Een handelsingenieur in De Melkerij ▶ 0:00

De whisky komt uit. Een fles van Filliers staat op tafel, het ontwerp wat scheefjes geschonken, en gastheer Robi Struyf grapt dat er misschien een sponsordeal in zit. Aan de andere kant van het kleine tafeltje zit Jeroen Bronselaer, sinds 2020 CEO van Play Media. De man die Play4, Play5, Play6, Play7 en streamingdienst GoPlay onder een en dezelfde paraplu trekt, oogt opvallend ontspannen voor iemand wiens sector volgens elke trade publication onder druk staat.

Hij steekt van wal met een biografische schets. Handelsingenieur van opleiding, met de ambitie om in de media te werken. Zeven jaar VRT, daarna Telenet, waar hij verantwoordelijk werd voor alle contentaankopen, sportrechten en filmpakketten. Vanuit die rol zat hij in het team dat Telenet liet instappen in De Vijver Media, mee in de raad van bestuur van wat toen nog SBS was.

“Ik heb altijd in een consumentenmarkt gewerkt. Bij de VRT was het: we volgen de kijker. Bij Telenet was het: de kabel volgt de klant. Nu zeg ik ook: we volgen de eyeballs.“

In 2020 vertrok toenmalig CEO Peter Quaghebeur. Bronselaer en zijn baas John Porter kwamen, in zijn woorden, gemeenschappelijk en gelijktijdig tot dezelfde conclusie. Hij werd CEO van een kleinere businessunit dan zijn directiezetel bij Telenet, maar nu was hij wel de baas van alles. Hij lacht. “Als ik klaag over mijn job, ben ik een ondankbare en ontevreden mens.“

Waarom SBS plots Play heette ▶ 3:50

De rebranding van SBS naar Play media was geen marketingplotwist. SBS stond voor Scandinavian Broadcasting System, de Scandinavische groep die ooit op een boot bij Engeland zijn licenties verzamelde en in Belgie vier zenders verspreidde. “Niemand had ooit gedacht: Goh, die naam klopt niet meer, laten we ze veranderen“, zegt Bronselaer. SBS was een merknaam geworden, en daar had je vrede mee.

De echte reden zat in de fragmentatie van het medialandschap. Het bedrijf had vier kanalen met elk hun eigen merk: Vier, Vijf, Zes, Zeven. Bronselaer brengt het terug tot een principe: in een wereld waarin Netflix, TikTok, YouTube, Game of Thrones en Wednesday allemaal merken zijn die om aandacht vragen, kun je geen vier afzonderlijke zender-identiteiten meer onderhouden.

“Het is wel makkelijk voor mensen om te beseffen dat Play4, Play5, Play6, Play7 en GoPlay misschien familie van elkaar zijn. Anders moet ik elke keer uitleggen dat ze met elkaar te maken hebben.“

VTM heeft het gelijktijdig gedaan, vertelt hij, op een paar weken na. “Ik denk dat we allemaal ongeveer gelijktijdig die overweging gemaakt hebben. Het is niet zo: oh, zij doen het, dus het zal wel een goed idee zijn.“ De VRT volgde een paar jaar later. Een Engelstalige naam in een Vlaamse markt? Bronselaer schouderophalend: “Play is wel een merk dat bij veel dingen gaat. Playsport, Playground, GoPlay. Het straalt entertainment uit.“

Vlaanderen: het Gallische dorp dat geen dorp meer is ▶ 6:53

Dan wordt het cijferwerk. Hoe staat tv ervoor in Vlaanderen? “Voorlopig nog goed“, begint hij voorzichtig. Vlaanderen is volgens hem een uitzonderlijk rijke markt. De Vlaamse zenders samen halen nog ongeveer 75 procent van het tv-kijkgedrag, terwijl in Wallonie alleen al de combinatie van TF1 en France Television goed is voor 40 procent marktaandeel. Bij ons halen Nederlandse zenders amper 3 procent.

