De student die generaties wil verbinden: "We zijn allemaal het centrum gaan denken, maar blijkbaar denkt iedereen dat"

De late namiddagzon valt door de ramen van De Melkerij in Brasschaat wanneer Julien De Wit binnenstapt. Op zijn 23ste is hij voorzitter van de Vlaamse Vereniging van Studenten, columnist, en sinds deze week ook auteur. Zijn boek Generaties verscheen net, een poging om het debat over jongeren en ouderen voorbij clichés te tillen. “Ik ben eigenlijk niet zo'n whiskydrinker,“ bekent hij wanneer de glazen worden ingeschonken. Het past bij het beeld: een jonge man die liever nuanceert dan polariseert, die liever verbindt dan verdeelt.

De opening is meteen raak. “Het is eigenlijk een soort van positief pleidooi om dat generatiedenken wat af te stappen,“ zegt De Wit. Zijn stem klinkt bedachtzaam, alsof elk woord is afgewogen.

“In de maatschappij waarin we vandaag leven tel je onder 25 echt niet mee en dan boven 65 ben je eigenlijk ook al afgeschreven.“

Die observatie vormde de aanleiding voor het boek. De Wit wilde niet nóg een generatieportret schrijven, geen opsomming van hoe Generatie Z verschilt van de Boomers. Hij wilde net het omgekeerde: aantonen dat die hokjes ons weinig verder brengen.

Waarom een 23-jarige een boek schrijft over wat generaties gemeen hebben

“Ik heb altijd graag geschreven,“ vertelt De Wit. “Ik had als kind dagboeken, logboeken waarin ik schreef: die heeft dat gezegd, dat is wel interessant, dat is er gebeurt, papa moet zich daarover zorgen maken.“ Voor dit boek dook hij die oude notitieboekjes opnieuw in. Wat hij aantrof was een patroon: dezelfde onzekerheden, dezelfde bekommernissen, jaar na jaar.

“Je groeit op en je opent het nieuws en je ziet echt wel heel wat negatieve dingen: klimaatverandering, de economie gaat helemaal in elkaar storten. Dat geeft een heel negatief beeld.“ Maar toen De Wit met jongeren ging spreken voor zijn werk bij studentenverenigingen, zag hij iets anders. “Er is daar wel een hele sterke generatie die ook heel wat hoop in zich draagt.“

Het boek werd een zoektocht naar wat jongeren en ouderen bindt in plaats van scheidt. “Als ik dan met jongeren en experts heb gesproken, dan merk je wel: diezelfde onzekerheden, diezelfde bekommernissen, dat feit dat je een mooie toekomst wilt, dat is wel iets dat ons allemaal tekent.“

Die zoektocht leidde hem ook naar historische patronen. “Ik heb eens iets gelezen: er zijn quotes uit elk jaar vanaf 1950 tot nu waar ze zeggen over de jeugd van toen. Je kunt dat doortrekken naar het verleden: altijd is er commentaar.“ Die constante herhaling van generatiekritiek is voor De Wit een belangrijk relativeringsargument.

“Ik denk dat we effectief verschillen hebben. Er is zoiets als levensfases. Iemand die 50 of 60 jaar op deze aardbol rondloopt heeft automatisch andere reflexes die soms misschien iets te vastgeroest zijn, maar aan de andere kant ook zeer genuanceerd zijn omdat hij al veel heeft gezien.“

Privilege erkennen zonder problemen te bagatelliseren

De Wit is zich scherp bewust van de geprivilegieerde positie waarin zijn generatie verkeert. “We groeien op in een supergeprivilegieerd rijk Westen. Het grootste probleem dat wij straks misschien kunnen hebben is dat er geen tafel ligt op je bord die je graag wilt, en niet dat je naar de oorlog moet gaan.“

Maar die erkenning betekent niet dat de problemen onecht zijn, benadrukt hij meteen. Hij haalt het voorbeeld aan van Corona: studenten zaten binnen, veilig, terwijl oudere generaties oorlog hadden meegemaakt. “Ik snap die reactie wel van: dit is toch wel iets anders. Maar dat ontslaat ons niet.“ Het gaat hem niet om een hiërarchie van leed, maar om wederzijds begrip.

