In de Melkerij in Brasschaat staat een glas water voor Jeroen De Ridder. De hoogleraar filosofie aan de Vrije Universiteit Amsterdam is een onthouder, en de Discours-whisky blijft op tafel staan voor wie het wel proeft. “Toch zoet, ik zeg het nog wel.“ De hosts klinken om met een chinkje rum, een glas wijn ernaast, en de gast bedrijft het ritueel met water. Het is een opmerking die in een gesprek over kennistheorie merkwaardig past. De Ridder is per definitie de man die proeft, beoordeelt, en niet de eerste indruk laat overheersen.

De Ridder werkt op het terrein van de epistemologie, de kennistheorie. Wat is kennis, hoe kom je eraan, wanneer mag je iemand een expert noemen, en wanneer moet je waakzaam blijven over wat een gemeenschap zegt te weten? In een tijd waarin desinformatie, complotdenken en alternatieve feiten in elke samenleving een serieuze rol spelen, is dat een vakgebied dat geen comfortabele blik op de wereld toelaat. Wat volgt is een gesprek van ruim een uur dat zich beweegt van de verkokerde universiteit naar AI in de spreekkamer van uw toekomstige dokter, van de pamfletten van Willem van Oranje naar de eindtermen filosofie op de Nederlandse middelbare scholen, en van Richard Dawkins naar Alvin Plantinga.

Wat een filosoof bedoelt met "kennis" ▶ 1:31

De Ridder beschrijft zijn vak in eenvoudige termen. Het gaat over wat kennis is, hoe je eraan komt, en of er grenzen zijn aan wat je kunt weten. Wanneer mag je iets “weten“ noemen, en wanneer is het hooguit een vermoeden? Maar het is niet alleen een individueel verhaal. De moderne epistemologie heeft de blik verbreed naar gemeenschappen en samenlevingen.

“Ik ben vooral bezig met de rol van kennis in de politiek, in de maatschappij. Hoe kun je universiteiten zo organiseren of de hele samenleving zo organiseren dat er goede kennis geproduceerd wordt? Dat die kennis ook goed gebruikt wordt in beleidmaken, politieke besluitvorming.“

Het probleem zit volgens hem niet in het aanbod. In Nederland zijn er prima instituten als de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid en de klimaatadviesraad die degelijke expertise leveren. Het probleem zit aan de ontvangstkant. “Wat doen mensen ermee? Nemen ze het serieus? Luisteren ze ernaar?“ Op dat moment verlaat de discussie het epistemologische terrein en wordt ze bestuurlijk en psychologisch.

Wetenschappers in vierkante millimeters, niemand die het plaatje overziet ▶ 3:49

Wat hedendaagse wetenschap typeert is dat ze zich heeft ingegraven in vierkante millimeters. Politicologen, economen, biologen, taalwetenschappers, statistici, allen werken in steeds smallere subspecialisaties. Voor één politiek vraagstuk levert dat een tiental kleine kennisstukjes op, zonder dat er iemand is die het volledige plaatje kan samenvatten.

“Niemand is een soort universele expert op al die gebieden. Iedereen produceert kleine stukjes kennis, vaak supergespecialiseerd. Maar er is vaak niemand die kan zeggen: oké, we hebben nu al die vierkante millimeters bij elkaar gelegd, en het plaatje ziet er zo uit.“

Op universiteiten wordt het probleem zelf erkend. “Interdisciplinair“, “transdisciplinair“, het zijn de buzzwords. Maar de prikkels van het systeem werken er actief tegenin. De vakbladen zijn georganiseerd langs disciplinaire lijnen. Wie een filosofisch artikel met empirische data instuurt, krijgt het door communicatiewetenschap-tijdschriften afgewezen omdat het te conceptueel is, en door filosofie-tijdschriften omdat het te empirisch is. Het wetenschappelijk publiceren wordt zo de belangrijkste rem op het denken in geheelheid.

