In de studio, tussen rum en rode draad
Een toast, de microfoons staan klaar, en tegenover ons zit Dirk Van Damme. Voormalig hoofd van het Centrum voor Onderwijsonderzoek en Innovatie bij de OESO, ex-kabinetchef van Frank Vandenbroucke, algemeen directeur van de Vlaamse Universitaire Raad, acht maanden grote baas van het gemeenschapsonderwijs. “Een bureaucratisch beest,“ zo wordt hij geïntroduceerd. Hij glimlacht. “Bedoel je dat als compliment?“ Het antwoord is volmondig ja. Want Van Damme is iemand die de kloof kent tussen het wetenschappelijk ideaal en de beleidspraktijk, tussen wat onderzoek aantoont en wat politiek haalbaar is. En die kloof, zo blijkt al snel, is soms een ravijn.
We praten over onderwijs zoals je dat zelden hoort: zonder populisme, zonder quick fixes, maar met de nuance van iemand die dertig jaar lang de tijd heeft genomen om na te denken. Over waarom Chinese kinderen keihard studeren zonder dat iemand hen dwingt. Over waarom Frans leren misschien minder belangrijk is dan we denken. Over waarom een zesde “ook wel genoeg“ het grootste probleem van het Vlaams onderwijs zou kunnen zijn.
De commissie die leraren moet redden (maar dat nog niet deed) ▶ 3:08
Eind 2022 belt minister Ben Weyts. Of Van Damme even wil nadenken over het statuut van leraren. Het regeerakkoord bevatte een belofte, een “loopbaanpakt voor leraren“, maar die bleef onuitgevoerd. Het kernprobleem: scholen krijgen te weinig mogelijkheden om een goed personeelsbeleid te voeren, het statuut is verouderd, modernisering blijft uit. Van Damme mag een commissie samenstellen, half experts, half praktijkmensen. De opdracht: een rapport met aanbevelingen. De deadline: één jaar.
De Commissie voor de Toekomst van het Onderwijs, of zoals sommigen het noemen, de “Commissie van Wijzen“ (Van Damme lacht om die naam), levert eind 2023 haar rapport af. De hoop was dat het een rol zou spelen in de onderhandelingen voor de nieuwe Vlaamse regering. “Maar het heeft maar een klein beetje meegespeeld,“ zegt Van Damme, zonder bitterheid maar ook zonder illusies.
“Hij zat in met het probleem dat hij eigenlijk een element van het regeerakkoord niet had uitgevoerd. Dat is altijd het idee geweest: we gaan dat in een groot pak, in een groot conclaaf gieten. Is nooit gelukt.“
De commissie bestaat nog steeds, twee jaar na oprichting, maar de impact blijft voorlopig beperkt. Het is een perfecte illustratie van wat Van Damme later zal zeggen over de kloof tussen wetenschap en beleid. Sommige dingen zijn wetenschappelijk helder, maar politiek onbespreekbaar. Andere zijn beleidsmatig urgent, maar wetenschappelijk omstreden. En dan zijn er nog de dingen die iedereen weet dat ze moeten gebeuren, maar die twintig jaar blijven hangen in de commissies, de kabinetten, de koepels.
Waarom leerplezier niet hetzelfde is als leuk vinden ▶ 5:15
“De grootste voldoening bij leren is wanneer je iets moeilijks onder de knie hebt gekregen en je zegt: nu ben ik content, ik ken dat, ik beheers dat.“ Van Damme buigt voorover. Dit is voor hem de kern. Het idee dat onderwijs “leuk“ moet zijn, dat het welbevinden voorop staat, dat leraren vooral coaches en begeleiders zijn, dat alles vindt hij een gevaarlijke afwijking.