Die weerbaarheid is geen toeval, vindt Bronselaer. Voor 6 miljoen mensen heeft Vlaanderen drie sterke onafhankelijke spelers: een sterke openbare omroep en twee sterke commerciele zenders. Hij vergelijkt: Wallonie heeft een commerciele en een openbare zender voor 4 miljoen kijkers, Denemarken heeft 6 miljoen mensen met een grootste commerciele speler die voor de helft eigendom is van de openbare omroep.

Maar dat verleden komt onder druk. Bronselaer haalt het beeld van Asterix erbij. Vlamingen waren lang het Gallische dorp dat zichzelf veilig waande. Niemand maakt product in het Vlaams, dachten ze, en Vlamingen houden niet van dubbing of ondertitels. “Guess what“, zegt hij droog. “De Romeinen zitten ondertussen wel degelijk binnen.“

“Wij waren echt het Gallische dorp. En de reden was: iedereen wil Vlaams. Wij spreken Vlaams, niemand maakt product in het Vlaams, en Vlamingen houden niet van dubbing en subtitled product. Dus we zijn veilig, de Romeinen gaan niet binnenkomen. Guess what: de Romeinen zitten ondertussen wel degelijk binnen.“

Netflix kreeg, branding-wise, de hele streamingruimte in handen, geeft hij toe. “Branding wise heeft Netflix gewonnen. En het is ook de enige rendabele streamer.“ Covid versnelde de cord cutters die er al waren, want de studio's waren dicht en er was niets nieuws op de buis. Hij zegt het zonder klacht. Hij volgt de eyeballs.

Drie jaar verlies bij Streams, en dan toch break-even ▶ 14:36

Streams is het paradepaardje dat lang het zorgenkindje was. Drie jaar van investeringen, weet Bronselaer, en bevriende observatoren stelden zich vragen. “Vandaag, leefbaar? Nee. Maar we denken wel dat we het binnen het jaar rendabel gaan krijgen.“

De joint venture met DPG, het bedrijf achter VTM en HLN, was vanuit het oogpunt van marktverdediging een logische keuze. Telenet had Play and Play More als abonnementsdienst. VTM had die cluster niet, en als zij de stap niet gezamenlijk maakten, kwam alles terecht bij de buitenlandse spelers.

“Als wij Streams niet boven de doopfont en boven water houden, dan gaat heel die SVOD-markt naar de buitenlandse spelers. Dan geeft je een stuk van wat de Vlaming wil betalen aan content gewoon weg.“

Die marktverdediging is overigens wel een keuze die hosts Robi en Yves stevig aftoetsen. Hosts wijzen erop dat het hilarisch is hoe Play Media en DPG langs de ene kant zware concurrenten zijn en langs de andere kant samenwerken. Bronselaer reageert: “Voor de mededingingsautoriteiten is alles correct verlopen. Ik denk dat dat een beetje de realiteit is van onze kleine markt.“ Wat in Frankrijk en Nederland werd afgeketst, een fusie tussen RTL en Talpa, of M6 en TF1, is bij ons in een joint venture gegoten op een afgebakend stuk van de markt.

De context speelt mee. “Drie jaar geleden, vijf jaar geleden zag het er slechter uit“, zegt hij. “De rente stond op nul, er was geld genoeg, iedereen durfde kapitaal in streamers te steken. Vandaag luister je naar de CEO van Disney en hoor je: profitability, profitability, profitability.“ De economics van streamers zijn realistischer geworden, en daardoor ademt een lokale joint venture wat ruimer.

De rekenkundige kost van een draaidag ▶ 30:39

Hoe wordt een tv-programma vandaag eigenlijk besteld? Bronselaer schetst een spreadsheet, niet zonder humor. Bijna elk programma is een vaste prijs per aflevering, met productiehuizen die werken op basis van stuklijsten. Hoeveel redacteurs, hoeveel decor, hoeveel draaidagen, hoeveel montagedagen, met een prijs per item.

