Opening: De Melkerij in Brasschaat

De rum is al ingeschonken als Kris Opdedrynck, algemeen directeur van Davidsfonds, plaatsneemt aan de tafel in De Melkerij te Brasschaat. Een gintje voor de hosts, wijn voor de gast – de setting is vertrouwd, de agenda niet. Want Davidsfonds, opgericht in 1875 als katholieke tegenhanger van het Willemsfonds, staat volgend jaar op zijn 150ste verjaardag. Een mijlpaal die Opdedrynck niet wil vieren met nostalgische speeches, maar met een boek vol vensters op de toekomst. “Hoe maken wij van Vlaanderen en Brussel een warme plek, een creatieve plek, een kritische plek,“ vat hij samen. Vijftien vensters, geen antwoorden – uitnodigingen.

Opdedrynck kwam vijfenhalf jaar geleden de cultuursector binnen vanuit de privé. Zes jaar lang onderhandelde hij de nationale CAO's voor een paritair comité, aan werkgeverskant. Daarvoor leidde hij het familiebedrijf, iets met scheepselektriciteit. Toen Davidsfonds hem binnenhaalde, was de organisatie “verstild“, zegt hij zonder omwegen. Vandaag telt het fonds nog altijd 340 afdelingen in Vlaanderen en Brussel – meer dan er gemeenten zijn in het land – en zo'n 3000 actieve vrijwilligers. Maar verstild was het wel. “Als het niet was gelukt wat we die eerste vijf jaar hebben gedaan, dan was het gedaan geweest met Davidsfonds, denk ik.“

De avond begint met subsidies, loopt via doelgroepen en identiteit, en eindigt bij de vraag die Opdedrynck 's nachts wakker houdt: hoe zorgen we dat zijn zonen, vandaag 15 en 17, hem over twintig jaar niet verwijten dat zijn generatie het verknald heeft?

---

"We hebben meer afdelingen dan gemeenten in het land" ▶ 1:33

Davidsfonds bestaat uit drie grote pijlers. De kern is nog altijd de verenigingswerking: 340 lokale afdelingen, gedragen door 3000 vrijwilligers die lezingen, cursussen, tentoonstellingen en buurtactiviteiten organiseren. “Niet zo vanzelfsprekend in deze tijden, waar mensen hun vrije tijd heel kostbaar vinden,“ zegt Opdedrynck. De tweede pijler is Davidsfonds Academie, dat op zeventig plekken in Vlaanderen en Brussel zo'n tweehonderd cursussen per jaar organiseert – over kunst, cultuur, geschiedenis, erfgoed. Soms een overzicht van het luminisme, soms een rondleiding door het KMSKA met de curator. De derde pijler: reizen. Davidsfonds ontwerpt en ontwikkelt tachtig cultuurreizen per jaar, van opera in Verona tot sterrenkunde in Bakoenur. “Was op dit moment wat moeilijk, hè, Rusland en Bakoenur,“ lacht hij.

Het cliché dat Davidsfonds een ouderenbond is, bestrijdt Opdedrynck niet meteen. “Dat is deels waar. Maar het is niet alleen een uitdaging voor ons – het geldt voor alle verenigingen.“ Tegelijk wijst hij op de Junior Journalistenwedstrijd, nu aan zijn 38ste editie. Tienduizend jongeren doen elk jaar mee, van de lagere school tot de derde graad middelbaar. Zevenhonderd vrijwilligers trekken de scholen in om het project te promoten. De finale gaat door in het Vlaams Parlement, met bekende journalisten als juryleden. “Heel vaak winnen jongeren met een migratieachtergrond. Dat is emancipatorisch. Voor de peer group is dat krachtig: als die het kan, kan ik het ook.“

“We hebben nog altijd een goede 340 afdelingen in Vlaanderen en Brussel. Dat zijn meer afdelingen dan gemeenten in het land. Met zo'n 3000 actieve vrijwilligers, niet zo vanzelfsprekend in deze tijden.“