“Als je zegt dat het allemaal leuk moet zijn, neem je heel veel kansen weg tot leren. Het leerplezier is niet dat het makkelijk is, maar dat je een berg hebt beklommen die je eerst niet over wilde.“
Historisch wisselt onderwijs tussen de uitersten, legt hij uit. Dertig, veertig jaar geleden was het systeem strak en kennis-gefocust. Latijnse woordjes blokken, grammatica stampen, papegaaienwerk. Daar kwam in de jaren 1990 een sterke reactie op: de competentiegerichte eindtermen, de focus op communicatie in plaats van spelling, de nadruk op zelfontplooiing. Taalonderwijs verschoof van woordenschat en grammatica naar communicatie als instrument. Men dacht: Vlamingen zijn wel goed, maar niet mondig genoeg vergeleken met Nederlanders. Nu zijn we volgens Van Damme te ver doorgeslagen. “We zitten in een periode waarin het echt heel erg gefocust is op welbevinden. We gaan waarschijnlijk nu weer een beetje naar het wat strengere: duidelijke structuur, duidelijke kaders, de leraar die echt instructie geeft.“
Maar, en dat is cruciaal, motivatie blijft belangrijk. “Je moet nog altijd motivatie hebben. Als je je onderwijssysteem te streng maakt, zijn er heel veel kinderen en jongeren die afhaken omdat ze niet uit zichzelf de motivatie hebben.“ Het is de eeuwige balans: structuur versus vrijheid, discipline versus autonomie, kennis versus vaardigheden. Van Damme gelooft niet in simpele antwoorden. Hij gelooft in een voortdurende dialoog tussen die polen.
Die motivatie ontwikkel je door positieve ervaringen, door wat hij “metacognitie“ noemt: mensen leren nadenken over hun eigen leerproces. Dat is meer dan studievaardigheden. Het gaat over inzicht in waar je goed in bent, waar je aan moet werken, en wat dat werken betekent. Het gaat over prospectieve vaardigheden: het vermogen om je eigen leren te sturen.
Kennis gaat niet verdwijnen door ChatGPT ▶ 10:47
De vraag komt onvermijdelijk: nu kennis overal beschikbaar is, via internet, via AI, waarom zou je nog iets moeten weten? Waarom Frans leren als Google Translate bestaat? Waarom feiten onthouden als ChatGPT ze voor je opzoekt?
Van Damme zucht. Het is een vraag die al decennia meegaat, sinds de jaren 1990 eigenlijk, toen de eerste generatie eindtermen werd geschreven. Het antwoord is voor hem glashelder: “Je moet een goed kennisfundament hebben. Anders kun je nooit van de tools die er zijn gebruik maken. ChatGPT? Je moet een goede prompt kunnen schrijven, en daarvoor heb je al redelijk wat kennis nodig.“
“Kennis gaat nooit op de achtergrond verdwijnen met nieuwe technologieën. Je hebt toch pasklare kennis nodig.“
Hij ergert zich aan mensen die hun GPS volgen zonder te weten langs welke steden ze rijden. “We krijgen mensen op bezoek die 400 kilometer gereden hebben van Vlaanderen naar ons huis in Frankrijk. Ik vraag: langs welke steden zijn jullie gereden? 'Oh, ik heb gewoon mijn GPS gevolgd.' Die hebben totaal geen idee hoe Frankrijk eruitziet. Iemand zei: ik ben Parijs gereden. Nee, hij was Reims gereden.“
Dat is voor hem het gevaar van een te oppervlakkige benadering van vaardigheden. Ja, kritisch denken is belangrijk. Ja, probleemoplossend vermogen is essentieel. Maar dat kun je niet los zien van kennis. “Je kunt alleen maar kritisch denken als je voldoende diep in een onderwerp zit om daar kritische vragen over te stellen.“
En daar zit ook een spanning. Sommige collega's van Van Damme beweren dat zogenaamde vaardigheden zoals kritisch denken niet bestaan, dat ze altijd domeinspecifiek zijn. Van Damme zelf vindt ze wel degelijk belangrijk, maar erkent dat onderwijs er nog niet in geslaagd is ze goed vast te krijgen. En hij ergert zich aan oppervlakkige toepassingen. “Je moet eigenlijk voldoende bagage hebben. Je moet voldoende diep in een onderwerp zitten.“
De hosts gooien het over een andere boeg: je kunt toch ook met weinig kennis kritisch zijn? Het is een kwestie van vragen stellen, van open vragen beginnen te stellen. Van Damme erkent het punt, maar nuanceert: “Onderwijs heeft wel de bedoeling om mensen te ontwikkelen en verder te krijgen. Ik denk niet dat onderwijs tevreden kan zijn met een niveau van kritisch denken waarbij je alleen maar brede vragen stelt.“
De balans tussen beide blijft zoeken. Begin met vragen stellen, ontwikkel een gezonde scepsis, maar bouw ook kennis op. Want zonder kennis blijft kritisch denken oppervlakkig.