“Als je probeert om die vakgebieden te integreren, kun je vaak je publicaties niet kwijt. En dat betekent dat je als wetenschapper niet hogerop komt.“

Een host plaatst de stelling dat de samenleving slecht is in lateraal denken, het verbinden van inzichten uit verschillende velden tot één scherper beeld. De Ridder beaamt zonder voorbehoud. “Het is wel bewezen dat als je verschillende kennisgebieden samenbrengt, je daar veel betere conclusies uit krijgt. Je hoeft niet niet te specialiseren, maar you need both.“ Lateraal denken is geen luxe voor intellectuelen, het is een gereedschap voor beleid in een complexe wereld.

De universiteit met haar koffieautomaat in een ander gebouw ▶ 5:21

De Ridder beschrijft een aantal onschuldige maar verstrekkende oorzaken van de versnippering. Vakgebieden zitten in verschillende gebouwen op dezelfde campus. Filosofen lunchen niet automatisch met communicatiewetenschappers. Het toeval dat de wetenschapsgeschiedenis groot heeft gemaakt, een ontmoeting bij een poster, een gesprek in de cafetaria, wordt geneutraliseerd door fysieke afstand.

“Het is niet dat we het expres tegenhouden. Maar in het systeem zit het zo ingebakken dat het moeilijker is dan je zou willen.“

De academische cultuur voegt er een conservatief element aan toe. Wie een vak heeft geleerd, leert het zoals het al decennia wordt geleerd. Wie van een ander vak iets wil meebrengen, moet er volgens De Ridder vier jaar in studeren om er als gelijke aan te kunnen praten. Tijd die hij niet heeft, en die de meeste van zijn collega's evenmin hebben. Wat er wel gebeurt zijn los van de universiteiten opgerichte kenniscentra die expliciet interdisciplinair werken. De Ridder ziet die opkomen, maar het is geen norm. “Het kantelt langzaam. Ik loop nu zo'n twintig jaar mee in de wetenschap. Ik zie wel veel meer initiatieven dan toen ik begon.“

Top-down wetenschapsfinanciering: Nederlandse les voor Vlaanderen ▶ 8:24

Wanneer een host vraagt naar de rol van overheden in wetenschapsorganisatie, gaat De Ridder huiveriger. Nederland is volgens hem op een aantal punten te ver gegaan in top-down wetenschapsfinanciering.

“We hebben in Nederland via onze nationale wetenschapsfinancier allerlei programma's met specifieke thema's waar wetenschappers vanuit verschillende richtingen in samen moeten werken. Aan de ene kant is dat sympathiek. Aan de andere kant zijn veel mensen aan het protesteren omdat ze denken: wetenschappers weten zelf het beste wat interessante nieuwe vragen zijn.“

De ironie is dat top-down sturing precies dat ondermijnt waar wetenschap op draait, de vrijheid om vragen te stellen die op het moment van financiering nog niet als prioritair golden. Een overheid die thema's voorschrijft, dwingt onderzoeksgroepen tot strategisch combineren. Wat eruit komt, is vaak niet de beste wetenschap maar de meest compromis-bestendige.

“De inmenging van de overheid is altijd tricky. De overheid weet ook lang niet altijd wat daar het beste is.“

Vlaanderen is volgens De Ridder daarin minder ver doorgeslagen. Wat in zijn observatie geen pleidooi is voor overheidsterugtocht, maar wel een waarschuwing aan beleidsmakers om het tempo van interventie te temperen.

Coronapandemie: wat een witte jas niet automatisch doet ▶ 9:55

De pandemie was voor De Ridder en zijn collega's een leerschool in kennis-acceptatie. Het was geen tekort aan expertise. Het probleem was dat expertise alleen niet zorgt voor maatschappelijke beweging.

“Je kan wel mensen in witte jassen bij elkaar zetten in een clubje en die laten vertellen wat we moeten doen. Maar dat betekent nog niet dat de hele samenleving mee gaat bewegen.“

Wat wel werkt is volgens hem het bouwen aan vertrouwensrelaties. En vertrouwen is geen rationele aangelegenheid maar een psychologische. Mensen herkennen zichzelf in een spreker, of niet. Wie het gevoel heeft dat de expert deel uitmaakt van een maatschappelijke elite die zijn belangen niet behartigt, gaat geen kennis aanvaarden, hoe correct die ook is.