---

Van scheepselektriciteit naar sociaal-cultureel werk ▶ 3:47

Opdedrynck is geen klassieke cultuursector-man. Hij komt uit een West-Vlaams ondernemersgezin, leidde het familiebedrijf – iets met elektriciteit, scheepselektriciteit zelfs – en onderhandelde jarenlang als werkgeververtegenwoordiger de nationale CAO's voor een paritair comité. “Zes jaar lang,“ zegt hij. “Werkgevers tegenover werknemers, én Franstaligen tegenover Nederlandstaligen. Dat zijn stevige discussies.“ Toen hij bij Davidsfonds aanklopte, werd hij “wel heel erg raar bekeken“, zegt hij met een grijns. “Ik kwam uit de profit, voor zo'n oude organisatie. Neoliberaal, hè, zo werd dat gekaderd.“

Zijn eerste daad was tegen de gevestigde orde inzwemmen. “Toen ik directeur werd, heb ik met de medewerkers gezegd: we moeten winst maken.“ De mensen waren ervan overtuigd dat ze dat niet mochten. “Dat idee werd ook mooi gepropageerd vanuit de overheid: je krijgt subsidies, dus je mag zeker geen reserves opbouwen.“ Opdedrynck vond het absurd. “Het is heel simpel. We doen dingen, we maken winst. Wat doen we daarmee? Investeren. Nieuwe materialen kopen, mensen opleiden, computers vervangen. En op het eind van de rit, als er nog geld over is, dán begint het pas.“

“Toen ik bij Davidsfonds kwam moest ik met de medewerkers zeggen: we moeten winst maken. De mensen waren ervan overtuigd dat ze geen winst mochten maken. Dat idee werd ook mooi gepropageerd vanuit de overheid: je krijgt subsidies, dus je mag zeker geen reserves opbouwen.“

Hij trekt de parallel met de privésector. Bij een kmo of familiebedrijf komt de eigenaar als laatste aan de beurt, pas nadat alle kosten, investeringen en lonen zijn betaald. “Bij ons begint het pas na alle kosten en investeringen. Onze eigenaars, dat zijn al die vrijwilligers. Als er dan nog geld over is, kun je dat gebruiken om aan je aandeelhouders te spenderen. Dat begrip is zelden aanwezig en dat is doodjammer.“

“Bij ons begint het pas na alle kosten en investeringen. Onze eigenaars, dat zijn al die vrijwilligers. Als er dan nog geld over is, kun je dat gebruiken om aan je aandeelhouders te spenderen. Dat begrip is zelden aanwezig en dat is doodjammer.“

---

Subsidies: 33 procent is te veel ▶ 6:27

Toen Opdedrynck aantrad, haalde Davidsfonds 33 procent van zijn middelen uit subsidies. Hij schroefde dat terug naar 25 procent, met als streefdoel 20. “Dan is dat eigenlijk gezond, want dan kun je die 20 als risicokapitaal gebruiken.“ De rest komt uit lidgelden, boeken, en vooral Davidsfonds Cultuurreizen, die “best wel opbrengen“. Die financiële onafhankelijkheid is geen toeval – het is doctrine. “Heel veel organisaties in de sector zijn 80, 90 procent gesubsidieerd. Dan verlies je ook een beetje onafhankelijkheid.“

Het subsidiesysteem zelf noemt Opdedrynck “raar“, al erkent hij meteen dat zijn cynisme afhangt van hoe vermoeid hij is. Om de vijf jaar moeten alle sociaal-culturele organisaties een beleidsplan indienen, zo gedetailleerd dat zelfs de grammaticale tijd van de zinnen wordt voorgeschreven. “Je doelstellingen moeten geformuleerd zijn alsof ze bereikt zijn.“ Het plan wordt beoordeeld door experts die organisaties zélf mogen aandragen. “Dat is geen peer review, dat is competition review natuurlijk. Gelijkgestemden stemmen dan af.“ De minister beslist uiteindelijk, maar de beweegmarge is beperkt.