“Ik heb het gevoel dat we soms een soort verworven arrogantie hebben waarin we per ongeluk in een bepaalde positie geboren zijn en nu denken dat dat normaal is. Misschien moeten we soms ons verwachtingspatroon afbouwen, verantwoordelijkheid opnemen en niet zomaar direct roepen: ik voel mij nergens thuis, ik heb een identiteitscrisis.“

Tegelijk wijst hij erop dat die identiteitsvragen niet zomaar verdwijnen door ze weg te wuiven. “Dat komt pas later als je in een luxepositie zit, volgens de Piramide van Maslow. Maar nu we in die positie zitten, is het ook terecht dat we ons afvragen: wat betekent een goed leven?“

Armoede: dichter bij dan je denkt

Het gesprek kantelt naar armoede, een thema dat volgens De Wit veel dichterbij zit dan we denken. Hij haalt voorbeelden aan die hij tijdens zijn onderzoek tegenkwam, waarbij hij benadrukt dat hij de precieze omvang van het probleem niet in cijfers kan vatten. “De data exact kan ik niet geven. Ik heb de overheidsdefinitie gebruikt en gekeken naar OCMW-criteria.“

Wat hij wel kan delen, zijn de verhalen die hij hoorde. Hij geeft een student in zijn boek:

“Ze zei: ik had op een bepaald moment onvoldoende geld om voor mezelf in te staan, dus ik moest overleven op één pizza van Dokter Oetker per dag.“

Een ander voorbeeld, uit een vakantiejob: een collega die zijn zoon thuishield van school omdat er geen geld was voor brood. “Hij zei: anders is het gênant als die de brooddoos moet opendoen in de middag en dat daar niks in zit.“

Die verhalen raakten De Wit. “Voor mij zagen die mensen er heel normaal uit en eigenlijk zat die echt tot over de oren in de miserie. Je ziet het niet af van mensen hun gezicht, maar daarom zitten ze nog niet mee met kleinere problemen.“

Het probleem voelt volgens hem groeiend. “Als ik kijk gewoon naar studenten, want dat ken ik het beste: het aantal aanvragen voor sociale hulp is tijdens Corona verdubbeld aan sommige universiteiten. Het waren niet alleen meer aanvragen, maar ook de bedragen die moesten toegekend worden waren veel groter. Vroeger tweehonderd euro per maand, nu vierhonderd of: ik kan geen huisvesting krijgen.“

De lagere middenklasse die door de mazen van het net valt

De Wit las De achterblijvers van Gert Schuurman, een boek over de groep die net niet arm genoeg is om hulp te krijgen, maar ook niet rijk genoeg om comfortabel te leven. “Heel veel aandacht voor de allerarmsten, en ook wel aandacht voor de allerrijksten, maar de mensen die net niet arm genoeg zijn om geholpen te worden, die vallen uit de boot.“

De impact van armoede trekt zich door naar de rest van het leven, legt hij uit. “Er zijn onderzoeken die zeggen dat je met een aantal IQ-punten minder geboren wordt als je in armoede geboren wordt. Je kunt ook minder goed studeren als je dat niet kunt betalen. Je mist heel wat andere ervaringen, ook netwerk.“

“Je moet een stage zoeken. Als je geen vrienden of familie hebt die iemand kennen, dan moet je gewoon tien keer harder werken om nog maar dezelfde kans te krijgen als iemand anders.“

En dan is er nog iets anders, iets dat De Wit moeilijker in woorden kan vatten maar wel als fundamenteel beschouwt.

“Je voelt je minder dan de rest en dat is wel gewoon een gevoel dat je wel voor altijd zal bijblijven denk ik.“

Niet iedereen heeft evenveel last van die gevoelens, nuanceert hij meteen. “Het is grappig: we proberen altijd een oplossing te zoeken die voor iedereen van toepassing is, maar dat bestaat niet. Die ene gaat keihard veel uithalen als die een jaar of twee gaat reizen, een andere gaat daar jaloers van worden.“

De kunstenaar op een zwart podium en wat die hem leerde

De Wit beschrijft zijn denken over cultuur als een leerproces. “Ik ben bijvoorbeeld naar het theater geweest en dat was gewoon uiteindelijk een zwarte stage met daarin een zwart blok en iemand ging daar op zitten en kwam vertellen. Ik had zoiets van: heeft dit dan zoveel subsidie gekost?“

Maar toen De Wit met jonge kunstenaars in gesprek ging, veranderde zijn kijk geleidelijk. “Die leggen je uit hoe zij naar bepaalde dingen kijken en hoe niet elk stukje cultuur voor iedereen iets moet betekenen, maar dat het dan voor anderen heel veel kan betekenen. Door over dat hoofdstuk na te denken, meer in te lezen, ben ik daar wel genuanceerder in geworden.“

