In de Melkerij in Brasschaat staat een glas Discours-whiskey voor Mark Andries. De administrateur-generaal van VLAIO, voluit het Vlaams Agentschap Innoveren en Ondernemen, is naar Brasschaat afgezakt om een innovatie-architectuur uit te leggen die zelden in detail in het publieke debat aan bod komt. “Het is whiskey met honing,“ waarschuwt een host aan tafel, “als u een echte whiskeydrinker bent dan is dit verschrikkelijk.“ Andries trekt het glas naar zich toe, neemt een eerste slok en bevestigt droogjes: “Te zoet.“

Wat volgt is een gesprek van ruim een uur waarin Andries, die al sinds 2019 aan het hoofd van VLAIO staat, een fusie-agentschap van zo'n 500 medewerkers door alle plooien legt. Hij verdedigt het werkmodel actief, maar laat ook zien waar het schoentje wringt: bij de valorisatie, bij de risicoschuwheid van Vlaams kapitaal, bij coronafraudeurs die met een verklaring op eer een paar duizend euro probeerden te ritselen, en bij een defensie-industrie die plots opnieuw populair is na decennia van afgekeerd hoofd. De hosts duwen geregeld terug. Soms over paper pushers en bureaucratie. Soms met de vraag of het allemaal niet eigenlijk een vrijemarktprobleem is. Andries gaat geen enkele duw uit de weg.

Innoveren en ondernemen samengevoegd, want de twee kunnen niet zonder elkaar ▶ 1:34

VLAIO bestaat ongeveer tien jaar als gefuseerd agentschap. Het is, in de woorden van Andries zelf, het resultaat van het samenvoegen van een aantal eerdere agentschappen die zich hetzij met innovatie, hetzij met ondernemen bezighielden. De vorige Vlaamse regering nam volgens hem “een gelukkige beslissing“ door die structuren samen te voegen, omdat de twee terreinen volgens Andries onlosmakelijk verbonden zijn.

“Er zijn heel veel mensen die innoveren, maar de bedoeling is toch dat er een vorm van business van te maken van al die innovaties. Innovaties zijn ook weer geen doel op zich. En als je in Vlaanderen succesvol wil ondernemen, dan ga je toch op een of andere manier ook moeten innoveren.“

In een Belgische arbeids- en kostencontext kan een bedrijf niet concurreren door anderen na te bootsen. Wat in Aziatische lage-loonregio's wel werkt, werkt in Vlaanderen niet. De enige werkbare strategie is innovatie als groei-instrument. Daarom heeft VLAIO de twee functies samengevoegd, en daarom werkt het agentschap voor bedrijven van verschillende grootte. Ongeveer 70 procent van de klantenportefeuille bestaat uit kmo's. Van de innovatie-pot van 250 miljoen euro vloeit ongeveer de helft naar kmo's, de andere helft naar grote ondernemingen die complexere en duurdere projecten indienen.

3,3 procent van het Vlaamse bruto product gaat naar onderzoek, en toch is dat niet de beste graadmeter ▶ 3:07

Op de vraag of Vlaanderen genoeg investeert in onderzoek en ontwikkeling, geeft Andries een statistiek die in het publieke debat zelden zo strak wordt geformuleerd.

“Drie komma drie tot 3,6 procent van het bruto binnenlands product wordt opnieuw geïnvesteerd in onderzoek en ontwikkeling. En er is geen enkel ander Europees land die zo hoog scoort.“

Dat klinkt op het eerste gehoor als een sluitend pleidooi voor het Vlaamse innovatiebeleid. Maar Andries voegt er meteen de zelfkritiek aan toe die elke goede ambtenaar in zo'n positie maakt. Het cijfer toont uitgaven, niet uitkomsten.