“Je moet voor vijf jaar een beleidsplan indienen, zo gedetailleerd, letterlijk in welke grammaticale tijd de zinnen moeten geschreven worden. Je doelstellingen moeten geformuleerd zijn alsof ze bereikt zijn.“

Opdedrynck vindt sommige aspecten van het systeem inefficiënt. “Er is geen enkele link tussen de hoogte van het subsidiebedrag en de volledige projecten die je zou willen doen. Je krijgt een bedrag dat afhankelijk is van de beoordeling van het inhoudelijke.“ Hij vergelijkt het met zijn vorige leven in de privésector, waar hij voor de Europese Commissie onderzoek deed naar R&D-subsidies. “Daar bereken je: dit is mijn volledige kostplaats, zoveel komt van subsidie, daar moet ik op rapporteren. Niets van dat alles hier.“

“Er is geen enkele link tussen de hoogte van het subsidiebedrag en de volledige projecten die je zou willen doen. Je krijgt een bedrag dat afhankelijk is van de beoordeling van het inhoudelijke.“

Tegelijk erkent hij dat overregulering vaak voortkomt uit wantrouwen. Een van de hosts pikt het op: “We romantiseren nu, maar het is ook wel leuk als je naar de overheid kijkt en je hebt een bepaald vertrouwen dat ze hun job doen en niet alles gecontroleerd moet worden. Want alle sectoren, iedereen controleert vandaag iedereen, maar dat is door een gebrek aan vertrouwen.“ Opdedrynck knikt instemmend. “Daar zit zeker iets in. Alleen het punt is dat de evaluatoren voor een stuk zelf aangestelde specialisten zijn. En er zijn een paar heel hardwerkende ambtenaren waar ik soms medelijden mee heb, die de financiële rapportering moeten doorploegen terwijl heel veel organisaties in de sector helemaal niet professioneel gerund zijn.“

---

Masterscriptie en Europese Commissie: de cubus van subsidies ▶ 33:31

Opdedryncks denken over subsidies is geworteld in zijn masterthesis, twintig jaar geleden. “Mijn tweede thesis ging over subsidies als bestuursmodel.“ Hij schetst drie assen: sociale cohesie, economische cohesie, en ondernemerschap. “Kleinste oppervlak voor de grootste inhoud, wiskundig gezien, is een cubus. Dat is het beste evenwichtspunt.“

Subsidies, legt hij uit, trekken aan één as – bijvoorbeeld sociale cohesie. “Niet te hard, een beetje, en je houdt dat langer vol. Ideaal: het systeem werkt, het ondernemerschap gaat omhoog, de economische cohesie ook, en je krijgt weer een mooie cubus.“ Maar als je te hard trekt, volgt de elasticiteit niet. “Dan krijg je een balk. Laat die los en je eindigt met een veel kleinere cubus.“

Later in zijn carrière voerde hij voor de Europese Commissie, DG Competition, een opdracht uit: breng in Europa de subsidietransparantie in kaart. “Dus hoe transparant is het voor de burger om te kunnen zien wie krijgt er welke subsidie, waar gaan ze naartoe?“ Het was een stevig werk, vertelt hij. De eerste conclusie: “Transparantie, ja maar, voor wie? Wie definieert transparantie? Als je bedrijfsleider bent en je concurrent vraagt een innovatieve subsidie aan en dat wordt publiek gemaakt, dan ben jij blij met die transparantie, maar je concurrent niet.“

Vlaanderen scoorde destijds slecht. “We hadden indicatoren zoals: hoe makkelijk kun je die gegevens krijgen, wanneer kun je die gegevens krijgen. Het subsidieregister, dat was er toen nog niet.“ Maar ook Zweden scoorde slecht, tot zijn verbazing. “Daar was op dat moment heel weinig, maar je kon met gemiddeld één of twee emails of telefoons eigenlijk alles krijgen. At your service. Vertrouwen, eigenlijk.“ Italië daarentegen scoorde goed, vanuit een geschiedenis van corruptie – de tegenreactie op wantrouwen had transparantie opgeleverd.

