maakt volgens hem het onderscheid met de manipulatoren van wie we ook biografieën hebben.

“Wanneer Jezus zo'n genezingsmirakel doet, zegt hij constant: uw geloof heeft u gered. Terwijl het in vele andere biografieën van genezers alleen over zichzelf gaat: kijk eens wat ik kan.“

Jezus wilde geen nieuwe godsdienst ▶ 27:45

Een van de meest gestelde misvattingen ruimt hij expliciet op.

“Jezus heeft nooit een eigen godsdienst willen stichten. De bedoeling van Jezus was het jodendom terug naar zijn echte roots brengen, al die hypocrisie eruit. Maar blijkbaar was dat zo radicaal dat het in de richting van een andere godsdienst is geëvolueerd.“

Dat het christendom daarna zo snel groeide, blijkt uit de datering van de bronnen. De brieven van Paulus zijn ouder dan de evangeliën, want zolang de ooggetuigen leefden was er geen behoefte aan geschriften.

“De evangeliën ontstaan pas rond het jaar 70, wanneer al die ooggetuigen aan het wegvallen zijn en men begint te zeggen: mannekes, men begint hier van alles te vertellen, nu gaan we toch dingen moeten noteren.“

Hij merkt daarbij op dat in die vroege gemeenschappen veel vrouwen aan het hoofd stonden, terwijl men in Rome die rol vandaag nog moet onderzoeken.

Hebben we een nieuwe Jezus nodig? ▶ 28:48

Op de vraag of er nog een nieuwe profeet kan komen, geeft Geybels een antwoord dat verrassend actueel uitpakt.

“We hebben nog lang geen nieuwe nodig, want zelfs nog niet alles van Jezus is gerealiseerd. Die gelijkheid is zelfs in België nog niet gerealiseerd, waar ik in het nieuws constant hoor dat vrouwen voor hetzelfde werk minder verdienen dan mannen. Zijn programma is nog niet eens gerealiseerd.“

Ontkerkelijking, of een cultuur die wegspoelde ▶ 31:38

Over de neergang van het geloof in onze contreien is Geybels genuanceerder dan verwacht. Kwantitatief erkent hij de terugval tegenover de negentiende en vroege twintigste eeuw, maar hij ziet ook sporen van herleving, en wereldwijd zelfs groei. De interessantere vraag vindt hij een andere: hoe diep zat het eigenlijk?

“Het christendom was immens populair tussen 1850 en 1950, massa's. Maar we zien ook dat het vrij snel is weggespoeld daarna. Dus blijkbaar werd het eerder cultureel beleefd dan echt intern.“

Waar het volgens hem om draait, is precies waar Jezus op wees.

“Ik ben journalist, ik ben advocaat, ik ben leraar. Hoe beleef ik dat evangelie? Wat gebeurt er tussen twee zondagsmissen in? Dat beklijft veel meer, dat kun je veel minder snel uitwissen.“

Zijn conclusie is dat de uiterlijke beleving is ingestort, maar dat wie vandaag nog gelooft dat doorgaans intenser doet.

Van menswaardigheid naar levenskwaliteit ▶ 34:51

Hier ligt de zorg die Geybels het scherpst formuleert, en het is niet de zorg die je van een theoloog zou verwachten. Hij begint met een compliment aan het humanisme.

“Ik zeg altijd: je kunt geen goede christen zijn als je niet eerst een goede humanist bent. Het evangelie van de humanisten is de universele verklaring van de rechten van de mens. Die is tot stand gekomen in een christelijke cultuur.“

Wat hem verontrust, is geen normvervaging maar iets subtielers.

“Bij normvervaging heb je nog notie van de norm. Ik denk dat we stilaan te maken hebben met normverschuiving, waarbij men echt begint te morrelen aan die universele verklaring.“

Het concrete mechanisme dat hij aanwijst, is een woord dat niemand verdacht vindt.