“Uitgeven moet je doen als je wil innoveren. Innoveren kost nu eenmaal geld. Mensen moeten op die innovaties diep gaan, dingen ontwikkelen, een laboratoriuminfrastructuur opbouwen. Maar je hebt natuurlijk wel gelijk, dat is eigenlijk de grote boodschap van het rapport van Mario Draghi.“

Het Draghi-rapport en het Europese valorisatieprobleem ▶ 3:53

Het kerndocument waar Andries zich op beroept, is het rapport dat Mario Draghi (oud-president van de Europese Centrale Bank) in 2024 schreef in opdracht van Ursula von der Leyen. De diagnose vat hij in één zin samen.

“Heel Europa, dus ook België, Vlaanderen: onderzoek doen we genoeg. Innovaties bijvoorbeeld gemeten in het aantal patenten die we aanvragen, daar ontbreekt het niet aan. Ons grote probleem van Europa is valorisatie.“

Wat Draghi en Andries met “valorisatie“ bedoelen, is de stap tussen ontdekking en marktintroductie. Europa is goed in onderzoek en in patentaanvragen. Slecht in het omzetten van die patenten in commerciële producten die hun weg naar de markt vinden voordat een Amerikaanse of Aziatische concurrent het sneller doet.

“Wij blijven nog wat onderzoeken en nog wat ontwikkelen en nog wat verbeteren, en dan pas gaan we naar de markt. Maar als ondertussen iemand zijn huiswerk iets minder grondig gemaakt heeft, maar al veel eerder op de markt is en voorsprong genomen, dan kom je misschien de tweede of de derde, en dan kom je misschien te laat.“

De diagnose is voor Andries niet alleen een Europese kwestie maar de kernopgave van VLAIO. Wat helpt het om innovatie-budget te leveren als de gefinancierde projecten in een laboratorium blijven steken?

Waarom scale-ups Vlaanderen verlaten en wat in de VS anders is ▶ 6:11

Een fenomeen dat in de Vlaamse innovatiediscussie vaak terugkomt, is dat scale-ups die hier de basis hebben gelegd, vervolgens naar het buitenland trekken voor hun groei. Andries geeft toe dat dit gebeurt, en wijst de hoofdoorzaak aan: het financieringslandschap.

“Er is geld genoeg in Vlaanderen en in Europa. We kunnen heel veel projecten en bedrijven financieren. Maar vaak zijn de mensen met geld nogal risicoschuw. Als je geld hebt, wil je het graag houden. En dan gaat men dikwels eerder in vastgoed of in bedrijven die men al kent dan in een scale-up gaan investeren.“

In de Verenigde Staten ontbreekt die risicoschuwheid op een andere schaal. Wie daar een ambitieuze scale-up financiert, doet het met de bewuste intentie om te verliezen op negen van de tien projecten en op het tiende een rendement te halen dat de andere negen ruim compenseert.

“Ik denk dat dat de hoofdreden kan zijn waarom innovaties die hier ontstaan, soms pas doorbreken op het moment dat ze zich elders gaan vestigen.“

Wat Andries niet ziet, is dat bedrijven bewust delocaliseren om subsidies “op te halen“ en dan elders te produceren. Als VLAIO dat zou vaststellen, vordert het agentschap de subsidies terug, en dat is volgens hem in de afgelopen jaren niet vaak moeten gebeuren. De return die de Vlaamse belastingbetaler verwacht, vat hij nuchter samen.

“De return die de belastingbetaler graag heeft, zijn jobs, investeringen, export, welvaart. Dat moet uiteindelijk terugkomen.“

Het Cika-verhaal van Barco en het meeneem-effect dat in onderzoek niet blijkt te bestaan ▶ 30:19

Op de directe vraag of er een case is die hem in zijn jaren als directeur is bijgebleven, aarzelt Andries even. Hij geeft niet graag voorbeelden, zegt hij, maar maakt dan toch een uitzondering.