Het model geldt ook voor Davidsfonds zelf. “Het gaat over middelen, over mensen, over sociale cohesie, en durven ondernemen. Het gaat altijd over dat evenwicht.“ Daarom wilde hij na zijn carrière in de privésector ook eens in de non-profit kijken. “Ik heb gezegd: ik wil eens in het bedrijfsleven hebben gezien, nu wil ik het eens in de non-profit. Eerlijk, het leven is één groot experiment in die zin.“

---

Corona en het absurde keurslijf van beleidsplannen ▶ 10:28

Het beleidsplan dat Opdedrynck in 2020 indiende, liep meteen vast op de realiteit. “Dat begon in 2020. Huppakee, corona. Niks waargemaakt.“ Davidsfonds moest hard lobbyen om te vermijden dat de overheid zou kijken naar de oorspronkelijke doelstellingen. “We hebben gezegd: mannekes, we gaan toch niet kijken of we tegen 2022 dat en dat hebben bereikt?“ Het beleidsplan was goed geschreven, erkent hij, en door een beetje geluk konden ze veel dingen sneller of anders doen dan gepland. “Maar dat creëert in veel andere organisaties ook best wel stress. Je plant het, het schap verloopt nooit zoals je het hebt gepland.“

Vijf jaar vindt hij te kort en te lang tegelijk. “Te kort voor een echte visie – ik heb een visie geschreven op tien jaar. Te lang omdat je zo gedetailleerd moet zijn. Als je voor tien jaar een visie uitgeeft, dat is gewoon deel twee.“ Hij lacht cynisch. “Tegelijkertijd vinden ze vijf jaar té kort voor sommige dingen en té lang voor andere. Absurd.“

Het rigide systeem botst met de realiteit van vrijwilligersorganisaties, zegt hij. “We zitten in een keurslijf. En je moet verdorie van goede huizen zijn om te zeggen: oké, het is een beleidsplan, maar life happens. We gaan het achteraf uitleggen en zien waar we uitkomen.“

---

"Doelgroepen? Zeg deelgroepen" ▶ 13:07

Eén van Opdedryncks stokpaardjes – “waar ik de kriebels van krijg“ – is het woord doelgroep. In het beleidsplan moet elke organisatie aangeven op welke doelgroepen ze zich richt: mensen met een migratieachtergrond, armen, ouderen, jongeren. “Dat idee van doelgroep is eigenlijk al segregeren,“ zegt hij scherp. “Ik probeer altijd te zeggen: mannekes, dat woord weg. Het zijn deelgroepen.“

Het klinkt semantisch, geeft hij toe, maar dat is het niet. “Als je iemand al als doelgroep aanduidt, dan ga je al beginnen zeggen: je zit er nog niet. Je promoot het hokjesdenken. Automatisch zeg je: je hoort eigenlijk wel in die gemeenschap, maar dat is eigenlijk het foute begrip van inclusiviteit.“ Inclusief willen zijn door exclusief te zijn – dat is de contradictie die Opdedrynck ziet. “We proberen een gemeenschap te vormen, en daarbinnen zijn deelgroepen. Maar als je zegt: dit is een doelgroep, dan zeg je meteen: ze zitten er nog niet bij.“

“Het idee van doelgroep is eigenlijk al segregeren. Ik probeer altijd te zeggen: mannekes, dat woord weg. Het zijn deelgroepen. Dat klinkt semantisch, maar dat is het helemaal niet.“

Hij herinnert zich een visitatie van de overheid, vijf jaar geleden. Davidsfonds kreeg het verwijt dat hun activiteiten te elitair waren en dat mensen met een andere culturele achtergrond moeilijker konden aansluiten. “Ik heb toen vlakaf gezegd: sorry, maar jullie discrimineren. Gaat ge mij nu echt zeggen dat dat te moeilijk is?“

“Werden we verweten te elitaire activiteiten te doen, want mensen met een andere culturele achtergrond zouden moeilijker kunnen aansluiten. Ik heb toen vlakaf gezegd: sorry, maar jullie discrimineren. Gaat ge mij nu echt zeggen dat dat te moeilijk is?“