“Als je het idee hebt: die experts zijn onderdeel van een maatschappelijke elite die helemaal niet mijn belangen voor ogen heeft, dan ga je die mensen niet vertrouwen. En dat is zonde, want daarmee wordt de legitieme kennis die er is gewoon afgewezen.“

Wie het reguliere kennisaanbod verwerpt, valt terug op alternatieven. Alternatieve experts, alternatieve feiten, in extreme gevallen complotten. De epistemologische blik op dat verschijnsel is niet om mensen die in complotten geloven moreel te veroordelen, maar om te begrijpen welk vacuüm ze proberen op te vullen. Een terloopse opmerking van een host raakt aan een breder verschijnsel. Elke krant staat vol met “onbenoemde experts“. De Ridder erkent het lachend. Het is een retorisch instrument om zonder verifieerbare bron toch het gewicht van expertise op te roepen.

Waarom de paniek over desinformatie overtrokken is ▶ 12:13

Een vraag van een host opent een ander front. Hoe ernstig is de desinformatie-crisis nu echt? Volgens De Ridder is de paniek “echt een beetje overtrokken“. De cijfers vertellen een ander verhaal dan de krantenkoppen suggereren.

“Het zijn hele kleine percentages onder de 5%, soms zelfs onder de 2 of 1%. Een klein gedeelte van de accounts verspreidt 80 tot 90% van de desinformatie. En aan de gebruikerskant hetzelfde. 80, 90% wordt gelezen, gezien door 2, 3% van de gebruikers.“

Maar het belangrijkste argument van De Ridder zit elders. De heersende voorstelling van zaken klopt niet, mensen zien geen desinformatie en gaan er dan in geloven. Het werkt omgekeerd.

“Mensen vertrouwen al de mainstream media niet. Ze geloven al in alternatieve ideeën en ze gaan dus eigenlijk zelf actief op zoek naar desinformatie. Dus het is niet zo dat mensen eerst desinformatie zien en het dan gaan geloven. Nee, ze hebben al wantrouwen.“

Een host noemt het meteen confirmation bias en wijst op Roemenië, waar de verkiezingen werden geannuleerd na meldingen over TikTok-bots die de uitslag zouden hebben beïnvloed. De Ridder kent niet alle details, maar erkent het effect van kleine aantallen in nipte verkiezingen. “In Amerika zit dat allemaal rond de 50,5 49,5. Een heel klein aantal kan toch een groot verschil maken omdat je daar het winner takes all hebt.“

Hij plaatst er meteen een historische relativering naast. John Adams, de tweede president van de Verenigde Staten, schreef ergens in 1798 dat in de afgelopen twee jaar al meer desinformatie via de pers was verspreid dan in de honderd jaar daarvoor. De Ridder las onlangs de biografie van Willem van Oranje en stootte op dezelfde dynamiek. “Pamfletten in die tijd, er werd volop desinformatie verspreid over wie wat deed.“

“Het bestrijden van desinformatie online is eigenlijk een beetje symptoombestrijding. Je zou veel meer moeten werken aan het vertrouwen in de maatschappij tussen mensen onderling, tussen overheid en burgers.“

De illusie van weten: kun je je fiets uitleggen? ▶ 16:49

Wanneer een host het over AI brengt, kantelt het gesprek naar het kritisch denkvermogen. De Ridder is “eerder bang dat het internet gewoon helemaal vol komt te staan met rommel“, een verstopt moeras van AI-gegenereerde teksten en beelden. Misschien dat mensen op een gegeven moment besluiten dat internet maar te laten zitten en terugkeren naar offline bronnen, naar bibliotheken, naar plekken die ook fysiek bestaan. “Bronnen waarvan je weet, oké, die hebben ook een offline presentie, een adres, een kantoor, daar werken echte mensen.“

Maar het diepere probleem zit in iets anders. Mensen overschatten systematisch wat ze weten en begrijpen, en AI maakt dat erger.

“Als ik aan jullie vraag, kun je me uitleggen hoe je fiets werkt? Dan denken jullie waarschijnlijk: ja, dat kan ik wel uitleggen. Dat lukt wel. Maar als ik dan zeg: ga nou eens echt tekenen wat met die trappers en die ketting en versnellingen, geef me een goede uitleg. Tenzij jullie technisch goed onderlegd zijn, lukt het niet.“

Hij voert een tweede voorbeeld aan, het S-vormige waterfonteintje onder de afvoer, in het Nederlands de zwanenhals. Iedereen denkt het te weten. “Tegen de stank, voor het water.“ Maar uitleggen hoe het werkt, dat lukt niet.