“Waar de terminologie menselijke waardigheid vervangen wordt door levenskwaliteit, dat baart me zorgen. Of je nu geboren bent met één of geen armen, met een IQ van 10 of 180: je bent absoluut menswaardig. Maar levenskwaliteit kun je gaan meten. Ja, maar jij bent nog maar negentig procent mens. En een ander is nog maar veertig procent mens. En wat doen we dan met tien procent?“

Het ziekenhuisbed en de drugsdealer ▶ 37:05

De hosts brengen in dat je in een complexe samenleving nu eenmaal keuzes moet maken, zeker met beperkte middelen. Geybels weigert de rekensom, en illustreert waarom met een casus die hij ter plekke bedenkt.

“Neem een tachtigjarige. Het hele dorp draait rond hem, hij zit elk weekend in het café, hij lacht altijd. En die veertigjarige is een drugsdealer die al honderd gezinnen indirect kapot heeft gemaakt. Wat ga je nu doen, als je over levenskwaliteit spreekt?“

Zijn eigen criterium is er dan ook maar één, en hij houdt het vol wanneer de hosts blijven duwen met het voorbeeld van een baby tegenover een negenennegentigjarige.

“Er is maar één criterium: degene die eerst binnenkomt, heeft het bed. Ik wil geen onderscheid maken van: jij bent meer mens.“

Wel maakt hij zelf een uitzondering die hij uitdrukkelijk anders noemt, en dat is medische hardnekkigheid: een negenennegentigjarige reanimeren terwijl je weet dat het in negenennegentig van de honderd gevallen een lijdensweg van maanden wordt, is voor hem een andere kwestie.

"De mens is heilig, punt" ▶ 41:41

Waar hij de lijn trekt, formuleert hij zonder omhaal.

“De mens is heilig. Punt uit. Daar kom je niet aan, daar morrel je niet aan.“

Maar meteen daarna nuanceert hij op een manier die hem behoedt voor dogmatisme, en die opvalt bij iemand met zo'n absoluut uitgangspunt.

“Dan kan het gebeuren dat je in een uitzichtloze situatie terechtkomt. Als mensen dan in samenspraak met alle betrokkenen weloverwogen beslissingen nemen, so be it. Ik zal nooit ingaan tegen het geweten van iemand die een gewetensvolle beslissing heeft genomen.“

Zijn bezwaar richt zich dus niet op de individuele mens in nood, maar op de wetgevende beweging eromheen.

“Men is momenteel van elke individuele situatie een wet aan het maken. Stop daarmee.“

Wanneer een host vraagt of er dan helemaal geen wetgeving moet zijn, is zijn antwoord kort: zijn wetgeving is de universele verklaring van de rechten van de mens. Hij illustreert het verschil tussen legaal en moreel met de belastingparadijzen.

“Wat er op de Kaaimaneilanden en in Panama gebeurt, is allemaal perfect legaal. Wat zijn we dan met onze wetten? Het is compleet immoreel.“

Het absolute pacifisme ▶ 45:45

Dan volgt het langste en scherpste duel van de aflevering. De hosts leggen hem voor dat er plekken zijn waar christenen worden uitgemoord, en dat vergevingsgezindheid daar wereldvreemd aanvoelt. Geybels ontwijkt niet, maar geeft ook geen duimbreed toe.

“Jezus is wat dat betreft keihard. En een absolute pacifist. Dat is het absoluut moeilijkste wat te begrijpen is van zijn leer.“

Hij leunt daarbij op de filosoof René Girard, die volgens hem als enige de vinger op de wonde legde.

“Girard slaat de nagel op de kop wanneer hij zegt dat Jezus de eerste in de geschiedenis is die gezien heeft dat we onszelf iets wijsmaken. Dat is de absolute angel van het kwaad: dat het ons doet geloven dat we een minder kwaad mogen gebruiken om een groter kwaad te bestrijden. Dan blijft het kwaad, dan blijft de wraak in de wereld.“

De hosts houden vol: wat met mensen die duizendmaal over de grens zijn, die vrijkomen en opnieuw toeslaan? Geybels erkent de spanning tussen leer en praktijk, en doet dat met een openhartigheid die het betoog juist geloofwaardig maakt.