De hosts knikken instemmend en helpen zijn argument verfijnen. Eén van hen werpt op dat Unia, het Belgische interfederale centrum voor gelijke kansen, het begrip “positieve actie“ gebruikt – wat in essentie positieve discriminatie is. “Ik snap dat dat soms relevant kan zijn om een bepaald doel te bereiken,“ zegt de host, “maar benoem het dan ook zo. Niet een ander woord geven.“ Opdedrynck beaamt het. “Die twee maten en twee gewichten, waarmee we soms subtiel beginnen denken – dat sluipt erin via de vraagstelling. Doelgroepen, dat soort zaken. Waardoor we eigenlijk heel exclusief denken met het doel om inclusief te zijn.“

“Als je iemand al als doelgroep aanduidst, dan ga je al beginnen zeggen van: je zit er nog niet. Je promoot het hokjesdenken. Automatisch zeg je: je hoort eigenlijk wel in die gemeenschap, maar dat is eigenlijk het foute begrip van inclusiviteit.“

---

De Vlaamse en christelijke wortels: identiteit of erfenis? ▶ 16:25

Davidsfonds heeft Vlaamse en christelijke wortels. Dat staat in de statuten, en daar is jaren over gediscussieerd. “Voor ik kwam was dat heel hard in vraag gesteld,“ zegt Opdedrynck. Moet een organisatie die vandaag breed wil zijn, zich nog beroepen op haar katholieke en Vlaamse oorsprong? Het bestuur besliste: ja. “Als je daar niks mee doet, dan ben je totaal je organisatiecultuur kwijt. Dat is een stukje van je identiteit. Je gaat ermee aan de slag.“

Toen Opdedrynck aantrad, kreeg hij die discussie als opdracht mee. “Andere mensen hebben het waarschijnlijk als moeilijk ervaren. Ik vond het gemakkelijk. Van waar ga je mee aan de slag?“ Hij legt uit dat het niet om nationalisme gaat. “Die Vlaamse wortels, dat is niet zo makkelijk in Vlaanderen vandaag. Je hebt een politiek klimaat, het wordt vaak in een bepaalde hoek bekeken, heel nationalistisch. Maar het kan ook anders, het kan ook inclusief zijn.“

“Als je daar niks mee doet met je Christelijke en Vlaamse wortels, dan ben je totaal je organisatiecultuur kwijt. Dat is een stukje van je identiteit. Je gaat ermee aan de slag.“

De hosts vragen hem hoe hij daar zelf tegenaan kijkt. “Ik heb niet zo'n emotionele voeling met Vlaanderen, om eerlijk te zijn,“ zegt een van hen. “Maar ik ben wel praktisch Vlaming.“ Opdedrynck knikt. “Zonder identiteit, nationalisme of gewoon identitair denken – hoe diverser de make-up van onze gemeenschap, hoe belangrijker dat identitaire denken wordt. Zonder een waardeoordeel, je moet er ergens wel mee aan de slag.“

“Hoe diverser de make-up van onze gemeenschap, hoe belangrijker dat identitaire denken wordt. Zonder een waardeoordeel, je moet er ergens wel mee aan de slag.“

Hij vertelt over de christelijke en humanistische waarden die Davidsfonds vandaag draagt. “Waar stopt dat, identiteit en dat Vlaams, dat christelijke? Op een bepaald moment zeggen we: mannekes, stop. Dat is te ver. Maar je moet er wel mee aan de slag.“ Dit jaar heeft Davidsfonds daarom een boek gemaakt: vijftien vensters op hoe Vlaanderen en Brussel een warme, creatieve, kritische plek kunnen zijn. “We vragen aan al onze afdelingen: kies er eens een paar uit en doe dat lokaal. Hoe maak je van Kontich een warme plek? Dat zijn de Vlaamse wortels, op een praktische manier.“

“We hebben een boek gemaakt: hoe maken wij van Vlaanderen en Brussel een warme plek, een creatieve plek, een kritische plek. 15 vensters. We vragen aan al onze afdelingen: kies er eens een paar uit en doe dat lokaal.“