Onderzoek bevestigt het patroon. Wie alleen al een telefoon met Google in de buurt heeft liggen, geeft optimistischer antwoorden op vragen over wat hij weet, dan wie de telefoon niet bij de hand heeft. De aanwezigheid van het hulpmiddel verandert het zelfbeeld. Een host vergelijkt het met de discussie over Google en Wikipedia twintig jaar geleden. Toen ook werd gezegd dat mensen dommer zouden worden. Wat eigenlijk gebeurde, is dat de hersenen herorganiseerden. “Een betere RAM en minder opslag.“ We onthouden niet meer waar we de informatie vinden, in plaats van wat we weten.

De extended mind, van het notitieblokje tot Plantinga's chip ▶ 22:11

De Ridder voert hier een filosofisch concept op dat het gesprek scherper trekt, de extended mind.

“Je kunt je geest, je denkvermogens, je cognitie, kun je uitbreiden, extenden in de wereld. En dat doe je al met een simpel notitieblokje waarin je gewoon aantekeningen maakt van dingen die je moet onthouden. Telefoon is daar next level. Google Maps, zoekmachines, AI.“

Een host noemt het meteen het mini cyborg-principe. We weten zelf minder, maar we weten waar we onmiddellijk aan informatie kunnen, en we kunnen ons constant verplaatsen via GPS zonder dat we de weg kennen. Ben ik nu dommer of slimmer geworden? De Ridder waagt zich niet aan een moreel oordeel, maar wijst wel op wat verloren gaat. Het vermogen om kritisch te reflecteren op wat je leest, om correcties aan te brengen, om door te hebben wanneer iets misgaat. “Omdat je niet meer die basisinformatie hebt die dat kritisch vermogen toelaat.“

Hij trekt de lijn een paar stapjes verder. Stel dat AI op een dag is ingebouwd in een bril, of via een chip op je hoofd, dat je quasi al-denkend vragen kunt stellen. Hij verwijst naar de pogingen van Elon Musk in die richting. Dat geeft nog sterker de illusie van “ik weet alles, ik begrijp alles, want je kunt het instant oproepen“. Maar je weet het niet. Je leest gewoon iets anders voor.

Sommige cognitieve vermogens gaan daarbij echt verloren. De Ridder maakt de vergelijking met de oude molens die Nederland sieren. Wie weet nog hoe je een molen onderhoudt? Het is ambachtelijke kennis die verdwenen is omdat niemand zulke molens nog ontwerpt. “Dat zal denk ik ook gebeuren met ons denken en met onze kenvermogens. Sommige gaan een beetje verloren.“ De ingewikkelde berekeningen uit het hoofd of met een rekenliniaal, daar vind je nog hooguit mensen van boven de tachtig voor.

“We denken allemaal: ja, we fietsen natuurlijk, die kunnen we gebruiken, dat snappen we uitstekend. Of de zwanenhals onder de afvoer. Maar leg eens uit. Weten we niet.“

Uw volgende dokter, getraind via AI ▶ 27:32

De vraag van een host trekt het door naar het onderwijs. Is De Ridder optimistisch of pessimistisch over hoe AI de jongere generaties raakt? “Ja, ik ben wel een beetje pessimistisch over hoe ver AI aan het doordringen is in het onderwijs en bij jongere generaties, gewoon vanwege het effect op de denkvermogens en concentratievermogens.“ Kennis opbouwen is niet alleen een kwestie van feiten kennen, het vraagt uithoudingsvermogen, doorzetten, moeilijke dingen doen. “Wie gaat dan straks nog de topwetenschapper van de toekomst zijn? Want dat is 80, 90% bloed, zweet en tranen en 10% inspiratie misschien.“

Een host pakt een meme erbij die de ronde doet. “Your next doctor is now getting through his studies through AI.“ De gedachte dat je dokter zijn diploma haalt door een chatbot te raadplegen, jaagt schrik aan. Een natuurlijke reflectie zou kunnen zijn dat patiënten over tien, twintig jaar liever naar een oudere dokter gaan dan een jongere.