Taal speelt daar een cruciale rol in. Het gaat niet alleen om communicatie, maar om cognitie. “Taal is cognitief rijkdom. Als je alleen maar één woord hebt voor zwart en niet voor de twaalf nuances, dan ga je ook cognitief die nuance niet opzoeken.“ Meer talen kennen, meer woorden kennen, betekent meer nuance kunnen denken. Dat is waarom taal, ook Frans of Engels, belangrijk blijft, ondanks Google Translate.
"Die Chinese jongens en meisjes doen keihard hun best, niet omdat ze daartoe verplicht worden" ▶ 30:31
Ergens halverwege het gesprek duikt China op. Het stereotype beeld: rigide schoolsysteem, hoge druk, zelfmoordcijfers door examenstress. Van Damme schudt resoluut zijn hoofd. “Totaal niet akkoord.“
Wat essentieel is in Aziatische landen, legt hij uit, is iets wat wij ook hadden na de Tweede Wereldoorlog: het idee dat onderwijs heel belangrijk is om je land vooruit te helpen, om jezelf vooruit te helpen, om je familie vooruit te helpen. “Die Chinese jongens en meisjes in de klas doen keihard hun best, maar niet omdat ze daartoe verplicht worden, omdat ze daarvoor gemotiveerd zijn.“
“China doet op 30 jaar waar wij 200 jaar over gedaan hebben om ons onderwijssysteem te ontwikkelen.“
Die intrinsieke motivatie, die prestatiemotivatie, die is in Vlaanderen veel lager. “Bij ons is de motivatie: als ik mij een zesde door kan slaan, is het ook wel genoeg.“ Het verschil zit niet in het systeem, maar in de cultuur. In China komt die motivatie voort uit een recent verleden van armoede. Veel gezinnen zijn arme mensen van het platteland, die naar de steden zijn getrokken of daar nu goed onderwijs krijgen. “Ik wil niet terug naar mijn ouders die in slechte tijden moesten leven. Ik wil vooruit.“
Die motivatie is niet alleen nationalistisch, benadrukt Van Damme. Het is patriotisme, maar ook familiegevoel. “Het is individueel, maar ook voor mijn ouders.“ Die drieslag, land-familie-zelf, dat is de motor.
Maar er zit een keerzijde aan. Het is een streng systeem. Er is competitie. Het is een afvallingschool. En die motivatie gaat afbrokkelen. “Mijn collega's in China maken zich grote zorgen. Ze zeggen: ja, maar ze zijn minder gemotiveerd dan 10 jaar geleden. Die jonge gasten zitten ook op een smartphone.“ De trend die wij al kennen, bereikt ook China. De vraag is niet of, maar wanneer.
Toch blijft het verschil tussen Oost-Azië en West-Europa markant. En het stelt vragen over hoe wij naar onderwijs kijken. Is motivatie iets wat je van buitenaf oplegt, of iets wat je van binnenuit ontwikkelt? En hoe doe je dat laatste, in een samenleving die zegt dat comfort en welbevinden het belangrijkst zijn?
Waarom Frankrijk het slecht doet en Vlaanderen het goed heeft ▶ 35:49
Dan komt de vraag naar governance. Hoe organiseer je een onderwijssysteem? Top-down of bottom-up? Centraal gestuurd of lokaal autonoom?