“Vroeger had je de Medicis en rijke families die kunst sponsorden. Nu is het ook zo: de overheid gaat een tentoonstellingsruimte openen en dan is het op mijn belastinggeld. Ik snap ook ergens dat dat gevoelig ligt.“

Hij worstelt nog altijd met de juiste balans. “Je kunt niet makkelijk zeggen: je hebt daar nu een euro voor gegeven, dit krijg je als return. Misschien betekent het voor u juist niks, maar dat wil daarom niet nog niet zeggen dat dat een slecht gespendeerde euro is. Het gaat erom dat het in balans en verantwoord is.“

Hij wijst ook op voorbeelden die wél breed toegankelijk zijn. “Studio 100 producties. Wat je daar ook van mag zeggen, ik denk wel dat dat voor heel veel mensen echt zo de eerste theaterbeleving was en dat is ook wel mooi.“ Die democratisering van cultuur vindt hij waardevol, ook al valt het niet onder de klassieke definitie van gesubsidieerde kunst.

Overbezorgdheid en de eerste schooldag

De Wit wijst op een tegenstrijdigheid in hoe we met jonge mensen omgaan. “Het was gisteren de eerste schooldag en er stond een artikel met advies van psychologen over hoe je moet reageren als je kind naar school gaat: vertel niet teveel, dit en dat. Ik had zoiets van: broer, bizonder. Het is de eerste schooldag. Ze gaan niet naar het rookfront.“

Die overbezorgdheid heeft een keerzijde, denkt hij. “Ik denk dat dat ervoor zorgt dat als je over jongeren spreekt en hun mentaal welzijn, dat dat heel snel op flessen wordt getrokken en daaraan wordt gelinkt, terwijl het overbemoederen totaal niet hetzelfde is als: we willen ervoor zorgen dat iedereen oké in zijn vel zit.“

“Door de overbezorgdheid gaat de essentie een beetje kwijt en wordt het allemaal in dat groter geheel getrokken, terwijl de essentie dan verloren gaat.“

Het leidt volgens hem tot een pathologisering van normale levensfases. “Als je zo opgroeit met die overbeschermende ouders en al die aandacht voor elk detail, dan wordt compleet normaal gedrag al snel een probleem.“

Social media en de tweestrijd tussen uniekheid en conformiteit

Een van de uitdagingen die De Wit breed ziet spelen, is de kunstmatige wereld die wordt gecreëerd door social media. Hij benadrukt dat dit niet alleen jongeren treft. “Qua verslaving en consumerisme is dit natuurlijk overal, ook bij oudere mensen. Die aandachtsspanne, daar is al veel over geschreven.“

Maar het creëert wel een specifieke spanning.

“Je zit enerzijds met een tijdsgeest die zegt: individualisme, je moet keihard jezelf zijn, op elk moment moet je uniek zijn. En langs de andere kant zit je constant op je Instagram te vergelijken met al die duizenden andere mensen en wil je eigenlijk zijn zoals die andere.“

Die spanning leidt tot een identiteitscrisis die vorige generaties anders beleefden, denkt De Wit. Hij geeft een voorbeeld. “Als mijn grootvader, mijn vader allemaal slager waren en ik word slager, die mensen zijn denk ik heel gelukkig. Dat pad ligt gewoon klaar.“

Vandaag is alles mogelijk. En dat is, paradoxaal genoeg, soms beklemmend.

“Extreme vrijheid is minder vrij dan minder vrijheid. Je hebt nu: ik kan whatever, alles doen. Als je er ook geen voorgeschiedenis bij hebt, dan is dat gewoon enorm moeilijk.“

De keerzijde van totale verantwoordelijkheid

Maar De Wit erkent ook de spanning in zijn eigen redenering. “Je bent nu 100% verantwoordelijk voor je succes. Bravo. Maar mag je dan ook 100% verantwoordelijk zijn voor je tegenslag? Dat geeft iets heel mooi ergens, maar aan de andere kant kan het ook iets heel zwaars zijn.“

Hij wijst op culturele verschillen om zijn punt te illustreren. In Japan bijvoorbeeld, waar collectieve identiteit zwaarder weegt dan individuele ontplooiing, leidt dat tot andere verwachtingen.