“Cika van Barco misschien toch wel noemen, dat we gesteund hebben op het moment dat het niet zo goed ging met Barco. Dat zijn ook van die grote bedrijven, er zijn ups en downs. En dan zijn ze toch met het idee gekomen van wat CinkShare geworden is.“

Die anekdote zit voor Andries niet toevallig in zijn geheugen. Ze illustreert wat hij ziet als de kern van wat een agentschap als VLAIO toevoegt: geloofwaardigheid op een moment dat de markt niet meer mee wil. “Wij geloofden nog in ons op het moment dat anderen ons niet meer zagen staan“, krijgt hij volgens eigen zeggen geregeld terug van bedrijven die later een doorbraak forceren. En vaak waren die anderen kapitaalverstrekkers.

Daarmee komt Andries op een argument dat in het publieke debat over subsidies vrijwel altijd ontbreekt: het vermeende meeneem-effect. De stelling is bekend. Een bedrijf zou een innovatie-project hoe dan ook gedaan hebben, vraagt toch maar even subsidie aan, en steekt de uitgespaarde 20 procent in eigen zak. Andries heeft daar onderzoek naar laten verrichten, en het resultaat verbaasde de critici.

“Bedrijven die subsidie krijgen van VLAIO leggen er nog iets zelf bovenop of slagen erin om nog extra kapitaal aan te trekken en nog meer te innoveren.“

De subsidie blijkt geen meeneem maar een hefboom. Dat effect is bovendien sterker bij kleine bedrijven dan bij grote, omdat grote ondernemingen ook fiscale stimulansen kunnen aftikken. Bij een kmo of een scale-up trekt elke euro VLAIO-steun extra privaat kapitaal aan. Het is, in Andries' lezing, de empirische onderbouwing waarom het hele systeem überhaupt gerechtvaardigd is. “Dat blijkt ook uit serieus economisch onderzoek,“ voegt hij toe.

Vertrouwen als principe: politiek niet betrokken bij innovatiesteun ▶ 12:23

Een principe dat Andries zonder voorbehoud verdedigt, is dat innovatiesteun in Vlaanderen geen politieke beslissing is. Een minister kan VLAIO niet bellen om een specifiek dossier te bevoordelen of te belemmeren.

“In Vlaanderen is altijd zo geweest dat innovatiesteun geen politieke beslissingen zijn. Je moet nooit naar de minister gaan om te zeggen: er is hier een dossier ingediend voor innovatie, minister, vindt u dat eigenlijk wel oké dat we daar zoveel geld aan uitgeven? Dat is ons toevertrouwd. Daar vertrouwt men ons.“

Het is een institutioneel ontwerp dat in vele andere regio's en landen ontbreekt. Innovatie wordt door VLAIO-adviseurs en externe experten beoordeeld op inhoudelijke criteria, niet op politieke wenselijkheid. Andries plaatst dat als een beschermend hekwerk rond de inhoudelijke kwaliteit van het beleid, en hij benoemt het zelf in bijna academische termen.

“Een bijna objectieve, bijna wetenschappelijke benadering: is dit een goed innovatieproject of niet?“

Een host duwt terug. Is het dan niet een vorm van een blanco cheque per jaar? Andries lacht het weg, maar antwoordt scherp: “Heel kort door de bocht, ja. Maar we moeten binnen het wettelijke kader blijven, binnen die Europese regels. Als het gaat over een project dat een bedrijf indient, dan zal het VLAIO zijn die beslist of dat kan of niet, en onder welke voorwaarden. Dat klopt wel.“

Coronafraude met "verklaring op eer", en de terugvordering die nog jaren later loopt ▶ 20:18

In normale tijden beheert VLAIO een budget van ongeveer 700 miljoen euro per jaar. Tijdens de coronacrisis kreeg het agentschap echter de operationele opdracht om miljarden euro's aan steun te kanaliseren naar getroffen sectoren: winkels, kappers, cafés en restaurants die van de ene dag op de andere moesten sluiten zonder inkomstenstroom. Andries herinnert zich het moment exact.