“Je begint echt van de werkelijke kostprijs en daarop debatteert je over hoeveel marge mogen die nemen. Dat ligt op tien tot vijftien procent, veel meer is het niet.“

Vlaanderen blijft een ambachtelijke markt, zegt hij. Het talent is, internationaal gezien, opvallend goedkoop. “Een topspresentator in Duitsland kost 10.000 tot 50.000 euro per aflevering. Bij ons gaat dat over duizenden euro's.“ Die factor laat toe om in productiekwaliteit te investeren. Vlamingen steken volgens hem meer manuren in ontwikkeling, doordenken, testen en redactionele aandacht.

Voor risicovolle producties komt er een shared risk-component bij. Hij verwijst naar Boris, het roadtrip-programma van Jeroom waarbij twee vrienden de as van een dode broer uitstrooien aan de andere kant van Canada. “Dat is een paper, dat noemen ze een paper. Dat is een idee dat nog nooit uitgevoerd is.“ Voor zo'n productie zal de zender soms een draaidag of een montagedag extra meegeven, omdat niemand weet wat er onderweg gebeurt.

De Voice in Duitsland kost drie keer zoveel ▶ 37:33

Wanneer je een internationaal format invliegt, zoals De Voice, betaal je een formaatfee per aflevering. Bronselaer schat ruwweg dat een aflevering van zo'n format in Duitsland 30.000 euro kost, in Belgie eerder boven de 10.000. “Ook daar valt het mee. Absoluut gezien zijn we duur, relatief gezien blijven we ambachtelijk.“

De omgekeerde reis levert minder centen op. Peking Express, ooit binnen vt4 zelf bedacht, geeft Play Media nog inkomsten elke keer als er ergens ter wereld een nieuwe versie wordt gedraaid. Geen vetpot, maar in een markt met dunne marges telt elke euro. Het echte goud zit bij producenten, niet bij zenders. Studio 100 begon met een sprekende hond, dan Gert en Samson, dan dvd's, dan musicals, dan parken.

“Als ik kijk wat Studio 100 opgebouwd heeft van op dertig jaar, vanuit een sprekende hond, en altijd met de tijd is meegegaan: cd's, dvd's, ringtones, de Mely die ze gekocht hebben en omtoverden tot Plopsaland. Niemand vond dat een goed business idee toen ze dat deden.“

Vandaag zit volgens Bronselaer ergens tussen 60 en 70 procent van de Studio 100-omzet in pretparken. “Dat is heel andere activiteit. Het opereren van pretparken is heel groot.“ Een Playground van eigen makelij? “Helaas is dat idee uitgevoerd, en zeker in ons kleine land.“ Hij grijnst.

De Mol als atypische gaussiaanse curve ▶ 46:48

Wat is dan het paradepaardje van GoPlay? “De Mol is op alle platformen het paradepaardje“, zegt Bronselaer met enige trots. Het programma haalt een miljoenenpubliek dat tegelijk jong is. Dat is uitzonderlijk geworden. Veel miljoenenprogramma's vandaag, ook bij VRT en VTM, zien hun publiek vergrijzen.

“De Mol is een perfecte gaussiaanse curve, van acht tot achtentachtig mooi verdeeld. En het is een hit op lineaire tv, op uitgesteld kijken en op GoPlay.“

Woestijnvis, het productiehuis achter De Mol, kreeg het programma destijds drie keer aan VRT, daarna tien jaar in de koelkast. Toen Woestijnvis vt4 kocht, brachten ze De Mol terug om de zender een smoel te geven. Hij loopt nu al meer dan tien jaar.

De Tafel van Gert heeft een ander profiel. Live, dagelijks, 160 afleveringen per seizoen. Misschien per dag 300.000 kijkers, maar tel het op en je krijgt indrukwekkende getallen. “Guess who is making the money? Dat is Gert. Dat is altijd Studio 100. Geweldige eigen producties, geweldig knap.“

Niet alle inkomsten komen overigens uit primetime. Bronselaer maakt de luisteraar attent op een minder geziene logica.

“Meer dan vijftig procent van mijn omzet draai ik op de kleinere kanalen en off peak. Tv is een beetje zoals het internet: je kunt nooit precies zeggen wanneer dat doelpubliek zit.“

"Diepvriesgroenten in West-Vlaanderen is een grotere sector" ▶ 56:51

Hosts duwen door op de kwestie subsidies. Robi Struyf is daarover gezond kritisch, in zijn eigen woorden, en wil weten of een sector die geen kleine begroting heeft, echt extra steun verdient. Bronselaer verzet zich niet, maar nuanceert. Voor de zelfrelativering schrikt hij niet terug.