Van Damme is duidelijk: “Landen die heel sterk topdown sturen, zoals Frankrijk, en minder kiezen voor lokale autonomie en pluralisme, die doen het eigenlijk niet goed.“
Frankrijk, waar Van Damme woont, schrijft in elke school identiek hetzelfde curriculum voor. Alles moet op hetzelfde ritme gebeuren. De leraar wordt beschouwd als een individuele lesgever, die het ene jaar hier, het andere jaar in Marseille staat, afhankelijk van de noden. Het is een staatsonderneming. In Vlaanderen, daarentegen, hebben we heel veel verschillende scholen. Pluralisme. Vrijheid van onderwijs.
“Voor ons land zijn publiek-privaat inhoudsloze begrippen. Katholiek onderwijs is juridisch privaat maar wordt gelijk gefinancierd en gereguleerd als het publieke.“
Die vrijheid vindt Van Damme fundamenteel. “We leven in een pluralistische maatschappij, in een democratische samenleving. Dat betekent dat er verschillende visies bestaan, ook over onderwijs. Je kunt je kind naar deze of gene school sturen, niet alleen naar de school in je omgeving.“ Dat pedagogisch pluralisme, die lokale autonomie, dat is iets wat een wetenschappelijk ontworpen systeem ook zou hebben.
Het onderscheid tussen publiek en privaat is in Vlaanderen anders dan elders, benadrukt hij. Internationaal zijn het vaak twee gescheiden werelden: private universiteiten zoals Harvard of Yale functioneren weliswaar in een publiek bestel (studenten kunnen studiefinanciering gebruiken om er inschrijvingsgeld te betalen), maar de scheiding blijft. In Vlaanderen is die verstrengeling veel sterker. Het is een model waarin publiek en privaat niet tegenover elkaar staan, maar naast elkaar functioneren binnen dezelfde kaders.
Maar er is een keerzijde. Te veel autonomie leidt tot te grote verschillen. En dat brengt ons bij een van de meest heikele discussies in Vlaanderen vandaag: moeten scholen hun testresultaten publiceren?
De discussie over toetsen en de spanning tussen transparantie en concurrentie ▶ 40:19
“Scholen zijn compleet autonoom in het evalueren van leerlingen,“ zegt Van Damme. “Als je naar de Pisa-wolk kijkt, is die bij ons enorm uitgespreid.“ Elke school is één punt in die wolk. Sommige scholen scoren internationaal top. Andere zakken weg. Het diploma is hetzelfde, maar de kwaliteit verschilt gigantisch.
Daar komen gestandaardiseerde toetsen vandaan. Van Damme en onder andere Wouter Duyck schreven in 2017 een opinie in De Standaard: we moeten naar toetsen die voor iedereen ongeveer hetzelfde zijn. Die toetsen zijn ontwikkeld, in de vorige legislatuur. Van Damme heeft er “heel veel aan bijgedragen.“ Ze lopen nu, zijn één keer afgenomen. Maar er was een afspraak: de resultaten worden niet gepubliceerd.
“De bedoeling is dat een school zichzelf verbetert, dat je een spiegel krijgt: zo doe ik het en daar moet ik aan werken.“
Interne kwaliteitsverbetering, dat was het idee. En dan komt er een nieuwe minister, die nog maar een paar maanden in functie is. Ze wil de spelregels veranderen, de resultaten tóch publiceren. Dat veroorzaakt ophef.
Maar op dat moment komt er tegenspraak. De hosts zeggen: veel scholen klagen juist dat ze geen vrijheid hebben, dat ze moeten voldoen aan leerplannen. Hoe zit dat dan met die autonomie? Van Damme erkent de spanning. “Leerplannen geven natuurlijk heel veel richting. Maar de invulling, de evaluatie, daar hebben scholen nog steeds enorm veel marge in.“ De Pisa-wolk bewijst dat. Scholen met dezelfde leerplannen scoren enorm verschillend.