“Het lot heeft VLAIO aangewezen als degene die dat moest geven. Dat is ook niet onze kern. Ik denk dat het toen heel goed geweest is voor onze economie: we hebben faillissementen vermeden, mensen hebben hun inkomen kunnen behouden, dat ze hun huur nog konden betalen.“

Op 13 maart 2020, zo herinnert hij zich, werd hij naar de top van de Vlaamse regering geroepen. UNIZO, VOKA en Horeca Vlaanderen zaten erbij. De boodschap: er komt een lockdown, getroffen bedrijven krijgen steun, en VLAIO gaat dat uitkeren. De vraag terug uit de zaal was simpel maar ongezien: kan dat geld niet over twee weken op die mensen hun rekening staan?

Het werkmodel dat eruit voortkwam was de “verklaring op eer“. Een kapper verklaarde dat hij een kapperszaak uitbaatte, en kreeg het steunbedrag op de rekening. Snel, efficiënt, en onvermijdelijk een open deur voor wie het niet zo nauw nam met de waarheid.

“Iemand die een ander soort zaak uitbaat, die wel mocht openblijven, die zegt dan: ja, maar ik ben eigenlijk ook kapper. En zo zijn er toch wat mensen, als er een paar duizend euro te krijgen valt, die ook bereid zijn van te liegen.“

Andries klinkt niet boos zoveel jaar later, eerder zakelijk. Op de totale steunmassa valt het misbruik volgens hem nog mee. Maar omdat zoveel bedrijven steun kregen, gaat het in absolute aantallen toch over enkele duizenden gevallen. En, zo benadrukt hij, “we zijn daar niet lak in geweest“. Vandaag de dag zijn er nog steeds bedrijven die VLAIO geld terug moeten betalen. Het agentschap gaat erachteraan.

EU-staatssteunregels: subsidies verboden, behalve voor onderzoek ▶ 11:36

Een institutioneel kader dat in de Vlaamse innovatiesubsidie-discussie zelden wordt benoemd, is dat van de Europese staatssteunregels. Andries legt het uit alsof het een evidentie is.

“De staatssteunregels komen van Europa. De EU moet proberen een level playing field tussen alle bedrijven in alle EU-landen. De regel één van de EU is: geef geen subsidies. Subsidies zijn verboden.“

Dat VLAIO toch bestaat en subsidies geeft, ligt volgens Andries aan een handvol uitzonderingen. Een van de belangrijkste is voor onderzoek en ontwikkeling. Andere uitzonderingen gelden voor leefmilieu, voor kmo-ondersteuning binnen bepaalde grenzen, en voor regionale ontwikkeling. Buiten die uitzonderingen mag VLAIO geen geld uitkeren. De Europese Commissie audit het agentschap regelmatig op die regelconformiteit. Dat houdt VLAIO scherp en zorgt ervoor dat de Vlaamse subsidiepraktijk niet als oneerlijke concurrentie kan worden aangevallen door andere lidstaten.

Wallonie Entreprendre, Inoviris en het Belco-programma als confederalisme by accident ▶ 43:18

Innovatie-steun is in België volledig geregionaliseerd. Andries legt geduldig uit hoe de drie deelstaten dat in de praktijk oplossen. In Wallonië heet het zusteragentschap Wallonie Entreprendre, dat een fusie is van een aantal Waalse investeringsmaatschappijen. Maar, en hier zit een subtiel maar belangrijk verschil:

“Zij zijn geen, zij geven eigenlijk geen innovatiesteun. Dat doet in Wallonië het ministerie, het service public Wallon. Dat is een een echt klassieke overheidsinstelling. Geen agency, geen agentschap.“

Het verschil zit niet alleen in de organogram-letter, maar in dynamiek. Een ministerie hangt sterk af van zijn minister; een agentschap heeft afstand. De Europese koepelorganisatie Taftie, the agencies for innovation of Europe, aanvaardt het Waalse ministerie dan ook niet als lid, omdat een agentschap nu eenmaal anders functioneert. Wallonie Entreprendre wel.