“Je hebt een bepaalde generatie in een paar jaar die effectief die diploma's heeft, maar die eigenlijk minder waard zijn tussen haakjes door heel dat zoekende gegeven achter die dingen.“

De Ridder is het er voor honderd procent mee eens. Hij voegt er de andere kant aan toe. Voor patroonherkenning op tumoren via beeldvorming presteert AI vaak beter dan een menselijke radioloog. “Radiologie gaat uitdagingen kennen.“ Maar voor de uitzonderlijke gevallen, het ene op het miljoen, blijft een menselijke dokter onvervangbaar. Een collega die er ooit één heeft gezien, een congres dat de zeldzaamheid besprak, een lampje dat gaat branden. AI mist dat. “Tegelijkertijd voor de grote meerderheid van de gevallen werkt het waarschijnlijk prima.“

Boerenverstand versus universele kennis: het stikstofdebat ▶ 36:46

Een host stuurt het gesprek naar de politiek. Niet elke stem is evenveel waard, vinden de hosts. Ze zetten zichzelf zeker niet op het hoogste pedestel. De Ridder volgt het met een glimlach, “vooral stemmen van professoren zou natuurlijk extra zwaar moeten tellen“, en koppelt het aan de filosofische discussie over democratie versus epistocratie.

“Epistocratie is een moeilijk woord voor het idee dat de kenners, de wijze, moeten regeren. Daar raakt dit aan. Is het om je stem uit te brengen nodig om een soort basiskennis te hebben van hoe de politiek werkt, wat de grootste maatschappelijke vragen zijn?“

Hij snapt de drive erachter heel goed. Tegelijk aarzelt hij sterk. Politiek draait niet alleen om kennis maar ook om een moreel ideaal van gelijkheid. Mensen mogen hun zegje doen, hoe slecht geïnformeerd ook. Het feit dat ze burger zijn, geeft ze een stem. Een host bevestigt het. “U heeft ook het recht om slecht geïnformeerd te zijn. Dat mag.“ Tegelijk willen we wel dat het land bestuurd wordt door mensen die er een beetje verstand van hebben. “Er zit een soort botsing in van morele en kennisidealen in de democratie inherent.“

De Ridder voegt er een ander kennisbegrip aan toe.

“Je hebt net zo goed de kennis nodig van: zijn maar gewoon de hele lokale leefomstandigheden. Wat doet dit beleid met mij als ik woon op een boerderij ergens buiten? Dat is typisch kennis die vaak niet in overheidsinstanties zo nadrukkelijk aanwezig is, maar die ook relevant is om beleid goed te begrijpen.“

Boerenverstand, noemt een host het. De Ridder corrigeert zichzelf onmiddellijk dat hij het niet wil romantiseren, maar de spanning blijft. Hij illustreert het met twee kwesties die in Nederland politiek dynamiet zijn. Migratie, waar de cijfers over heel Nederland soms aangeven dat het “best goed gaat met de integratie“, terwijl in bepaalde wijken de problemen wel degelijk zichtbaar zijn. En stikstof, “in het algemeen gaat het niet goed met stikstof in Nederland, wil niet zeggen dat het lokaal niet prima ervoor kan staan“. Wetenschappelijke kennis streeft naar universele geldigheid, lokale kennis is contextgebonden, en beide zijn waar tegelijk.

Een host vraagt door op verplicht stemmen, een Belgisch fenomeen dat in Nederland ontbreekt. De Ridder bevestigt dat de Nederlandse opkomst toch ergens rond de zestig à zeventig procent ligt, “laatste jaar zelfs nog wat hoger“. Het verschil met het verplichte Belgische model is in de praktijk niet zo enorm. Wat hij wel benadrukt, is dat sommige mensen hun stem uitbrengen “eigenlijk gewoon om hun middelvinger op te steken naar het systeem“. Het zou goed zijn als die mensen zich beter informeerden, ja, maar het zijn ook burgers, en ieder mag zijn eigen keuze maken.