Van Damme zit tussen twee vuren. Aan de ene kant begrijpt hij de roep om transparantie. Ouders hebben het recht om te weten hoe een school presteert. Aan de andere kant ziet hij de risico's. “Als je teveel competitie krijgt, worden de sterke scholen beter en de zwakke scholen zwakker. De uitdaging is: hoe kun je die zwakke scholen omhoog helpen?“
En dan is er nog iets anders. “Als je resultaten publiceert op basis van Nederlands en wiskunde, geeft dat een beeld over kwaliteit dat echt heel eng is. Daar ben ik geen fan van.“ Want wat gebeurt er dan met het beroepsonderwijs? Dat gaat nog meer beschouwd worden als tweede of derde rang. Terwijl handarbeid vandaag zeer goed betaald is. “Ik zou vandaag de dag kiezen voor tarief per uur 10 jaar na afstuderen om beroepsonderwijs te meten.“
De hosts haken in: maar als je het systeem breed genoeg maakt, over voldoende domeinen, dan creëer je toch een gezondere competitie? Scholen kunnen dan excelleren op verschillende vlakken, niet alleen op Nederlands en wiskunde. Van Damme is het eens. “Trek het dan breder.“ Maar, voegt hij toe, dat spreken we over 10, 15 jaar. “Laat dat systeem eerst matuur worden. Als het dan over voldoende domeinen gespreid is, en als ouders transparantie willen, dan vind ik wel dat ze het recht hebben op transparantie.“
Waarom begonnen met Nederlands en wiskunde? Omdat het beleidsmatig belangrijke domeinen zijn, en omdat het technisch al moeilijk genoeg is. Beroepsonderwijs meten is nog complexer. “Op de OESO zitten we al 10 jaar na te denken over een soort vocational Pisa. Hoe kun je beroepsonderwijs meten? Dat is niet zo simpel.“
Het idee dat migranten de kwaliteit doen dalen: genuanceerder dan het lijkt ▶ 49:47
De vraag komt op tafel: moet je de schoolpopulatie mee in rekening brengen? Scholen met veel migrantenkinderen, die scoren slechter, toch? Dus je moet appels met appels vergelijken?
Van Damme is genuanceerd maar beslist. “Ja, dat is een belangrijk punt in de discussie. Maar ik ben daar niet geheel mee akkoord.“
“Het idee dat je schoolpopulatie je onderwijskwaliteit determineert, klopt niet. Je hebt nu een hoop migrante leerlingen die veel meer gemotiveerd zijn dan witte middenklasse kinderen die het thuis comfortabel hebben.“
Taal is wél een factor. En niet alleen taal als communicatiemiddel. “Taalachterstand betekent ook cognitieve achterstand, dat vloeit door naar alle andere vakken.“ Dat is een probleem dat niet onderschat mag worden. En ja, er zijn ook uitvalcijfers, spijbel, groepen die moeite hebben met integratie. Discriminatie speelt een rol. Er zijn gasten die zich niet willen aanpassen.
Maar de simplistische associatie, migranten gelijk lagere kwaliteit, die klopt niet. Er zijn groepen, stromingen, verschillen. Maar je mag nooit een individu afrekenen op zijn groep. “Dat is een beetje de balans die we nu zoeken. Hoe moeten we soms wel juiste selectiecriteria maken om daar iets voor te verwezenlijken, zodat iedereen de maximale toegang heeft tot de effecten van educatie, zonder op basis daarvan het individu op voorhand te discrimineren?“
Het is een onmogelijke balans, geeft hij toe. Maar in de wetenschap is dat het ideaal. En dat moet ook het ideaal zijn in het beleid. Niet zwart-wit denken. Niet kiezen tussen het individu of de groep als metafoor. Maar beide zien, beide erkennen, en toch rechtvaardig blijven. Links en rechts zijn het tenminste eens over taal. Dat is al iets.
Tussen wetenschap en beleid: waar kabinetchefs hun compromissen sluiten ▶ 20:50
De vraag is bijna cryptisch: heb je als kabinetchef dossiers moeten goedkeuren die tegen je wetenschappelijke overtuiging ingingen?
Van Damme glimlacht. “Je vraagt nu over een periode die voor mij al bijna 20 jaar geleden is.“ Maar ja, het gebeurt natuurlijk. Soms omdat iets juridisch niet anders kan. Soms omwille van evenwichten binnen de meerderheid. Soms omdat er wolfijzers en schietgeweren op je weg liggen, of bananenschillen waar de minister op kan uitschuiven.