“Ik las over een spoorbaas die ontslag nam omdat een trein vijftien seconden te laat was gekomen. Hij had zijn ontslag ingediend. Dat vind ik ergens mooi: ik werk in een bedrijf en ben onderdeel van een machine. Ik heb met mijn werk geen plezier gedaan, dus ik moet daar credits voor nemen.“

Maar, voegt hij er meteen aan toe, ook dat model kent grenzen. “In China gaat dat nog extremer met social shaming. Dat is weer iets anders. Ik vind dat te extreem.“

De balans zoeken tussen individuele verantwoordelijkheid en collectieve identiteit is één van de grote uitdagingen.

“We zijn allemaal onszelf eigenlijk heel centraal gaan zien en denken dat wij het centrum zijn van het bestaan. Maar blijkbaar denkt iedereen dat en zijn we dan blijkbaar toch niet.“

Rechten en plichten: vakbonden en de klepel die kan doorslaan

De Wit ziet een bredere maatschappelijke verschuiving. “Ik denk dat we soms te weinig stilstaan bij wat het betekent om onderdeel te zijn van een groep, onderdeel te zijn van de maatschappij, van een bedrijf, van een klasgroep. Die groep is ook super belangrijk voor onze ontwikkeling.“

Hij illustreert zijn punt met een voorbeeld uit de arbeidswereld. “Vakbonden hebben vroeger een essentiële, cruciale functie gehad. Die hebben ervoor gezorgd dat we extreme werkomstandigheden niet meer toelaten. Dat is 100% te danken aan hen.“

Maar, nuanceert hij voorzichtig, ook daar moet een evenwicht blijven.

“Vandaag zie je dan ook zeer kleine, minimale dingen die worden getackeld waarbij je denkt: er moet ook nog een beetje verantwoordelijkheid zijn langs de kant van de werknemer. Ik vind niet dat het allemaal slecht is, maar ik denk dat we zitten met zoveel aandacht voor dat kleppelgegeven van vroeger. Maar aan de andere kant nu moeten we zien: we zitten nog net goed, maar het kan wel echt pittig beginnen doorslaan.“

De Wit is zich bewust dat dit een gevoelig punt is. “Ik bedoel: we moeten humaan zijn, we zijn meer dan dat. Maar we moeten ook zien dat we niet te ver gaan waarbij we niet altijd de ruimte laten voor het individu om zelf ook verantwoordelijkheid te nemen.“

Schoolmoeheid en de vergeten groep

Een thema dat De Wit in zijn boek probeert te onderzoeken, is de groep jongeren die uit de boot valt in het onderwijssysteem. “Je hebt een mooie groep jongeren die naar de hogeschool of universiteit gaan. Anderen gaan een technische richting in en kunnen zeker in deze tijden goed aan de slag. Maar er zijn ook een aantal schoolverlaters die daar dan maar zijn en die niet geactiveerd worden.“

Die schoolmoeheid wil hij in zijn boek beschrijven. “Dat is een probleem waar ik in het boek naar probeer te kijken: van waar komt dat juist? En hoe kunnen we ook hen meenemen?“

“Mijn grote bekommernis is dat je door die polarisatie op een bepaald moment in een systeem terechtkomt waarin je zo twee polen hebt die elkaar aankijken. En er zijn er dan die niet bij pool A of B horen en die zijn er dan maar en die moeten we achterlaten. Dat zou ik heel jammer vinden.“

Onderwijs als levenslang leren, niet als diploma-fabriek

De Wit is kritisch over hoe we naar onderwijs kijken. “Heel vaak zijn we onderwijs gaan zien als dat kleine bolletje dat zich op school afspeelt, terwijl dat iets veel breder is.“

Hij pleit voor een model van levenslang leren. “Het idee van: ik studeer vandaag en ik ben tot het einde der dagen master in de internationale betrekkingen. Ja, straks is daar misschien geen nood meer aan en dan ga ik mee moeten omscholen.“

Onderwijs is ook: een boek lezen over een onderwerp dat je interesseert, een cursus volgen, een podcast beluisteren. “Dat is ook allemaal onderwijs, maar we zijn zo gewoon om in onze maatschappij dingen in kotjes te steken dat we beslist hebben: onderwijs, dat is de school. En buiten de schoolmuren niet meer.“

Hij wijst op platforms als Coursera, waar je voor een fractie van de kost van een universitaire inschrijving cursussen kunt volgen. “Professoren uit de Verenigde Staten en uit Toronto, voor een fractie van de kost. Hetzelfde met coderen: met YouTube kun je perfect van A tot Z alles leren.“