Maatwerk in plaats van top-down: bottom-up beleid ▶ 43:36

De vraag wat we met die twee soorten kennis moeten doen, noemt De Ridder de moeilijkste. Zijn antwoord is pragmatisch en ervaringsgericht. Begin met het grote gemiddelde, het algemene beleid. Kijk wat dat oplevert. Als blijkt dat het lokaal anders werkt of averechts uitpakt, ga dan dieper, lokaler, gedifferentieerder kijken.

“Het is ook gewoon fouten maken en leren op basis van empirie.“

Tegelijk ziet hij de grenzen. Voor iedere individuele burger beleid maken, kan niet. Een host legt zichzelf ook even op tafel: “Ik wil mezelf het meest goed maken. Ik struggle ook met persoonlijke waarheden en met meer algemene waarheden.“ De Ridder ziet er een aanleiding in om het onderscheid scherper te trekken. Subjectief versus objectief is misschien niet het beste begrippenpaar. Beter is de oppositie tussen universeel geldig en lokaal contextgebonden, tussen de wetenschappelijke patroonzoeker en de burger die weet wat er in zijn wijk leeft.

Geloof en wetenschap: waarom het conflict een illusie is ▶ 46:43

Een host stuurt het naar het andere onderzoeksdomein van De Ridder, geloof en wetenschap. De Ridder verwijst naar de Nederlandse hoogleraar filosofie Herman Philipse en naar de Gentse filosoof Maarten Boudry, die beiden hoog opgeven van een onvermijdbaar conflict tussen wetenschap en religieus geloven. Wie wetenschap serieus neemt, kan eigenlijk niet meer geloven, is hun stelling.

“Ik geloof daar helemaal niet in dat conflict onvermijdelijk is. Als je gaat kijken in de geschiedenis zijn er allerlei voorbeelden van conflicten waar op de een of andere manier wetenschappen en op de een of andere manier de kerk of gelovigen bij betrokken waren. Maar dat is een enorm gedifferentieerd beeld.“

Hij voert de evolutietheorie aan. Direct na Darwin had je Asa Grey, een Amerikaanse botanicus en bevriende predikant, die met Darwin correspondeerde en gefascineerd was door de evolutietheorie. Pas later kwamen de fundamentalistische christenen die er niets van wilden weten. “Altijd een gedifferentieerd beeld.“

“Er is vaak een conflict tussen wetenschap die op een atheïstische manier geïnterpreteerd of geduid wordt en geloof. Maar dat is weinig verrassend, want als je het atheïsme over de wetenschappen heen schuift, dan is er natuurlijk een conflict met religieus geloof. Maar als je atheïst bent, ben je niet gelovig.“

Een host levert zijn eigen gedachte. Wie heel diep in de wetenschap zit, stoot op een punt waar je niet meer verder kunt verklaren. “Een factor x. Een decimaal punt ergens dat niet klopt, dat niet strookt.“ Op dat extreme punt kun je ofwel keihard atheïst worden, ofwel keigelovig, en beide zijn even waar. De Ridder beaamt het. “Wetenschap dwingt je niet om atheïst te worden. Het dwingt je zeker ook niet om gelovig te worden. Het laat ruimte voor beide.“

Geloof zonder bewijs: de erfenis van Plantinga ▶ 50:30

Een host vraagt naar zijn meest atypische conclusie binnen het vakgebied. De Ridder geeft een tweede schokje, naast het ontkrachten van de conflictstelling.

“Om religieus te geloven, heb je volgens mij niet per se argumenten nodig. Veel mensen zeggen: ja, maar je gelooft in God. Wat zijn dan je argumenten? Kun je bewijzen of onderbouwen? Ik denk dat dat helemaal niet nodig is. Je kunt prima religieus opgroeien of een bijzondere ervaring hebben en op latere leeftijd tot bekering komen.“

Hij voegt er meteen aan toe dat hij niet origineel is. “Dat heb ik geleerd van Amerikaanse filosofen, Alvin Plantinga, Nicholas Wolterstorff, dat soort mensen.“ Een van de hosts duwt terug. Het kan een coping-mechanisme zijn, dat wil hij wel meegaan, maar zodra je dingen begint te poneren of op anderen wil omleggen, mag er bewijs gevraagd worden. De Ridder erkent het deels. Voor het publieke debat, en zeker in de politiek, is de vraag naar redenen volkomen terecht. Wie zegt “mijn reden is dat ik ooit een bijzondere ervaring heb gehad“, krijgt een terecht antwoord van “prachtig voor jou, maar dat overtuigt mij niet“.