“Je moet eigenlijk constant, elke dag opnieuw, ervoor zorgen dat je overeind blijft, dat je dingen verzoent, dat je oplossingen zoekt, maar toch dat je de lijn min of meer behoudt.“
Dat is de taak van een kabinetchef. Het is een constante oefening in pragmatisme zonder de principes los te laten. Wetenschap en beleid zijn twee systemen met eigen regels, eigen logica, eigen rationaliteit. “Je kunt daar alleen maar uit geraken door te erkennen dat dat andere systemen zijn dan het wetenschappelijke bedrijf of het academische, en dat daar ook andere regels gelden.“
Van Damme was zelf nooit politiek actief, nooit partijlid. Hij beschouwde zichzelf als iemand die met een zekere achtergrond en bagage kon bijdragen aan het oplossen van belangrijke problemen. Maar het politieke theater, de spelletjes, elkaar de loef afsteken, wie komt eerst in de media, dat was nooit zijn insteek. “Frank is ook een academicus, dus we zaten wel min of meer op dezelfde hoogte en golflengte. Terwijl hij in de loop der jaren meer theater-minded geworden is dan ikzelf.“
Het is een eerlijke erkenning: beleid vraagt om een andere mentaliteit dan wetenschap. En wie lang genoeg in het beleid zit, past zich aan of vertrekt.
De staat van het Vlaams onderwijs: nog goed, maar de trend wijst naar beneden ▶ 54:18
Moet ik nu denken dat ons onderwijs goed of slecht is? De vraag wordt rechtstreeks gesteld. Van Damme antwoordt zonder omwegen.
“De staat van onderwijs in Vlaanderen is nog altijd goed, niet excellent maar goed. We zitten in de subtop.“
Maar. “Wat verontrustend is: op een aantal domeinen evolueren we naar beneden. Elke nieuwe peiling is weer slechter dan de vorige.“ De tendens is slecht, ook al is de absolute positie nog steeds redelijk. Vlaanderen zat historisch goed, maar de trend wijst naar beneden.
En de verschillen tussen scholen zijn gigantisch. Er zijn scholen in Vlaanderen die internationaal topscoren. Er zijn ook scholen die wegzinken. “We hebben veel te weinig instrumenten om zeker die slecht functionerende scholen omhoog te krijgen. Dat is de grote uitdaging.“
Zal het blijven dalen? Van Damme aarzelt. “Dat is een voorspelling. In onderwijs denk je in decennia. Wat we nu ervaren is het gevolg van beslissingen die genomen zijn in de jaren 1990 en 2000.“ Hebben we toen de juiste dingen gedaan? Misschien. Doen we vandaag de juiste dingen? “We doen betere dingen, maar of we volledig juist zitten, dat is heel moeilijk te zeggen.“
Zijn verwachting: nog een kleine afzwakking, dan een neutralisatie, en dan zullen we binnen 10 jaar zien wat we hebben gedaan om te bepalen of we naar boven of naar beneden gaan. Het is een voorzichtige, realistische prognose. Onderwijs is een langzaam systeem. Koerswijzigingen kosten tijd. En de huidige koers vraagt om correctie.
Waarom het katholiek monopolie een probleem is ▶ 57:07
Wie zit er tussen beleid en praktijk? De koepels. De onderwijskoepels verenigen scholen, ondersteunen ze, vertalen beleid naar de klasvloer. Zijn ze gezond? Zijn ze functioneel?