“Sector van twee miljard? Ik denk echt dat diepvriesgroenten in West-Vlaanderen een grotere sector zijn.“

Het argument verschuift dan ook van economische schaal naar maatschappelijke impact. “Qua identiteit, qua samenbrengen, qua bespreekbaar maken, alleen al nieuws en informatie: er is zoveel te doen over fake news, en het zal altijd makkelijker zijn om dat aan te pakken in een land met sterke lokale media dan wanneer alles van X, Twitter of Facebook komt.“

Hij gelooft niet in een sector die volledig op subsidies draait. “Wij zijn niet op zoek naar: geef mij eens een miljard.“ Maar hij pleit wel voor wat hij noemt tijdelijk versterkende maatregelen, jaarlijks te evalueren. Tax shelter is voor hem het schoolvoorbeeld. “Ik geloof niet dat dat de Vlaamse overheid veel geld gekost heeft. Ik denk dat het geld opgebracht heeft.“

Drie potten, drie ministers ▶ 55:18

Wat hem vooral steekt is de versnipperde architectuur van het Vlaamse mediabeleid. Het FAF, het Vlaams Audiovisueel Fonds, geeft filmsubsidies. Het Mediafonds geeft subsidies voor series. Maar als de filmpot niet helemaal opgebruikt wordt, mag er geen serie mee gemaakt worden. Mediabeleid valt dan weer onder Cultuur, en in de huidige legislatuur op het bord van Vlaams minister-president Jan Jambon.

“Het FAF gaat over tien of twaalf miljoen euro. Het Mediafonds zit in dezelfde marge. Het meeste dat je voor een serie kunt krijgen is een miljoen euro. Wij zijn een sector waar je met tien miljoen euro nog echt iets verandert. In de haven van Antwerpen krijg je voor tien miljoen twee containers verzet.“

Die versnippering komt volgens hem voort uit het uitgangspunt dat in Belgie weinig pas wordt aangepakt voor het echt moet. “Crisis is geen beleid. We hopen dat de nieuwe mediaminister vijf jaar vooruit gaat kijken.“

Hij houdt vast aan de gedachte dat Vlaanderen meer dan een nichemarkt is. Hosts wijzen erop dat het pure economisch-kapitalistische alternatief drie megastreamers zijn die toch geen Vlaamse identiteit zullen koesteren. Bronselaer is het eens. “Het puur economisch kapitalistische alternatief is drie mega streamers die guess what, niet Vlaams en waarschijnlijk ook niet Europees van oorsprong zullen zijn, en zeer moeilijk te reguleren.“

VRT, 300 miljoen, en het debat dat altijd terugkeert ▶ 1:04:28

Het bedrag schuift even op tafel. De VRT krijgt jaarlijks ongeveer 300 miljoen euro overheidsgeld, plus nog een goede 100 miljoen uit reclame en distributie. Een budget van zo'n 400 miljoen voor de openbare omroep.

“Als je wilt dat de VRT een brede opdracht doet, moet je ze ook breed funden. Is 300 miljoen genoeg? Ik denk dat wel. Het is een overheidsinstelling. Een commerciele zender zou het efficienter doen.“

Bronselaer wil VRT niet uit de markt zien duwen, en omgekeerd ook niet. “Als VRT te veel geld heeft, kunnen ze mij uit de markt pushen. Als VTM het beest een beetje uithangt, kunnen ze mij uit de markt duwen. We hebben elkaar zo wat gevonden. Let's keep it that way.“

Drie spelers blijven volgens hem structureel beter dan twee. In Frankrijk en Nederland zetten mededingingsautoriteiten een streep door de fusieplannen tussen RTL en Talpa, en M6 en TF1. In Vlaanderen blijven we voorlopig met drie.