“Ik weet niet wat ik zou doen als mijn kinderen verkracht en vermoord zouden worden en ik die dader tegenkwam in een donkere straat met een honkbalknuppel bij. Ik weet het niet, eerlijk gezegd. Maar één ding weet ik zeker: Jezus is daar heel helder in. En ik geloof dat ook.“

Ook het voorbeeld van Gandhi laat hij niet romantiseren.

“Vergis u niet: dat geweldloos verzet van Gandhi heeft duizenden mensen het leven gekost.“

Vergeven is geen zand erover ▶ 50:05

Een van de hosts vraagt of vergeven niet neerkomt op alles laten passeren. Geybels haalt uit naar een Vlaamse uitdrukking.

“Vergeven en vergeten, dat is zo'n flauwekulidee. Vergeven is een zeer moeilijk en zwaar proces.“

Hij onderscheidt daarbij netjes wat vergeving wel en niet is, en dat is minder vrijblijvend dan het cliché.

“Vergeving is niet het kwijtschelden van een rechtmatige straf. Die straf moet uitgezeten worden. Naar de dader toe betekent het dat hij zijn verdere leven niet onder schuld gebukt moet gaan. Naar het slachtoffer toe dat het feit een plaats krijgt in zijn leven.“

Waarom hij geen partij kiest ▶ 52:25

Het pacifisme heeft voor hem ook een ongemakkelijke consequentie in het maatschappelijke debat, en hij weet dat hij daarmee tegen de stroom in gaat.

“Heel Vlaanderen kiest partij voor Palestina, maar dan zitten we weer in een wij-zijverhaal. Ik begrijp waar dat vandaan komt. Maar als christen moet ik proberen boven de twee partijen te staan, zodat er een moment zou komen waarop ze zeggen: de enigen met wie we nog kunnen babbelen zijn christenen, om het hier op een akkoordje te gooien. Omdat we geweigerd hebben partij te kiezen.“

Wanneer de hosts opwerpen dat christenen uit conflictgebieden juist wegtrekken, en dat die rol dus onvervulbaar wordt, spreekt hij dat tegen met twee concrete voorbeelden uit eigen ervaring: gemeenschappen in Bethlehem en in Aleppo die bewust bleven, met gevaar voor eigen leven.

“Dat zijn de echte helden, die die boodschap van Jezus echt proberen te leven. En dat geeft mij hoop, dat laat mij zien: Jezus had gelijk.“

Eerlijkheidshalve voegt hij eraan toe dat de officiële kerkleer eeuwenlang anders luidde, met het principe van de rechtvaardige oorlog, en dat die leer volgens hem niet tot Jezus zelf te herleiden valt.

Het vacuüm na de grote verhalen ▶ 55:28

Wat komt er in de plaats wanneer de kerk wegvalt? Geybels wijst erop dat het niet bij één verhaal bleef.

“We hadden er meerdere: het katholicisme, maar ook het socialisme, het liberalisme, het Vlaams-nationalisme. Die zijn allemaal komen te vervallen. Eigenlijk zijn al die ideologieën ledenorganisaties geworden, want ze proberen gewoon zoveel mogelijk leden te krijgen ongeacht wat die denken. Het zijn economische entiteiten geworden.“

Wat overblijft is volgens hem één verhaal dat niet ter discussie staat, en dat is het economische. In dat vacuüm springen anderen.

“Dat verklaart ook het succes van het populisme. In die verzuilde maatschappij maakte populisme weinig kans, want ze hielden elkaar in evenwicht. Die checks and balances zijn weggevallen.“

Populisme zelf is voor hem allesbehalve nieuw, en hij trekt de lijn ver terug.