Maar wie betaalt daarvoor, vraagt de host. “Privé? Individueel? Dat vind ik belachelijk,“ reageert De Wit. “In Amerika is dat misschien wel waard als je goed zit, want de verdiensten zijn daar ook hoger. Maar in Europa hebben we een ander model en volgens mij zijn we daar beter mee af.“

De waarde van school ligt volgens hem niet alleen in kennis, maar ook in sociale vorming. “De school is ook een mini-samenleving waarin jongeren kunnen experimenteren. Dat is echt belangrijk voor je vorming als persoon.“

“Ik denk niet dat het diploma dat je vandaag hebt bepaalt wat je direct gaat doen op de arbeidsmarkt. Laat staan over twintig jaar. Maar ik denk wel dat het echt belangrijk is voor je vorming als persoon.“

Waarom het stemrecht niet automatisch naar 16 moet

Tegen het einde van het gesprek komt een vraag die De Wit duidelijk heeft doordacht: moeten jongeren eerder mogen stemmen?

Zijn antwoord is verrassend voorzichtig. “Ik ben er eigenlijk geen fan van, gewoon puur omdat ik naar mijn eigen stemgedrag kijk. Dat was gewoon veel te ononderbouwd om te stemmen. Als ik eerlijk ben: ik zou het zelfs optrekken. Ik zou 21 of nog verder durven gaan.“

Hij nuanceert wel meteen dat het niet primair om leeftijd gaat. “Het is niet omdat je per definitie een bepaalde leeftijd bereikt dat je daarom een bepaalde maturiteit bereikt. De correlatie is beperkt. Maar ik voel wel: er zijn maar enkelingen die voor die leeftijd daar echt goed over hebben nagedacht. Het is eerder uitzondering aan de regel.“

Tegelijk is hij helder over wat wel belangrijk is.

“Als iemand de moeite doet om effectief iets te onderbouwen, zich in te lezen en dan een stem probeert te voicen, luister er dan ook naar. Probeer die niet zomaar te discrediteren met een argument van leeftijd. Luister naar mensen, niet omdat ze jongeren zijn, maar omdat ze heel veel zindige dingen te zeggen hebben.“

Over stemplicht blijkt hij tijdens het gesprek van gedachten te veranderen. “Ik was vroeger geen fan van stemplicht, maar doorheen dit gesprek ben ik er eigenlijk wel mee eens geworden. Je wordt gedwongen om daarover na te denken. Je krijgt van de maatschappij ongelooflijk veel, het minste wat je moet doen is af en toe op een knopje gaan duwen.“

De hosts zijn kritischer. “Maar door stemplicht gaan mensen stemmen zonder na te denken,“ werpen ze tegen. “Die mensen die vrijwillig gaan stemmen zijn juist vaak degenen die het meest genuanceerd zijn.“

De Wit erkent de spanning. “Ja, ik snap dat. Er zijn 60-jarige vrouwen die zeggen dat ze op de knapste stemmen. Maar ik denk dat die correlatie wel iets kleiner wordt naarmate je een bepaalde leeftijd bereikt. En ik zou liever hebben dat er mensen zijn die zeggen: ik heb totaal geen idee, dan dat je iemand met een genuanceerde mening de mogelijkheid ontneemt om te gaan stemmen.“

Drie boodschappen: aan jongeren, samenleving en beleid

Gevraagd naar concrete boodschappen voor jongeren, de samenleving en het beleid, wordt De Wit opnieuw concreet.

Voor jongeren: “Het is ook aan jongeren om zich uit te spreken over thema's, om zichzelf in te lezen over bepaalde problematiek en daar zelf aan de slag te gaan. Om zich wendbaar te maken, om om te gaan met onzekerheid. Dat is een verantwoordelijkheid.“

Voor de samenleving: “Investeer gewoon tijd in elkaar. Echt de moeite nemen om met elkaar in gesprek te gaan. Ook al kost dat meer moeite en duurt dat langer, je haalt er ook wel veel meer uit dan je eerst zou denken.“

En voor het beleid maakt hij een cruciaal onderscheid.