In Brussel ligt dat anders. Inoviris, het Brusselse innovatie-agentschap, is wel een echte evenknie van VLAIO. “Heel gelijkaardige activiteiten, en daar werken we eigenlijk veel mee samen,“ vertelt Andries, en de reden ligt voor de hand. Bedrijven met een lab in Brussel die in Vlaanderen willen produceren, of andersom, mogen niet “het slachtoffer zijn van onze staatsstructuur“. Geen shopping van het ene loket naar het andere, geen kastje-naar-de-muur. Ook geen overlap. VLAIO en Inoviris stemmen aan het begin af wie het dossier behandelt.

Op een vraag van een host of de drie deelstaten dan ook samen subsidies kunnen toekennen, geeft Andries een antwoord dat sommige federalisten nog wat hoop kan geven, en anderen juist niet.

“Er is een programma dat heet Belco, en daar kan een Vlaams bedrijf, een Waals bedrijf, een Brussels bedrijf of combinaties daarvan zeggen: wij slaan de handen in elkaar, wij gaan een project maken, en ieder vraagt subsidie aan bij zijn eigen agentschap, van zijn eigen regio. Maar wij stemmen wel met elkaar af.“

Een host benoemt het rechtstreeks: confederalisme op kleine schaal. Andries beaamt zonder reserve: “Dat klopt helemaal. We hebben daar geen, daar zit geen federale collega bij als we dat doen.“ Op de directe vraag of die regionalisering eigenlijk geen nadeel oplevert in vergelijking met een Belgisch agentschap, is hij ondubbelzinnig.

“De staatsstructuur is vandaag wat ze is, en er bestaat geen Belgische VLAIO. Het feit dat men bevoegdheden geregionaliseerd heeft, en een daarvan is inderdaad economische steunverlening aan bedrijven, ondersteuning van innovatie, dat een goede zaak geweest is dat men dat gedaan heeft.“

Politiek, want de opeenvolgende Vlaamse regeringen hebben volgens Andries, ongeacht hun partijkleur, altijd dezelfde kaart getrokken: investeren in onderzoek en ontwikkeling, in IMEC, in bedrijfsinnovatie. Geen minister die het beleid van de vorige doodverklaarde. Andries vermoedt dat die continuïteit op het federale niveau niet had bestaan.

Defensie-industrie, vredesdividend en wat Luc Van den Branden Barco vroeg ▶ 54:01

Een van de meer beladen passages in het gesprek gaat over de Vlaamse omgang met de defensie-industrie. VLAIO mag, zo legt Andries uit, sinds enkele jaren wel innovatieprojecten steunen die op militaire toepassing gericht zijn, maar niet als het gaat om “non-lethal hè, dingen waar je mensen rechtstreeks mee kunt vermoorden, munitie, raketten, geweren“. Voor pure dual-use of communicatie-toepassingen is er marge. Daarnaast staat een Vlaamse regel die mogelijks binnenkort wordt afgeschaft, en waarover de Vlaamse regering moet beslissen.

Andries grijpt terug naar de geschiedenis om te tonen waar de huidige terughoudendheid vandaan komt. Het voorbeeld is concreet en welbekend in de Vlaamse industriële wereld.

“De Vlaamse regering heeft ooit aan Barco gezegd: wil u alstublieft stoppen met toepassingen die eigenlijk voor militaire vliegtuigen bedoeld zijn? Hebben ze dat afgesplitst. Dat was de tijd dat GIMV nog de aandeelhouder van Barco was. Daar was inderdaad de richtlijn van Luc Van den Branden om dat te zeggen.“

De context, voegt Andries toe, was die van het einde van de Koude Oorlog. Men sprak toen van het vredesdividend dat geoogst moest worden. Geld dat niet meer in bewapening ging, kon naar welvaart. “Times are changing,“ zegt hij vervolgens, “we zijn 30 jaar later en we spreken natuurlijk compleet anders.“

In dat nieuwe kader ziet hij vooral de noodzaak om de defensie-industrie open te breken naar partnerschappen. Een paradox eigen aan de sector zit volgens Andries in de geslotenheid die om begrijpelijke confidentialiteitsredenen heerst, maar die innovatie tegenhoudt.