Telenet, Proximus, en de fiber-soap ▶ 25:17

Het gesprek glijdt even naar de telco-rondloop. Telenet legde fiber, Proximus legde fiber, en intussen kondigden ze een intentie aan om in dichtbevolkte gebieden samen te werken. “Op zich is dat een beetje belachelijk in zo'n klein land“, geeft Bronselaer toe. “Maar we weten allemaal dat het binnen twintig jaar fiber moet zijn. Vandaag heeft niemand echt fibersnelheden nodig.“

De scherpe doorvraag van de hosts: kan een tv-zender nog op zichzelf rendabel zijn in een Belgische context? Bronselaer is duidelijk.

“Een kleine zender alleen, zoals vt4 ooit was, zou vandaag niet meer rendabel zijn. De druk is te groot, advertentiegelden zijn te verspreid, productiekosten zijn gestegen.“

Vandaar de logica van een telco als Telenet die in een lokaal ecosysteem investeert, en een groep als DPG die buitenlandse omzet, kranten en nieuwsdiensten mee in de mix gooit.

Cord cutting is geen drama, wel een verschuiving ▶ 23:47

Gaan kijkers echt zes of zeven streamingabonnementen aanhouden? Niet bij ons, denkt hij. In de Verenigde Staten zit een kabelabonnement op 100 tot 150 dollar per maand. Daar is een Netflix van 15 dollar nog goedkoper dan vier streamers samen. “De Vlaming is opgevoed met een tv-abonnement bij Telenet van 25 tot 35 euro. Vanaf twee tot drie streamingdiensten van tien euro begint die share of wallet uit te gaan.“

De streamers schuiven trouwens naar elkaar toe. “Netflix doet advertising in the States, Disney doet advertising. Ze gaan allemaal van premium naar freemium. Tegelijk schuiven free-to-air-spelers zoals wij op naar een klein beetje betalend.“ Het businessmodel raakt verstrengeld.

Mediabureaus die uit Londen telefoneren ▶ 53:46

Naast de kijker verschuift ook de adverteerder. Hij zegt het zonder cynisme, maar wel met enige zorg. “Vroeger had elk mediabureau zijn Belgische vestiging. Vandaag zie je dat heel veel mediabureaus internationaler zijn. De mannen die de reclame inkopen, dat wordt gerund vanuit Londen, Parijs of Amsterdam.“

“Lokale affiniteit verdwijnt wel wat. Dat maakt het voor ons moeilijker om top of mind te zijn bij de mensen die advertenties kopen.“

Die internationalisering, gecombineerd met stijgende loonkosten en indexering in een people business, knelt aan beide kanten. Het is een van de redenen dat Bronselaer hoopt dat het beleid niet enkel reactief blijft. “Het is geen sector waar we hopen op een mirakel-injectie“, herhaalt hij. “Maar wel op iemand die nadenkt over wat we eigenlijk willen bereiken.“

Podcasts, het kleine kanaal dat groot kan worden ▶ 1:07:34

Gastheer Yves Mathieu vraagt het op het einde, met een knipoog: hebben zenders nog relevantie in een wereld die deels podcastland wordt? Bronselaer antwoordt op niveau, niet als kerel die ineens een advertorial wil verkopen. Podcast is volgens hem ongeveer waar streaming vijf jaar geleden zat. “Up and coming, met een paar opvallende successen. Covid heeft het versneld, mensen vonden een publiek en ermee bezig zijn.“

De uitdaging is monetisatie. Niet zozeer bereik, want dat valt mee voor de top, maar wel hoe je dat bereik in inkomsten omzet. “Ik kan de top tien podcasts wel bereiken, maar niet kwalitatief monetizen via klassieke cpm-modellen.“ Wat dan wel? Productintegratie, sponsorships, en de socials van de eigen talenten meegenomen in een groter pakket. “Daar gaat vandaag ook geld naartoe, op de socials van de talenten die ik groot maak met de Mol.“

“Vroeger waren we in een hele rijke sector. De gouden jaren van de VTM, dan kon nog wel eens een flesje champagne afgetrokken worden. Vandaag staan de marges onder druk en wordt elk percent kijker in Australie belangrijk voor een podcast meer of minder.“