“Tegelijkertijd kun je natuurlijk ook zeggen: luister, door de wereldgeschiedenis heen, er zijn zoveel mensen die religieuze ervaring hebben gehad. Je moet mensen ook niet het zwijgen opleggen in een publiek debat.“

De host kantelt zijn eigen positie. Hij zegt zelf eerst dat geloof zonder bewijs binnenshuis prima is, om dan toch toe te geven dat een geloof per definitie niet bewezen kan worden, anders is het geen geloof. “Het is dezelfde cirkel.“

Een andere host brengt Richard Dawkins in. “Dawkins zegt dat hij het geprobeerd heeft, en die zegt dan: ja, religie is de wortel van alle kwaad.“ Een negatieve som dus, kerken in de plus, doden in de min, alles tegen elkaar wegen. De Ridder gaat er niet in mee. “Je kunt dat gewoon niet berekenen, want dat is een subjectief gegeven.“ Een host gooit er een grap tegenaan: dan moet AI dat maar berekenen, alle computing power, acht kerncentrales aan energie. De Ridder relativeert dat in Nederland meer kerken staan dan in Vlaanderen, lacht om de “eenheidsworstdrang“ hier, en eindigt met een lof voor zuilen. “Ik vind een zuil echt een prachtig ding.“ Waar worden er nog gebouwd? Een host noemt de Trump-balzaal. Lacht. Het bevestigt zijn standpunt eigenlijk, dat zuilen nu vooral in het nieuws komen omwille van de commotie eromheen.

De eindtermen filosofie: wat 2027 leerlingen gaan leren ▶ 57:24

Voor het einde van het gesprek brengt een host het terug op kennisoverdracht. De Ridder zit in de commissie die de eindtermen voor het vak filosofie op de Nederlandse middelbare school herschrijft. Vanaf 2027 gaat het programma vier jaar lang hetzelfde blijven.

“We hebben eigenlijk de volledige vrijheid om daar onze hobby als filosoof in uit te storten. Een groep docenten leest mee om te kijken of ze het begrijpelijk vinden voor leerlingen. Het is heel leuk dat dan straks mijn eigen vakgebied vier jaar lang het eindexamenthema gaat worden.“

De thema's die in dit gesprek aan tafel kwamen, vinden er hun weg in. “Enkele duizenden leerlingen die voor filosofie kiezen op de middelbare school. Die gaan allemaal leren over desinformatie, over propaganda, over politiek en kennis, over leren van anderen, over wat moet je doen als je het oneens bent met anderen.“

De Ridder is enthousiast over hoe het proces verlopen is. De docenten die meelazen, vond hij hele geschikte mensen die echt vanuit de leerlingen konden zeggen wat werkte en wat niet. “Die lokale kennis“, merkt een host droogjes op, “intradisciplinair aan het samenwerken.“ Tegelijk relativeert De Ridder. Hij kijkt naar zijn eigen kinderen. De gemiddelde 15-, 16-, 17-jarige zegt al snel “ja, boeien“. Pubers willen jongens en meisjes verkennen, hun hormonen gieren door hun lijf. “We kunnen nog zo'n mooi programma verzinnen, maar of dat uiteindelijk veel gaat doen, weet ik niet.“

Leven lang ontwikkelen: bedrijfsethiek voor wie het wil weten ▶ 1:04:19

Een host stelt de vraag of we geen onderwijs verspillen aan een leeftijd waarop interesse en motivatie nog niet helder zijn. De Ridder herkent het uit eigen ervaring. Hij heeft een poos bedrijfsethiek gedoceerd, zowel in de voltijdopleiding bedrijfswetenschappen als in de deeltijdopleiding voor wie al een aantal jaren werkte en alsnog een master haalde.