“Geslotenheid en discretie staan niet altijd op goede voet met innovatie. Omdat als je wilt innoveren, moet je soms wel uw deuren en uw ramen openzetten, partnerschappen zoeken ook met partijen waar dat je nog nooit mee hebt samengewerkt.“

Daarbij komt de hybride oorlogsvoering, die niet alleen op het land, in de lucht of op zee wordt uitgevochten, maar ook in cyberspace. Innovatie is daarvoor niet optioneel maar voorwaarde. Tegelijk waarschuwt Andries voor een te bruuske kanteling. “Ik pleit niet voor coronatoestanden als het gaat over uitgaven nu in defensie, want we zijn een nieuwe crisis aan het creëren die zich misschien niet helemaal moet stellen.“ Voor Vlaamse bedrijven die overwegen de defensie-markt te betreden, geeft hij praktisch advies: diversifiëren, niet 100 procent op de militaire markt rekenen, want één klant is altijd levensgevaarlijk. En voor wie defensie wel oppikt, komt er een hele set bijkomende verplichtingen mee, van personeelsscreening die maanden kan duren tot strikte toegangsregels rond de gebouwen. Andries oppert dat VLAIO daar mogelijk een rol kan spelen om die screeningsprocedures sneller te laten verlopen.

Hands-on cultuur tegenover paper pushers, en waarom Andries niet jaloers is op de Nederlandse RVO ▶ 1:00:07

Een van de hosts brengt de discussie naar een gevoelig punt. Vlaanderen heeft, stelt hij, een hoog overheidsbeslag en een grote ambtenarij. Is VLAIO efficiënt genoeg? Zitten daar veel paper pushers? Andries kijkt verbaasd.

“Wat zijn dat? Paper pushers? Die uitdrukking is mij totaal onbekend.“

Eens uitgelegd dat het gaat om mensen die procedures volgen zonder daar nog toegevoegde waarde uit te halen, kantelt Andries het beeld om. Bij VLAIO is dat volgens hem nu juist niet de cultuur. Zijn organisatie heeft eerder het omgekeerde probleem.

“We hebben nog veel hands-on mensen, in die zin dat we soms eerder moeten bijsturen van: zijn jullie bewust van de risico's? We helpen de klant, we lossen het, we fixen het probleem. En je zegt: ja, maar wacht even, dat kan ook bepaalde risico's geven. Zorg er wel voor dat alles goed gedocumenteerd is.“

Dat is voor Andries een eerlijke schets, niet een compliment voor het eigen huis. Sinds zijn aantreden in 2019 is hij zelf gestoten op één observatie die hem verbaasde, ook al kende hij de organisatie naar eigen zeggen al van buitenaf goed.

“Als er iets is wat mij verbaasd heeft: hoe hard er gewerkt wordt. Er wordt gigantisch hard gewerkt.“

Bij het klassieke beeld van de stempelende ambtenaar plaatst hij vraagtekens. “Algemeen veel mensen die op een uurtje echt niet kijken, en die zeggen: dat moet hier gewoon opgelost worden of die klant heeft ons echt nodig. Die extra mile wordt echt wel gelopen door het overgrote deel van onze medewerkers.“

Dat brengt de discussie op de schaal van het apparaat. Met ongeveer 500 mensen is VLAIO niet het grootste Vlaamse agentschap, maar ook niet het kleinste. De fusie heeft volgens Andries grote efficiëntiewinsten opgeleverd. Drie aparte personeels- en communicatiediensten worden nu door één bediend. Bovendien kan een grotere organisatie aantrekkelijker zijn voor goede kandidaten op een krappe arbeidsmarkt. Maar er is ook een bovengrens.