---

De Junior Journalistenwedstrijd: 10.000 jongeren, 700 vrijwilligers ▶ 8:43

De Junior Journalistenwedstrijd is dit jaar aan zijn 38ste editie. Tienduizend jongeren nemen deel, van het vijfde en zesde leerjaar tot de derde graad middelbaar. Ze schrijven opstellen of artikelen over maatschappelijke themen. Zevenhonderd vrijwilligers trekken de scholen in om het project te promoten, lokale jury's beoordelen de inzendingen, en de finale gaat door in het Vlaams Parlement, met bekende journalisten als moderatoren. “Soms winnen jongeren die het zelf ooit gewonnen hebben,“ zegt Opdedrynck. “Dat heeft impact.“

De wedstrijd sluit aan bij de oorspronkelijke missie van Davidsfonds: taal als basis voor gemeenschapsvorming. “Het gaat erover dat je een cultuurtaal hebt om volwaardig deel te nemen aan een gemeenschap. En vandaag zijn we daar precies wel minder goed in.“ Hij wijst op de achteruitgang van taalvaardigheid, zowel bij mensen met Nederlands als moedertaal als bij mensen die het als tweede taal leren.

“De Junior Journalistenwedstrijd, daar doen ieder jaar 10.000 jongeren aan mee. Dat zijn 700 vrijwilligers die tot in de lokale basisscholen gaan promoten. De finale gaat door in het Vlaams parlement.“

Opdedrynck vertelt dat vaak jongeren met een migratieachtergrond winnen. “Dat is emancipatorisch. Voor de peer group is dat heel krachtig: als die het kan, kan ik het ook.“ Hij benadrukt dat het niet gaat om een öer-Vlaamse elite, maar om iedereen die de taal beheerst. “Heel vaak is het voor de peer group – die zien: die kan dat winnen, dus ik kan dat ook.“

Er is ook de Taaltrofee, een soort taal-olympiade waar nog eens 10.000 jongeren aan meedoen. “Dat zijn projecten waar we dicht bij onze wortels zitten: het belang van een cultuurtaal om te kunnen participeren.“

“Het zijn bij lang na niet alleen jongeren met oer-Vlaamse wortels die winnen, wat ook geweldig is. Voor de peer group, als die dat kan en die kan dat winnen, is dat: ik kan dat ook.“

---

"Als je genoeg Nederlands kent om brood te kopen, dan participeer je niet" ▶ 1:00

Opdedrynck komt steeds terug op taal. Nederlands is voor hem geen symbool, maar een praktische voorwaarde. “Als je genoeg Nederlands kent om brood te kopen of in de fabriek de instructies te lezen, dan is dat transactioneel. Dan participeer je niet. Je hebt gewoon letterlijk niet de middelen om te participeren aan cultuur en dus gemeenschap te vormen.“

“Als je genoeg Nederlands kent om brood te kopen of in de fabriek de instructies te lezen, dan is dat transactioneel. Dan participeer je niet. Je hebt gewoon niet de middelen om te participeren aan cultuur en dus gemeenschap te vormen.“

Hij legt uit dat het verschil zit tussen een transactietaal en een cultuurtaal. “Je kunt met transactioneel Nederlands werken, boodschappen doen, instructies volgen. Maar je kunt niet meedoen aan een discussie, geen boek lezen, geen film begrijpen zonder ondertitels. Je staat buitenspel.“

Het probleem treft niet alleen nieuwkomers, zegt hij, en daar haalt hij een concreet voorbeeld bij. “Er zijn ouders uit Irak die gestudeerd hebben, een postdoc doen. Die hebben waarschijnlijk wel een cultuurtaal als thuistaal – Arabisch, met literatuur, met verhalen, met geschiedenis. Maar bij arme vluchtelingen uit dezelfde streek, als de ouders scraping along zijn en werk doen zonder veel taal, dan is het niet gezegd dat die mensen een bepaalde cultuurtaal thuis hebben.“