Play Media gaat van twee naar vier wekelijkse podcasts in september, kondigt hij aan. Een ervan een afgeleide van De Tafel. Productiekost laag, want de content wordt toch al opgenomen voor de live-uitzending. “Dat is geen pure podcast, dat is slim business model. En dat gaat werken.“

AI-vertalingen en de Japan-paradox ▶ 1:12:57

De hosts gooien een out-of-the-box-vraag op tafel. Wat als AI deze podcast simultaan vertaalt naar elke wereldtaal? Bronselaer denkt mee, maar relativeert. Hij heeft enkele afleveringen van Discours beluisterd ter voorbereiding, geeft hij toe. Het interview met een Holocaust-getuige noemt hij wereldrelevant. Een gesprek met Wouter Torfs is in zijn hoofd vooral lokaal. “Misschien een op tien is universeel genoeg.“

“Ge zou ons niet kunnen vertalen naar het Japans. Niet omdat het letterlijk niet kan, maar omdat dat een culturele differentiatie is van hoe gesprekken ervaren worden.“

Europa vindt hij wel een opportuniteit. Vlaanderen, Nederland, Frankrijk, Duitsland, dat hadden we hier kunnen voeren met wat voorbereiding. Maar hij plaatst ook een waarschuwing voor wie denkt dat AI alle barrieres opheft. “Je speelt voor de wereld, zoals die Instagram-families. Maar dan ga je deze vraag niet stellen, of je gaat de stijl aanpassen.“

Het is misschien wel de kern van het hele gesprek. De globalisering biedt opportuniteiten, maar de prijs ervan is dat je je eigen lokale toon moet inruilen. “Dat is de prijs.“

Crime Play en de marginale winsten ▶ 1:17:36

Net voor de aftiteling stelt host Yves nog een vraag over Crime Play, een aparte zender die deel werd van de Play-familie. “We hebben gezien dat daar een kassakassa is van mensen die heel veel naar crime kijken“, zegt Bronselaer. “Het is een zender die heel veel kijkuren genereert bij niet zo'n breed publiek, maar waar ik veel advertenties kan verkopen aan een lage kost. Het is allemaal aankoop.“

Het is precies daar dat de filosofie van zijn job samenkomt. “De realiteit van onze sector is nu dat de marges onder druk staan, dat bereik moeilijk is, en dat marginal gains, marginal profits gewoon belangrijker worden.“

De vraag valt: bent u een analytische of een creatieve CEO? Bronselaer ontwijkt het veilige antwoord niet.

“Ik ga niet voor het veilige antwoord kiezen. Ik denk dat mensen mij eerder een creatieve, ietwat chaotische CEO vinden die veel over cijfers spreekt. Maar als puntje bij paaltje komt, ja, nogal eens zo in een keer creatief omgaan met cijfers.“

Tot besluit: solidariteit als kpi

Aan het begin van het gesprek schetst Bronselaer zijn drijfveer. Niet de economics op zich, niet de marketingmix, maar een idee dat opvallend buiten de spreadsheet staat. Hoe verbinden we al die individuen nog tot een groter geheel?

“Solidariteit is belangrijk. Hoe verbinden we al die individuen nog tot een groter geheel? Ik zie dat onze samenleving een beetje vastloopt, en dat is een probleem in onze maatschappij.“

Voor wie denkt dat televisie een uitstervende industrie is, biedt zijn analyse een nuance die niet uit nostalgie spreekt: drie spelers in een markt van zes miljoen mensen, een 75 procent lokaal kijkaandeel, een joint venture die break-even draait, een mediafonds dat tien miljoen euro telt waar het er twintig zou kunnen tellen.

Het is exact het soort gesprek dat Discours wilde voeren. Geen polariserende statements, gewoon een sectorkenner die zijn cijfers door de lens van zijn maatschappelijke rol haalt. Een verzamelpunt van degelijkheid en dialoog. Bronselaer noemt zichzelf een chaotisch creatieve econoom. We zijn geneigd hem op zijn woord te geloven.