Van Damme: “Onderwijs is een zeer groot en een zeer complex systeem. Als je geen middenstuk zou hebben, dan heb je een heel complexe relatie tussen de minister en al die duizenden scholen. Dus je hebt daar iets tussen nodig.“
Maar. “Ik zou liever een veel gedifferentieerder middenstuk hebben.“ Want katholiek onderwijs is 70 procent van de markt in het secundair onderwijs. Eén koepel. Dat is monopolistisch. “Dat vind ik niet goed.“
“Katholiek onderwijs is 70% van de markt in het secundair. Eén koepel, dat is monopolistisch. Dat vind ik niet goed.“
Er zijn tekenen van verandering. Binnen het katholiek onderwijs zijn er verschillende congregaties die niet altijd met elkaar overeenkomen. De bisschoppelijke scholen, de methodescholen, de verschillen worden rijker. Dat vindt Van Damme goed. Pluralisme binnen de koepel zelf. Maar de dominantie van één koepel blijft een probleem. “Als de overheid meer vrijheid geeft, moet die vrijheid niet ingevuld worden en puur bepaald worden door die middenstuk, maar moet die echt ook naar de scholen gaan.“
Het is opnieuw de balans. Tussen centraal en lokaal. Tussen beleid en praktijk. Tussen sturing en autonomie. En die balans is fragiel. Iedereen moet zijn rol goed spelen, en dan werkt het. Maar het probleem, zegt Van Damme met een glimlach, is mensen. “Verschrikkelijke dieren.“
Religie op school: wel zingeving, niet als gedwongen vakkenpakket ▶ 59:30
Tegen het einde komt de vraag: religie op school, doen of niet doen?
Van Damme neemt even de tijd. “De stelling dat religie niet thuishoort op school vind ik een heel povere stelling. School zou moeten gaan over de totaliteit van je mens-zijn, van opgroeien en ontwikkelen, en zingeving inbegrepen. Religieuze beleving hoort daarbij.“
Dus ja, religie op school. Maar niet zoals nu. “De regelgeving, de manier waarop het nu georganiseerd is via de erkende godsdiensten, dat er zoveel uren op school daaraan moeten besteed worden, dat vind ik compleet achterhaald.“
Wat dan wel? Een meer levensbeschouwelijk vak waarin verschillende godsdiensten aan bod komen. Waarin je van elkaar leert, waarin die levensbeschouwelijke dialoog echt ingebouwd is. Niet zoveel uur per week een klas rooms-katholieken, een klas protestanten, enzovoort. “En als je het dan doet, doe het dan goed. Probeer een holistische kijk op de wereld te geven, want Europa is klein.“
Maar is dat dan de verantwoordelijkheid van het onderwijs, of van thuis? Van Damme: “Deels toch wel. Onderwijs gaat niet alleen over wetenschap overdragen. Het gaat ook over waardeontwikkeling, over socialisatie.“
De tegenwerpingen volgen snel. Religie brengt conflict. Religie is niet seculier, niet objectief. Als je een holistische, interlevensbeschouwelijke aanpak wilt, zit je gevangen tussen diversiteit en het gebrek aan een gedeeld kader. En waardeontwikkeling doe je niet alleen door mensen op een metaniveau over religies te laten nadenken.
Van Damme erkent de spanning. “Je kunt die waardeontwikkeling alleen maar doen door iemand te initiëren in een religie. Als je puur over levensbeschouwelijke dialoog spreekt, dan leer je kinderen wel nadenken over religies, maar die gaan niet de waardeontwikkeling binnen een traditie meemaken. Je maakt niet echt kennis met het concept.“
Maar het mag niet betekenen dat je één religie oplegt. En op de fundamentele waarden zijn religies vaak niet in tegenspraak met elkaar. Er is veel gemeenschappelijk. Dat is waar Van Damme naartoe wil: laten we verkennen wat ons bindt, niet wat ons scheidt. Maar tegelijk: laat ons niet doen alsof je waarden kunt overbrengen door puur te praten over waarden. Dat is de spanning waar het onderwijs nog geen antwoord op heeft gevonden.
Epiloog
Aan het einde van het gesprek, als de rum op is en de microfoons worden uitgezet, blijft één indruk hangen: onderwijs is geen kwestie van simpele antwoorden. Het is een traag systeem, een complex systeem, een systeem dat voortdurend balanceert tussen tegengestelde polen. Kennis versus vaardigheden. Structuur versus vrijheid. Lokaal versus centraal.