“Ik ben niet jaloers op mijn Nederlandse collega, die een organisatie van twee of drie duizend mensen mag leiden. Ik vind niet dat je daar moet naar streven, om zo'n grote organisaties te hebben. Dat heeft inderdaad veel nadelen.“

De Nederlandse RVO, de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, biedt een veel breder palet aan diensten dan VLAIO. Maar de schaal eigen aan zo'n organisatie brengt bureaucratische risico's mee waar Andries niet naar verlangt. Hij kent vandaag nog redelijk veel van zijn eigen 500 medewerkers persoonlijk. “Ik zou dat echt missen als dat er niet meer was, dat contact met heel veel van onze mensen.“

Is dit niet gewoon een vrijemarktprobleem? ▶ 24:10

Op een bepaald moment in het gesprek confronteert een host Andries met de meest fundamentele bezwaar tegen het hele systeem. Als kmo's moeten meegaan met AI om te overleven, dan is dat een probleem voor hun bedrijfsmodel, niet noodzakelijk voor de overheid. “Misschien ben ik te dom, maar dat lijkt mij een vrijemarktprobleem als ik het heel cru stel, en niet zozeer een overheidsprobleem.“

Andries gaat de vraag niet uit de weg. Hij erkent het punt op de eerste orde, maar trekt het naar wat hij second order consequences noemt. “Als die bedrijven failliet gaan, dan wordt uw economie kleiner.“ Een Vlaamse kmo die de aansluiting met AI mist, draagt op termijn niet meer bij aan welvaart, jobs en export. Op dat moment is het wel degelijk een overheidsprobleem geworden. Daarom stuurt VLAIO oproepen uit naar hogescholen, organiseert het studiedagen, en laat het bedrijven sámen iets uittesten op de werkvloer in plaats van vanuit een grote zaal te lezen. Het is, in zijn ogen, even belangrijk als steun aan front-runners die zelf met innovaties komen, en mogelijk belangrijker.

“We moeten ook die brede groep van Vlaamse kmo's meekrijgen in de nieuwe technologie.“

Dezelfde vraag krijgt overigens ook een vermogensgerichte echo eerder in het gesprek, als de hosts polsen of er ooit naar de balans wordt gekeken: hoeveel hebben die subsidies in totaal opgeleverd aan toegevoegde waarde? Andries noemt dat een “onmogelijke verrekening“, omdat sommige innovaties pas na 20 of 30 jaar hun vruchten afwerpen. Hij wijst op de coronavaccins als voorbeeld. De technologie achter die vaccins werd in de jaren ervoor ontwikkeld voor mogelijke kankerbehandelingen. Niemand had voorzien dat het in 2020 een pandemie zou helpen indijken. “Hulde aan de mensen die 20 of 30 jaar geleden de beslissing genomen hebben om dat onderzoek te financieren.“

Wat Andries als directeur wel en niet kan veranderen ▶ 10:49

Een vraag die in een gesprek met een topambtenaar van een agentschap altijd terugkomt, is hoeveel ruimte hij heeft om beleid te beïnvloeden. Andries is daar opvallend transparant over.

De basisregels waarop hij steun kan toekennen, komen niet van de Vlaamse overheid maar van Europa, namelijk de staatssteunregels. De totale budgettaire envelope wordt door de Vlaamse regering bepaald in het meerjarenplan. De inhoudelijke beoordeling van projecten wordt door VLAIO-adviseurs en externe experten gedaan, los van politiek.

Wat Andries als directeur wél kan beïnvloeden, is de uitvoeringskwaliteit van het systeem. Hoe snel een dossier wordt behandeld, hoe transparant de criteria zijn, hoe goed de auditfunctie werkt, en hoe goed de relatie met aanvragers verloopt. Dat zijn geen kleinigheden, maar het zijn ook niet de strategische keuzes die de innovatie-koers van Vlaanderen bepalen.