“In Amerika is met Trump identiek hetzelfde gebeurd als in bepaalde episodes in het Romeinse rijk, waar een keizer heel goed het gemor van het volk hoorde en dan zijn eigen establishment daar de schuld van gaf. Maar hij gaat het allemaal oplossen.“

De populariteitsrace ▶ 57:46

Is dat dan niet gewoon democratie, opperen de hosts, als iemand aanvoelt wat het volk wil? Geybels noemt het slecht geïmplementeerde democratie, en legt de vinger op wat er volgens hem structureel misloopt.

“De populariteitsrace van de politiek is verschrikkelijk. Ik zou graag hebben dat we het terug over inhoud hebben, maar het is zo georganiseerd dat het de facto altijd uitkomt bij de populariteitsrace. We hebben het niet over ideeën, we hebben het over personen die ideeën bespreken.“

Wanneer de discussie over manipulatie en framing gaat, relativeert een van de hosts dat dit van alle tijden is en dat traditionele media er nog harder op springen dan de politiek. Geybels houdt vast aan het punt van de weggevallen evenwichten.

1991 en het einde van de staatsman ▶ 59:19

Zijn scherpste politieke observatie is een datum. Voor 1991 leidden drie à vier grote partijen het land, en de afspraken die zij aan het begin maakten, hielden stand. De kentering legt hij bij de komst van Verhofstadt, die volgens hem met iedereen afspraken maakte en zich aan geen enkele hield.

“Die spraken af: Martens, gij krijgt dat, Tobback, gij krijgt dat. En die hielden zich daaraan. Vanaf 91 verandert dat. Tot op de dag van vandaag is er geen vertrouwen meer tussen die democratische spelers. Daar zitten we met een heel zwaar fundamenteel probleem.“

Wat daarmee verdween, is een begrip dat hij mist.

“Voor 91 was er nog sprake van staatsmannen en vrouwen. Maar dat begrip staatsman, wie is dat nu nog?“

Een van de hosts vult aan met zijn eigen definitie: iemand die het beste voorheeft met zijn volk en dat als een goede huisvader regelt, iemand die vanaf het moment dat hij minister is er voor alle burgers is en een compromis durft te sluiten om vooruit te gaan. Geybels beaamt dat, en de hosts merken op dat de lijst met kandidaten in dit land bijzonder kort is geworden.

Wat geloven eigenlijk is ▶ 1:05:29

Wanneer een host het geloof in God vergelijkt met blind vertrouwen in een politiek leider, wijst Geybels dat af omdat het over een andere orde gaat: een godsverhaal beantwoordt de vraag waarom ik hier ben, een politicus niet. Zijn definitie van geloof is vervolgens verrassend alledaags.

“Geloven is niet het voor waar aannemen van dingen die je niet kunt bewijzen. Ik geloof op dit ogenblik dat mijn moeder nog leeft. Ik heb daar geen enkel bewijs voor. Ik zou haar kunnen bellen, maar in de wereld van AI zou dat wel eens een fake stem kunnen zijn.“

Hij beroept zich daarvoor op kardinaal Newman, voor wie geloof gewoon een functie is naast andere, zoals het rationele denken.

"Ik ben maar een halve darwinist, omdat ik honderd procent wetenschappelijk ben" ▶ 1:06:59

Het slotdeel gaat over wetenschap en geloof, en daar wordt Geybels het meest prikkelend. Hij is uitdrukkelijk geen creationist, benadrukt hij, maar hij weigert het darwinisme als afgesloten hoofdstuk te behandelen.

“Ik ben maar een halve darwinist, om de doodeenvoudige reden dat ik honderd procent wetenschappelijk ben. Er zitten veel gaten in het darwinisme.“

Zijn argument is historisch: Darwin zelf brak met de theorie van Lamarck omdat hij de gaten daarin niet meer kon opvullen. Dat kan opnieuw gebeuren.

“Het kan zijn dat we over dertig, veertig jaar een wetenschappelijk genie hebben dat zegt: ik kan geen gaten meer opvullen in dat darwinisme, het is compleet anders gegaan.“

De hosts brengen daartegen in dat het bewijs wel steeds dezelfde richting uitwijst, en dat het momenteel het beste model is. Geybels erkent dat laatste woordelijk, maar houdt vast aan het voorbehoud. Zijn tweede argument is de kosmologie.