“Zwijg gewoon als je weet dat je het niet kunt waarmaken. Beloof geen duizend dingen die je toch niet waar kunt maken of stuur geen halve waarheden. En leer het verschil tussen horen en luisteren.“

Die laatste toevoeging is cruciaal voor hem. “Politici zeggen heel vaak: we hebben de stakeholders gehoord, de jongerenraad, de ouderenraad. Maar zijn ze er ook echt mee aan de slag gegaan? Verschil tussen horen en luisteren. Dat is ook iets waar media een rol in kunnen spelen.“

Excelleren en gewoon zijn: twee kanten van dezelfde medaille

De Wit is zich bewust van de tegenstrijdigheden in zijn verhaal. Enerzijds pleit hij voor bescheidenheid, voor het accepteren dat “gewoon“ ook oké is. Anderzijds waarschuwt hij voor te veel middelmaat.

“De typische Belgische cultuur, dat 'doe maar gewoon'-achtige. We moeten ook wel durven zeggen: dat moet ook durven investeren in excellentie en dat durven rewarderen.“

Hij wijst op een vals dilemma in het onderwijsdebat. “Het wordt vaak gedaan alsof je moet kiezen: investeren in excellentie of investeren in de allerkwetsbaarsten. Alsof dat elkaar uitsluit. Maar je hebt die allerbesten ook nodig in je maatschappij, dus die moeten ook ondersteund worden. En die andere moeten ook geholpen worden, maar dat is gewoon anders.“

“Als je constant tegen jongeren zegt: dat onderwijs is toch eigenlijk niks waard, dat klimaat komt toch nooit goed, dan discourage je de mensen en houd je ze tegen om de zin te zien van waar ze mee bezig zijn.“

Waarom dit boek geen doemverhaal wilde zijn

In de slotpagina's van Generaties probeert De Wit iets dat zeldzaam is in het publieke debat: hoop bieden zonder naïef te zijn. “Ik denk gewoon dat we in een heel complexe wereld leven die heel snel verandert en die veranderingen gaan ook sneller en sneller. Ik denk dat gewoon niet iedereen daarmee om kan.“

Maar, en dat is cruciaal: daarom moeten we niet vervallen in doemdenken. Het boek is bewust opgebouwd als een opsomming van problemen gevolgd door mogelijke oplossingen. “Het is eigenlijk een soort van: zo oplijsten van alle problemen maar dan ook telkens out-of-the-box nagedacht van: en hoe kunnen we dit nu gaan oplossen?“

“Ik heb jongeren en experten samengebracht om te tonen van: hey mannen, het is helemaal niet naar. Het is oplosbaar. En we zijn niet allemaal gewoon debielen die in het donker naar testen staren.“

De Wit merkt dat sommige jongeren zelfs het gesprek voeren over autoritaire alternatieven. “Er zijn een aantal jongeren die zeggen: eigenlijk zou een grote leider misschien niet slecht zijn. Democratie is uit elkaar gevallen. Dat gesprek wordt gevoerd.“

Dat baart hem zorgen, maar hij begrijpt waar het vandaan komt. “We zoeken naar antwoorden en er blijkt vaak geen goed antwoord te bestaan. Dan verval je soms in een systeem waarin je je op een grote leider begint te richten.“

Zijn boek is een poging om dat tij te keren, niet door oplossingen aan te reiken, maar door de complexiteit te omarmen.

“We zitten in een maatschappij waar alles heel simpel wordt voorgesteld terwijl de dingen helemaal niet zo simpel zijn vaak. We gaan geen mening opbrengen, maar wel: dit is een probleem, dit zijn verschillende invalshoeken, wat vind jij ervan?“

---

Buiten valt de avond over Brasschaat. De Wit sluit af met een gedachte die de essentie van zijn boek samenvat. “We proberen altijd een one-size-fits-all oplossing te zoeken voor iedereen, maar uiteindelijk zijn er vaak verschillende invalshoeken nodig. Dat is geen zwakte, dat is gewoon realiteit.“

Het is precies wat Discours nastreeft: ruimte maken voor die verschillende invalshoeken, zonder te vervallen in polarisatie of populisme. In een tijd waarin generaties tegen elkaar worden uitgespeeld, probeert Julien De Wit te laten zien wat hen bindt. Niet omdat de verschillen er niet zijn, maar omdat de overeenkomsten zwaarder wegen.

Of zoals hij het zelf formuleert: “Solidariteit is belangrijk. Hoe verbinden we al die individuen nog tot het grotere geheel? Ik zie dat onze samenleving voor een stuk een beetje in een vastgroei zit en dat is een probleem. Als we dat goed aanpakken, dan zijn er wel mogelijkheden.“