Op de vraag of er ruimte is om het Vlaamse innovatiebudget te verdubbelen, schiet hij niet op een politieke graag-of-niet-graag in. Eerst nuchter wijzen op de absorptiecapaciteit, want VLAIO heeft nooit “de lat lager gelegd“ zelfs niet in vetjes-jaren waarin er extra geld in het systeem zat. En dan een eerlijke schets van waar de groei zat. Het Vlaamse innovatiebudget is volgens Andries op 10 of 20 jaar tijd verdubbeld, niet als een gestage 5-procent-per-jaar maar in een paar grote sprongen, met enkele jaren waarin honderden miljoenen extra het systeem instroomden. Geld dat gespreid is over VLAIO, universiteiten, kennisinstellingen als IMEC, en de FWO-PhD-financiering.

Wat een succesvolle innovatiesubsidie eigenlijk oplevert ▶ 8:29

Andries plaatst de KPI van VLAIO niet bij subsidieverstrekking maar bij economische return op de investering. Een Vlaamse belastingbetaler financiert via VLAIO de innovatiesubsidies, en die financiering is alleen verdedigbaar als ze meetbaar terugkomt in jobs, in investeringen, in export en in welvaart. Wie VLAIO opportunistisch denkt te benutten, geld in Vlaanderen halen en productie elders, ontvangt geen geduldige subsidies. Wie hier serieus de innovatie-keten doorloopt, van onderzoek tot scale-up, kan rekenen op aanhoudende ondersteuning.

“Wij steunen geen bedrijven, wij steunen projecten van bedrijven. Er is geen bedrijf dat aan het infuus hangt van VLAIO-subsidies.“

Het onderscheid is belangrijk. Een bedrijf dat structureel afhankelijk is van overheidssubsidies, draagt geen marktinnovatie maar zoekt schadeloosstelling. VLAIO probeert volgens Andries dat onderscheid in elke aanvraag te maken. En als een bedrijf meermaals projecten “vergloeit“ zonder waarmaking, weegt VLAIO dat mee in volgende dossiers.

“Er is natuurlijk wel een grens waarop je zegt: ja, die hebben bewezen het niet te kunnen. We moeten niet blijven in dezelfde bedrijven, geef dan misschien eens een kans aan een ander bedrijf die het wel kan.“

In de afronding van het gesprek wijst Andries op iets wat in een ambtenaarscontext zelden wordt benoemd. Hij wil geen agentschap dat zichzelf onmisbaar maakt. Wat VLAIO doet, kan over een aantal jaren door een efficiëntere structuur worden overgenomen, of opgaan in een andere innovatie-organisatie. Hij brengt het echter niet als een gelaten als-het-moet-dan-mag-het, maar als een principiële herinnering aan wie het uiteindelijk dient.

“Innovaties zijn ook weer geen doel op zich.“

Dat is geen aankondiging dat hij van zijn agentschap af wil. In de context van de hele aflevering lijkt het meer op een ethische ondergrond: het instrument dient het doel, niet zichzelf. Een paar minuten later besluit Andries het gesprek met een schets van waar voor hem de echte uitdaging zit: bij het Europese valorisatieprobleem dat Draghi heeft beschreven. Als dat probleem niet wordt aangepakt, dreigt het Europese innovatie-ecosysteem in een gestadige achteruitgang ten opzichte van de Verenigde Staten en China. Voor een topambtenaar van een Vlaams agentschap is dat een opvallend brede formulering. Andries kijkt verder dan zijn eigen agentschap, en hij weet dat de echte hefbomen niet bij hem liggen, maar bij Europese beleidsmakers en bij een financiële wereld die innovaties durft te financieren.

In dat opzicht is hij precies wat een Vlaamse overheid in een agentschap zou willen hebben: een uitvoerder die efficiënt zijn werk doet, en die tegelijk eerlijk durft te zeggen waar het werk eindigt en waar het systeem rondom hem zou moeten worden veranderd. Aan het einde van de namiddag in Brasschaat staat zijn glas Discours-whiskey nog half vol. Te zoet, dat klopte. Maar het werd intussen rustig opgedronken.