“Een wereld van verschil. Die zitten daarom dat ze willen. Ook met ethiek vooral. Die jongeren van 19, ethiek? Wat is waar gaat het over? Het is allemaal totaal droogzwemmen. Terwijl mensen die al een poosje in de praktijk bij de overheid of het bedrijfsleven hebben gewerkt, die snappen: ja, soms zit je echt in lastige dilemma's. Hoe moet je nou omgaan met ongewenste verhoudingen en belangenverstrengeling. Die wilden heel graag van mij horen: ja, ethiek, hoe kun je daarover nadenken? Wat voor denkers zijn hier? Vertel het ons.“

In Nederland heet het “leven lang ontwikkelen“, afgekort tot LO. De gedachte is dat mensen later weer naar de universiteit terugkomen voor vakken en cursussen. Maar de norm is nu nog vooral een privécircuit van coaches, cursussen, kerncompetenties. “De kwaliteit daarvan is vaak heel eng. Het is gewoon voor één specifiek ding, om u meer arbeidscapabel te maken. Niet om nog na te denken over een thema dat u boeit.“ Dat doen mensen hooguit na hun pensioen.

Een host duwt door. Onderwaarderen we niet de plasticiteit van het brein tussen 18 en 25? Dat zijn precies de jaren waarin je de grootste leercapaciteit hebt, maar ook de jaren waarin je het minste weet over wat je interesseert. De Ridder erkent het dilemma maar laat de illusie meteen vallen. “Je kunt heel moeilijk verwachten dat mensen op hun 18e weten van: nou ja, dit is wat ik tot mijn 67e wil.“ Tegelijk blijft er een beleidsidee dat hij sympathiek vindt, mensen bij de aanvang van hun carrière een opleidingsbudget geven dat ze de volgende dertig jaar mogen inzetten. Studiepunten en loopbaanonderbreking bestaan al, maar hoe die zich vertalen naar effectief universitair onderwijs is een open vraag.

Epiloog: wat ouder en jonger weten ▶ 1:02:02

Een laatste vraag richt zich op de generaties. Wat weten jongeren wat ouderen niet weten? De Ridder is daar mild over. De klacht dat de jeugd het niet meer snapt en op sociale media vereenzelvigt, is van alle tijden. Hij vertelt over een filmpje dat hij naar zijn dochter doorstuurde, een beer en konijntjes op een trampoline. “Zij zegt: ja, pap, dat is door AI gemaakt.“ Hij had het zelf in eerste instantie niet door.

“Zij hebben andere vaardigheden die ze aanleren en dan zeggen wij dat dat minder is of niet goed is. Het is anders, maar het is lang niet altijd minder goed.“

Aan het einde van het gesprek bedankt een host De Ridder voor zijn tijd, zijn bereidheid “om in te zetten voor uw passie“, en voor de afstand die hij aflegde. De Ridder, water in zijn glas, geeft het woord terug. “Was maar een eer om hier te zijn.“

Wat de longread van een gesprek als dit moeilijk vat, is de toon. De Ridder polemiseert niet. Hij ontkracht niet door tegen te schreeuwen maar door geduldig de gedifferentieerde geschiedenis te tonen. Hij verdedigt het recht om zonder argumenten te geloven, maar erkent het terechte verzoek om bewijs zodra je dat geloof publiek wil maken. Hij gelooft niet in de paniek over desinformatie maar weet dat één gek met een wapen een politicus kan vermoorden. Hij is voor lateraal denken zonder te vergeten dat specialisten onmisbaar zijn.

Het gesprek is twee uur in de Melkerij waarin een hoogleraar epistemologie en twee hosts elk hun deel doen, elk hun beste argument inbrengen, en elkaar terugduwen waar dat moet. Dat is precies wat Discours sinds vier jaar probeert. De dialoogparadox, het boek waarover de hosts halverwege adverteren, vat het samen in drie eenvoudige zaken, de bereidheid tot dialoog, het op een degelijke manier voeren van die dialoog, en accepteren dat als die twee gegeven zijn, een samenleving wel vooruit komt. De Ridder hangt zijn hele werk op aan dezelfde gedachte. Vertrouwen bouwen kost meer dan correcte kennis produceren. Een witte jas alleen volstaat niet. Wat een filosoof eraan kan toevoegen, is rust om het kantelen, hoe langzaam ook, te zien gebeuren zonder zich erin te verliezen.