Het wordt nog erger, zegt hij, als die kinderen op school ook geen cultuurtaal meekrijgen. “Die krijgen het bij Nederlands ook al niet op school als je niet oppast. Dan zit er op dat punt een vogel voor de kat.“ Het voorbeeld illustreert dat het niet gaat om afkomst, maar om sociaaleconomische positie en taalachtergrond. “Alleé, dat klinkt nu heel zwart-wit en heel gekleurd, maar dat is voor mij cultuur.“

“Er zijn ouders uit Irak die gestudeerd hebben, een postdoc doen. Die hebben waarschijnlijk wel een cultuurtaal als thuistaal. Maar bij arme vluchtelingen uit dezelfde streek, als je niet oppast, krijgen hun kinderen bij Nederlands ook geen cultuurtaal op school. Dan zit er een vogel voor de kat.“

De hosts pikken het punt op. Eén van hen zegt dat hij zelf niet zo'n emotionele band heeft met Vlaanderen, maar het wel “praktisch“ nuttig vindt. Opdedrynck beaamt het. “Dat is net de kracht. Het is geen dogma, het is gewoon: als je niet met elkaar kunt communiceren, loopt alles fout. Dialoog, het hele concept. En je mist de verrijking ook, want het is maar als je in dialoog bent met iemand met een andere blik, dat de boel verrijkt wordt.“

Hij wijst op de geschiedenis van Vlaanderen. “Kijk naar de cultuurgeschiedenis. Waarom kwam Vlaanderen economisch en cultureel bovenop? Omdat er zoveel influx was van ideeën, van overal. Italianen in de middeleeuwen, Rubens die overal rondreisde. Dat openstaan, dat zorgt voor vooruitgang. Maar je hebt wel een basis nodig, en die basis is de taal.“

---

Van Leuven, opa: identiteit bij de nieuwe generatie ▶ 1:04:03

Opdedrynck vertelt een anekdote die hem aan het denken zette. Zijn jongste zoon vierde zijn verjaardag, alle jongens uit de klas waren uitgenodigd. De Opdedryncks waren net naar het centrum van Leuven verhuisd, een diverse buurt. “'s Avonds belt mijn schoonvader via FaceTime,“ vertelt hij. “Altijd schooldirecteur geweest, actief met diversiteit. Hij ziet de foto's en vraagt: van waar komen die gasten allemaal?“ Zijn zoon antwoordde verbouwereerd: “Van Leuven, opa.“

“Mijn schoonvader vroeg: van waar komen die gasten allemaal? Mijn zoon antwoordde: van Leuven, opa. Want als je te laat bent gaat de poort om 8u05 dicht. Voor hem is identiteit: we komen allemaal van Leuven.“

De kinderen komen van Nepal, van overal, legt Opdedrynck uit, maar voor zijn zoon was het antwoord simpel: ze komen van Leuven, want anders waren ze te laat op school. “Dat heeft mij aan het denken gezet. Voor die jongens is identiteit: we komen allemaal van Leuven. Dat liep fantastisch, dankzij een goede leerkracht. Binnen drie maanden spraken ze Nederlands.“

Maar toen stelde hij zichzelf de vraag: wat gebeurt er als die jongens 15, 16, 20 zijn? “Wat als ze dan plots vinden: we zijn hier eigenlijk niet helemaal thuis, we horen niet bij deze gemeenschap? Dat is mijn grootste angst. Ik zou niet willen hebben dat mijn gasten ons als generatie verwijten dat we het slecht gedaan hebben. Dat die groepen zich niet thuis voelen, dat het naast elkaar loopt. Dat is cultuur: onze maatschappij resilient genoeg maken.“

“Ik zou niet willen hebben dat mijn gasten ons als generatie verwijten dat we het slecht gedaan hebben. Dat die groepen zich niet thuis voelen, dat het naast elkaar loopt. Dat is cultuur: onze maatschappij resilient genoeg maken.“

---

Subsidies die elkaar tegenwerken: gemeenten versus verenigingen ▶ 42:25

Opdedrynck wordt zichtbaar gefrustreerd als hij