“Ik heb een boek gelezen: de dertien grootste kosmologen over het ontstaan van de kosmos. Dertien compleet verschillende theorieën. Als dat wetenschap is, dan zou het toch allemaal dezelfde theorie moeten zijn.“

Zijn eigenlijke punt gaat niet over evolutie maar over status.

“Het ging daar net over geloof, en geloof is dan zoiets minderwaardigs aan wetenschap. Maar manneke, je wil niet weten wat er allemaal geloofd wordt in de wetenschap dat niet gefundeerd is.“

Tegelijk waarschuwt hij expliciet voor de omgekeerde denkfout, en dat is opvallend voor een theoloog.

“Dan gebruik je God als stoplap: we schieten steeds verder op in de wetenschap en daar op het einde zal God zitten. Ik geloof dat God het beginpunt en het eindpunt van alles is, maar daartussenin kunnen wij wetenschappelijk gerust bezig zijn.“

Waarom een wet geen verklaring is ▶ 1:12:23

Waar hij het meest overtuigt, is in zijn onderscheid tussen beschrijven en verklaren, en hij gebruikt Newton om het te maken.

“Het absolute genie van Newton is dat hij ontdekt heeft dat de natuur een taal spreekt, en dat hij die wetmatigheden is gaan omzetten in wiskundige formules. Maar dat is geen verklaring. Bij veel wetten hebben wij gewoon de indruk dat het een verklaring is.“

Zijn voorbeeld is de zwaartekracht.

“Kom niet af met zwaartekracht. Zwaartekracht is een beschrijving van dat alles constant rond elkaar draait. Maar waarom? Wij zullen dat nooit kunnen verklaren, want wij kunnen geen observatie doen buiten het universum.“

Daar koppelt hij zijn diagnose aan van waarom jongeren hun geloof verliezen: niet door de wetenschap zelf, maar door een naïeve schoolversie ervan waarin alles vlekkeloos uit elkaar volgt. In de topwetenschap, zegt hij, weet men wel beter.

De taal van God ▶ 1:15:25

Het gesprek eindigt speels. Een van de hosts stelt dat als God een taal spreekt, het wiskunde moet zijn. Geybels noemt dat een van de talen, maar niet de eerste.

“De eerste taal is nog altijd liefde.“

Waarop de host droog opmerkt dat God dan toch eerst wiskunde nodig had om een universum te bouwen waarin liefde kan bestaan.

Op de slotvraag welke woorden van Jezus mensen te weinig kennen, houdt Geybels het bij twee regels die hij de samenvatting van de hele Bijbel noemt.

“Bemin God en bemin uw naaste. Punt.“

Wat blijft hangen ▶ 1:16:11

Wat na ruim vijfenzeventig minuten overblijft, is een theoloog die zijn zaak grotendeels met historische en filosofische argumenten voert in plaats van met gezag. Hij bouwt zijn claim over Jezus nadrukkelijk empirisch op, hij prijst het humanisme voor het christendom, en hij waarschuwt tegen God als stoplap voor wat de wetenschap nog niet weet.

De rode draad is het onderscheid tussen wat je kunt meten en wat je niet mag meten. Levenskwaliteit laat zich becijferen, menswaardigheid niet, en juist daar ziet hij een norm verschuiven waar bijna niemand op let. Hetzelfde geldt voor zijn wetenschapskritiek: een formule beschrijft dat iets gebeurt, niet waarom.

En het ongemakkelijkste deel van zijn betoog, dat absolute pacifisme, verdedigt hij zonder te doen alsof het makkelijk is. Hij geeft toe dat hij niet weet wat hij zelf zou doen met een honkbalknuppel in de hand. Precies dat maakt het gesprek tot wat Discours zoekt: een uitgesproken standpunt dat de tegenwerpingen niet ontwijkt.